Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:7178

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
24-01-2018
Zaaknummer
BRE - 16 _ 4353
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkeerder van buitenlands spaartegoed. Bewijslastverdeling ‘opkomen/houden in het buitenland’ van de stortingen. Is doorwerking van omkering van de bewijslast vanwege de box 3-correcties naar de feitenvaststelling voor de bepaling of de verlengde navorderingstermijn ook van toepassing op de box 1-correctie vanwege de zwarte omzetten die op de buitenlandse bankrekening zijn gestort? De rechtbank zet de argumenten voor en tegen uiteen en beantwoordt de vraag, alles afwegende, ontkennend: omkering heeft geen ruimere werking dan die voor bepaling van de materiële belastingschuld. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zwarte omzet destijds in het buitenland is opgekomen. Navordering over de box 1-correcties is niet mogelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/205
Viditax (FutD), 24-01-2018
FutD 2018-0261 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/4353

uitspraak van 3 november 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2009 opgelegd, berekend naar een te betalen bedrag, na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen, van € 284.956 (aanslagnummer [aanslagnummer].H.97).

1.2.

De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar – waarvan de eerste bladzijde is voorzien van dagtekening 26 mei 2016 en de volgende bladzijden van dagtekening 27 mei 2016 – de navorderingsaanslag gehandhaafd. Bij brief van 16 augustus 2016 heeft de inspecteur het verzoek om vergoeding van kosten voor de bezwaarfase afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij brief van 1 juli 2016, ontvangen bij de rechtbank Gelderland op 1 juli 2016 en na doorzending ingekomen bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 7 juli 2016, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2017 te Breda.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarin ook de verschenen personen zijn vermeld. Een afschrift van het proces-verbaal is op 24 augustus 2017 aan partijen verzonden.

1.7.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank. Een onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer is met instemming van partijen achterwege gelaten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende was in de voor dit geschil van belang zijnde jaren bestuurder en middellijk aandeelhouder van [A BV]. De activiteiten van de vennootschap bestaan uit verkoop en schadeherstel van auto’s.

2.2.

In het kader van de inkeerregeling is namens (onder meer) belanghebbende, bij brief van 18 juni 2014, melding gemaakt van door hem in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Bij brief van 10 juli 2015 is namens belanghebbende aangegeven dat sinds 20 februari 1996 een bankrekening wordt aangehouden bij [Bank 1] te Luxemburg, sinds de jaren negentig een bankrekening wordt aangehouden bij [Bank 2] te Zwitserland en in de jaren negentig eveneens een bankrekening bij [Bank 3] te België werd aangehouden. Laatstgenoemde bankrekening is opgeheven op 4 december 2009. In de brief staat voorts dat belanghebbende twee maal een bedrag in contanten heeft gestort, te weten op 1 november 2006 een bedrag van € 90.000 op de bankrekening bij [Bank 1] en op 12 maart 2008 een bedrag van € 70.000 op de bankrekening bij [Bank 3]. Deze stortingen zijn volgens belanghebbende afkomstig uit afgeroomde omzet van het autobedrijf. Deze omzet alsmede de saldi en de rente van de buitenlandse bankrekeningen zijn op geen enkele wijze in Nederland in de belastingheffing betrokken.

2.3.

De bestreden navorderingsaanslag is gebaseerd op een op 2 december 2015 door onder meer belanghebbende met de inspecteur gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: ook wel de VSO).

2.4.

In de VSO is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen, waarbij (onder meer) belanghebbende is aangeduid als Partij A en de inspecteur als Partij B:

“Uitgangspunt van deze vaststellingsovereenkomst is het feit dat Partij A onjuist aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan over de jaren 2001 tot en met 2013. Gelet op de heffingsgrondslag voor de inkomstenbelasting 2001 tot en met 2013 leidt dit tot navordering van een totaalbedrag van € 284.956 (tweehonderdvierentachtigduizendnegenhonderdzesenvijftig euro).

In de verschuldigde belasting zit een bedrag dat voortvloeit uit een correctie in box 1 over de jaren 2006 en 2008. In tegenstelling tot hetgeen is opgenomen onder punt 8 van deze overeenkomst blijft het recht bestaan om tegen de box 1 correcties over 2006 en 2008 bezwaar en beroep aan te tekenen.

(…)

De fiscale gevolgen (enkelvoudige belasting en heffingsrente/belastingrente) van deze vaststellingsovereenkomst worden als volgt verwerkt:

- de jaren 2001 tot en met 2013 worden (onder verwijzing naar art. 64 AWR) volledig verwerkt in één op te leggen navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2009 (in casu een navorderingsaanslag ten name van [belanghebbende]).

