Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6936

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
BRE 17/6696
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bijtende hond | artikel 172, derde lid, Gemeentewet | burgemeester bevoegd tot in beslagnemen en testen | voor vervolghandeling nieuw besluit nodig | voorziening afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/6696 GEMWT VV

uitspraak van 30 oktober 2017 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoekers], te [woonplaats verzoekers], verzoekers,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

en

de burgemeester van de gemeente Roosendaal, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

[naam belanghebbenden] , te [woonplaats belanghebbenden].

Procesverloop

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 september 2017 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake het in beslag nemen, laten testen en eventueel laten euthanaseren van hun hond. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 oktober 2017. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van de Crommenacker en wijkagent J.W.M. Peeters. Derde partij is verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 september 2017 heeft de hond van verzoekers – een Mechelse herder genaamd Ziva – de elfjarige zoon van derde partij tijdens het buitenspelen meerdere malen gebeten, die daarvoor behandeld is in het ziekenhuis. Op 12 september 2017 is aangifte gedaan van het bijtincident.

Op 14 september 2017 heeft de politie – nadat verzoekers niet bereid waren om vrijwillig afstand te doen – de hond in beslag genomen. Op 14 september 2017 heeft daarover ook telefonisch contact plaatsgevonden tussen verzoekers en een ambtenaar van de gemeente.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekers medegedeeld dat hij heeft besloten om op basis zijn bevoegdheid op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet Ziva in beslag te nemen, te laten testen en eventueel te laten euthanaseren.

Op 18 september 2017 heeft een dierenarts in opdracht van de burgemeester Ziva onderzocht en geconcludeerd dat de hond normaal verzorgd is.

Op 4 oktober 2017 hebben verzoekers bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij brief van 10 oktober 2017 heeft de burgemeester de rechtbank geïnformeerd in afwachting van de beslissing op bezwaar geen uitvoering te zullen geven aan het besluit met betrekking tot de euthanasie van de hond Ziva.

Op 11 oktober 2017 heeft het Assessmentteam van de Universiteit Utrecht gerapporteerd over de resultaten van tests waaraan het Assessmentteam Ziva heeft onderworpen. Het Assessmentteam heeft gerapporteerd dat gelet op het onverantwoord gedrag van de eigenaar Ziva niet naar de eigenaar kan terugkeren. Aanbevolen wordt om te proberen Ziva – onder bepaalde voorwaarden – te herplaatsen als werkhond bij een nieuwe eigenaar. En voorts, dat – indien dit niet binnen een bepaald tijdsbestek is te bewerkstelligen – de hond geëuthanaseerd dient te worden.

2. Verzoekers hebben, samengevat, aangevoerd dat de burgemeester niet bevoegd was hun hond in beslag te nemen, te laten testen en vervolgens op basis van de resultaten van die tests maatregelen te nemen. Er is geen feitelijke grondslag waaruit blijkt dat Ziva een gevaar voor de openbare orde is. Ook het assessmentteam baseert zich zondermeer op het proces-verbaal, maar dit is enkel het verhaal van het slachtoffertje. Het voorval kent geen (onafhankelijke) getuigen.

Subsidiair voeren verzoekers aan dat het bestreden besluit niet beantwoord aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten een afdoende feitelijke onderbouwing en een behoorlijke belangenafweging. Verzoekers betwisten dat zij het jongetje in hulpeloze toestand hebben achtergelaten, althans niet opzettelijk. In dit geval had ook kunnen worden volstaan met het opleggen van – een aanmerkelijk minder ingrijpend – muilkorf- en kort-aanlijngebod.

De burgemeester mag – als hij al bevoegd was om het testen van Ziva te bevelen – naar de mening van verzoekers zich niet baseren op de rapportage van het assessmentteam nu daaraan kennelijke gebreken kleven. Er is geen contact met hen opgenomen terwijl in het rapport is opgemerkt dat het verkrijgen van informatie over de risico’s in de leefomgeving van de hond worden verkregen via een gesprek met de baas.

Tot slot overleggen verzoekers een verklaring van mevrouw [naam hondentrainer], waardoor zij zich gesteund zien in de terugplaatsing van Ziva bij het gezin. Ook hebben zij een verklaring en patiëntinformatie van hun eigen dierenarts [naam dierenarts] overgelegd.

Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar en te bepalen dat Ziva direct na de uitspraak wordt geretourneerd aan verzoekers.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoekers hebben aangevoerd dat hun spoedeisend belang is gelegen in het feit dat zij niet weten waar hun hond op dit moment verblijft en zij willen dat Ziva zo snel mogelijk weer naar huis komt. Ter zitting heeft de burgemeester aangegeven het spoedeisend belang niet te betwisten. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hier anders over te denken.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4. Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Ingevolge het derde lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Artikel 2:59 van de APV bepaalt:

  1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

a. […..]

5. Tussen partijen is niet in geschil dat Ziva op 11 september 2017 een elfjarige jongen tijdens het buitenspelen heeft gebeten met letsel als gevolg. Verzoekers hebben aangevoerd dat dit enkele bijtincident niet maakt dat burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd is om Ziva in beslag te nemen, te laten testen en eventueel te laten euthanaseren. In dit geval had kunnen worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel, te weten een muilkorf- en aanlijngebod op grond van de APV.

5.1

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan de burgemeester met toepassing van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een hond in beslag nemen en te laten testen indien de hond –kort gezegd- een concreet en actueel gevaar vormt voor de openbare orde.

5.2

De vraag die nu ter beantwoording aan de voorzieningenrechter voorligt is of het bijtincident waarbij Ziva betrokken was, zorgde voor een concreet en actueel gevaar voor de openbare orde. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat Ziva los liep op een plek waar weliswaar vaker honden loslopen, maar waar dit niet is toegestaan en het een parkachtige omgeving betreft waar kinderen spelen. Ziva heeft de jongen vervolgens – zo blijkt ook uit de foto’s bij het proces-verbaal van aangifte – meerdere malen gebeten met dusdanig letsel als gevolg dat de jongen hiervoor medisch