(…)

Heffingsrente/belastingrente

De door Partij A verschuldigde heffingsrente en/of belastingrente is berekend conform de wettelijke bepalingen tot de datum: 30-11-15. Voor de berekening van de verschuldigde heffingsrente en/of belastingrente (per belastingjaar) wordt verwezen naar de bijlage (Excel-berekening).

Partij A beroept zich niet op het feit dat er geen beschikking heffingsrente en/of belastingrente tot stand is gekomen, nu deze niet afzonderlijk op het aanslagbiljet is vermeld. Hiertegen kan derhalve geen bezwaar en/of beroep worden aangetekend. (…)”.

2.5.

Met dagtekening van 29 december 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende de navorderingsaanslag over het jaar 2009 opgelegd. In de navorderingsaanslag is het te betalen bedrag, na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen, vastgesteld op € 284.956, conform de VSO. Dit bedrag bestaat, zoals volgt uit de bijlage bij de VSO, uit een navordering inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2001 tot en met 2013 van € 222.382 en een bedrag van € 62.574 aan heffings-/belastingrente.

3 Geschil

3.1.

In geschil is enkel de navordering over de correcties in box 1 (hierna: de omzetcorrecties). Partijen houdt daarbij onder meer verdeeld of de zogenoemde verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) (ook) op deze correcties van toepassing is.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van het in de navorderingsaanslag begrepen belastingbedrag met € 83.200. Dit bedrag betreft de verschuldigde belasting over de omzetcorrecties. Naar de rechtbank begrijpt, concludeert belanghebbende voorts tot dienovereenkomstige aanpassing van het in de navorderingsaanslag begrepen rentebedrag.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

De bevoegdheid tot navorderen over de omzetcorrecties

4.1.

In artikel 16, derde lid, van de AWR is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR vervalt, in afwijking in zoverre van voornoemd derde lid, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen.

4.2.

Het geschil van partijen met betrekking tot de vraag of de zogenoemde verlengde navorderingstermijn van toepassing is, omvat onder meer twee rechtsvragen. De eerste rechtsvraag betreft de uitleg van de term ‘in het buitenland houden/opkomen’ in de tekst van artikel 16, vierde lid, van de AWR. De tweede rechtsvraag is welke bewijsregels gelden ter zake van de vaststelling van de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat – gegeven de uitleg van de genoemde term – op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR nagevorderd kan worden. In het bijzonder speelt daarbij de vraag naar de betekenis van artikel 27e, eerste lid, van de AWR voor de bewijslastverdeling.

Begrip ‘in het buitenland gehouden/opgekomen’

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat aangezien het (door de inspecteur gestelde) inkomensbestanddeel hier afgeroomde omzet van het autobedrijf betreft (zie 2.2), het hier gaat om de uitleg van het begrip ‘in het buitenland is opgekomen’ als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR. Anders dan de inspecteur primair aanvoert, gaat het – gelet op de aard van het inkomensbestanddeel – niet om een inkomensbestanddeel dat ‘wordt gehouden’.

4.4.

Het gaat dus om de vraag onder welke omstandigheden gesproken kan worden van een inkomensbestanddeel dat ‘in het buitenland is opgekomen’. In de context van deze zaak overweegt de rechtbank als volgt (vgl. eerder Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 juli 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4658). De wetgever heeft bij het tot stand brengen van artikel 16, vierde lid, van de AWR specifiek het oog gehad op inkomsten die in het buitenland zijn verkregen of op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt (zie HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ6911, BNB 2004/367). Daaronder moet mede worden begrepen de situatie waarin inkomsten die in Nederland zijn gegenereerd, rechtstreeks door de Nederlandse afnemer naar een buitenlandse bankrekening worden overgemaakt waardoor deze inkomsten aan het zicht van de Nederlandse fiscus worden onttrokken (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8824, V-N 2013/17.6). Met deze laatstgenoemde situatie kan – mede afhankelijk van het tijdsverloop tussen ontvangst van de contante betaling en storting – op één lijn worden gesteld de situatie waarin niet in de administratie opgenomen, in Nederland ontvangen, contante betalingen vervolgens op een buitenlandse bankrekening worden gestort, waardoor deze betalingen aan het zicht van de Nederlandse fiscus worden onttrokken (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden voormeld en rechtbank Noord-Holland 17 maart 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:1287, rov. 18). De rechtbank ziet geen aanleiding om in wat belanghebbende, onder meer met verwijzing naar de conclusie van A-G IJzerman (ECLI:NL:PHR:2017:644), heeft aangevoerd, het begrip ‘in het buitenland is opgekomen’ beperkter uit te leggen dan hiervoor is vermeld.

Verhouding omkering van de bewijslast tot artikel 16, vierde lid, van de AWR

4.5.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of, indien de sanctie van de zogenoemde omkering van bewijslast op grond van artikel 27e, eerste lid, van de AWR van toepassing is, deze sanctie ook geldt ter zake van de vaststelling van de feiten en omstandigheden die bepalen of de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR van toepassing is (hierna kort gezegd: doorwerking).

4.6.

Voor het standpunt dat de sanctie van omkering van de bewijslast niet doorwerkt (zie voor dat standpunt bijv. voormelde conclusie van A-G IJzerman), kunnen verschillende, deels samenhangende, argumenten worden aangevoerd. Betoogd kan worden dat de sanctie van omkering van de bewijslast alleen betrekking heeft op feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de bepaling van de materiële belastingschuld en dus bijvoorbeeld niet op feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de materiële belastingschuld geformaliseerd kan worden. Hierbij kan worden aangevoerd dat het enerzijds niet voor de hand ligt dat omkering van de bewijslast doorwerkt naar artikel 16 van de AWR in het algemeen (dus ook bijvoorbeeld met betrekking tot de bewijslastverdeling ter zake van het nieuwfeit-vereiste of het moment van bekendmaking van de bestreden aanslag), terwijl er anderzijds geen kenbare aanwijzingen zijn (in de wettekst of wetsgeschiedenis) dat de wetgever specifiek voor alleen het vierde lid van artikel 16 van de AWR doorwerking heeft beoogd. Betoogd kan tevens worden dat de visie dat de sanctie van de omkering van de bewijslast niet doorwerkt, steun vindt in de tekst van artikel 25, derde lid, van de AWR, in de context waarvan de tekst van artikel 27e, eerste lid, van de AWR moet worden uitgelegd. De frase ‘tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag (…) onjuist is’ kan, zo kan worden betoogd, geen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die relevant zijn voor de vraag of de materiële belastingschuld geformaliseerd kan worden omdat de vraag of de inspecteur bevoegd is om de aanslag op te leggen geen kwestie is die betrekking heeft op de ‘juistheid’ van de belastingaanslag. Betoogd kan verder worden dat de wetsystematiek meebrengt dat eerst de vraag moet worden beantwoord of (ter zake van het betreffende inkomensbestanddeel) de inspecteur bevoegd is de aanslag op te leggen, en dat pas bij een bevestigend antwoord toegekomen wordt aan de beoordeling van de juistheid van de hoogte daarvan en de in dat kader van toepassing zijnde bewijslastverdeling.

4.7.

Voor het tegengestelde standpunt – er is wel een doorwerking – kunnen ook argumenten worden aangevoerd. Zo kan worden aangevoerd dat de tekst van artikel 27e, eerste lid, van de AWR ruimte laat voor de uitleg dat de omkering van de bewijslast wel doorwerkt naar artikel 16, vierde lid, van de AWR. Immers, dat artikel schrijft dwingend voor dat het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Voor zover in het kader van artikel 16, vierde lid, van de AWR geschil bestaat over de feiten, rust – zo gaat het betoog verder – op belanghebbende de verzwaarde bewijslast van de feiten die de conclusie rechtvaardigen dat artikel 16, vierde lid, van de AWR niet van toepassing is. Steun voor een ruim toepassingsbereik van artikel 27e van de AWR kan ook worden gevonden in de tekst van artikel 27e, derde lid, van de AWR dat de toepassing van het artikel ‘enkel’ uitsluit voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete. De wetsystematiek hoeft aan doorwerking ook niet in de weg te staan; artikel 27e van de AWR is een specifieke bepaling voor de beroepsfase die het beoordelingskader voor de rechter geeft voor het geval de vereiste aangifte niet is gedaan.

Een tweede argument heeft te maken met de achtergrond van de sanctie van de omkering van de bewijslast. Als uitgangspunt geldt dat de inspecteur een informatieachterstand heeft op de belastingplichtige waardoor de inspecteur in beginsel in bewijsnood kan verkeren: de belastingplichtige beschikt over de informatie die de inspecteur nodig heeft om de materiële belastingschuld vast te kunnen stellen en te formaliseren. Om tegemoet te komen aan deze informatie-asymmetrie heeft de wetgever voorzien in allerlei informatieverplichtingen voor (mogelijk) belastingplichtigen, zoals de verplichting de vereiste aangifte te doen (artikel 8 van de AWR), de algemene informatieplicht (artikel 47 van de AWR) en de administratieplicht (artikel 52 van de AWR). Om deze verplichtingen kracht bij te zetten, heeft de wetgever voorzien in (onder meer) de sanctie van omkering van de bewijslast indien niet aan een dergelijke verplichting wordt voldaan (waarbij soms de tussenstap van een informatiebeschikking als eis geldt voor de toepasselijkheid van de sanctie). Bij deze achtergrond zou het passen om de omkering van de bewijslast ook te laten doorwerken naar artikel 16, vierde lid, van de AWR. Immers, ook bij dat artikel gaat het om een kwestie (is sprake van ‘in het buitenland opgekomen inkomen’?) waarbij de inspecteur een informatieachterstand heeft op de belastingplichtige. Bovendien – in zoverre anders dan de meeste andere eisen van artikel 16 van de AWR die meer procedureel van aard zijn en ter zake waarvan de inspecteur de partij is die het gemakkelijkst bewijs kan leveren – is de kwestie of sprake is van in het buitenland opgekomen inkomen nauwverwant met ‘de inhoud’ ter zake waarvan belanghebbende het best in staat is bewijs te leveren.

Opmerking verdient dat voornoemde informatieachterstand weliswaar wellicht weg zou kunnen worden genomen indien de inspecteur op grond van artikel 47 van de AWR vragen stelt en een informatiebeschikking geeft, maar dat indien niet wordt voldaan aan de informatieverplichting, de sanctie van omkering van de bewijslast (na een informatiebeschikking) in zoverre niet effectief zou zijn indien zou gelden dat die sanctie niet zou doorwerken naar artikel 16, vierde lid, van de AWR.

4.8.

De rechtbank komt tot de conclusie dat voor beide standpunten argumenten zijn aan te voeren. Alles afwegende is de rechtbank niettemin van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn in de wettekst, wetsystematiek of wetsgeschiedenis dat de sanctie van omkering van de bewijslast een ruimere werking zou hebben dan die voor de bepaling van de materiële belastingschuld. Het voorgaande neemt niet weg dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, van een belanghebbende in het kader van zijn verweer dat er geen sprake is van een inkomensbestanddeel dat in het buitenland is opgekomen, meer mag worden verwacht dan een enkele blote betwisting. Afhankelijk van de omstandigheden zou van een belanghebbende mogen worden verwacht dat de betwisting voldoende nader wordt gemotiveerd en/of dat nadere gegevens worden verschaft (vgl. het leerstuk van de verzwaarde motiveringsplicht in het civiele procesrecht voor de situatie waarin de partij die geen bewijslast heeft, beschikt of zou moeten beschikken over cruciale gegevens die op het bewijsthema betrekking hebben (Asser Procesrecht/Asser 3 2013/307); vgl. voor een fiscale toepassing de inlichtingenplicht die op de heffingsambtenaar rust indien de opbrengstlimiet ter discussie wordt gesteld (HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, BNB 2014/148, rov. 3.3.2).

Toepassing op het voorliggende geval

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat, ook indien de vereiste aangifte niet zou zijn gedaan en de sanctie van omkering van de bewijslast van toepassing zou zijn op grond van artikel 27e van de AWR, op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat ter zake van de omzetcorrecties sprake is van in de jaren 2006 en 2008 door belanghebbende genoten inkomen dat in het buitenland is opgekomen.

De inspecteur heeft aangevoerd dat hij de verklaringen van belanghebbende dat de stortingen afgeroomde omzet betreffen van vóór 1 januari 2004 en belanghebbende de destijds in guldens afgeroomde omzet in kleine porties heeft omgewisseld in euro’s niet geloofwaardig acht. Ook verwijt de inspecteur belanghebbende dat hij het geld gestort heeft op buitenlandse bankrekeningen om dit op deze manier buiten het zicht van de fiscus te houden.

Belanghebbende heeft gesteld dat de in 2006 en 2008 gestorte bedragen niet afkomstig zijn uit omzet in die jaren, maar stammen uit een periode van tientallen jaren voor 2004. Volgens belanghebbende was het na 1 januari 2004 vanwege de geautomatiseerde administratie niet meer mogelijk om contante ontvangsten buiten de administratie te houden en betaalden voorts steeds meer klanten elektronisch. Belanghebbende wijst er verder op dat de contante omzet, waaronder de verzwegen omzet, door belanghebbende thuis in een kluis werd bewaard. De inspecteur heeft dus de mogelijkheid gehad om door middel van haar ten dienste staande controlemiddelen de afgeroomde omzet op te merken, aldus belanghebbende.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur, tegenover de voldoende gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Dit betekent dat de omzetcorrecties komen te vervallen.

4.11.

Partijen hebben ter zitting verklaard dat indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld dit leidt tot een vermindering van € 83.200, waarmee partijen, naar de rechtbank begrijpt, doelen op het in de navorderingsaanslag begrepen belastingbedrag en dat daarnaast het in de navorderingsaanslag begrepen rentebedrag dienovereenkomstig moet worden verminderd. De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

4.12.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, zoals ter zitting is besproken, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert het belastingbedrag van de navorderingsaanslag IB/PVV van € 222.382 tot € 139.182, en vermindert het rentebedrag van € 62.574 dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.482;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 3 november 2017 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. drs. M.H. van Schaik en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.C.A. de Kort, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.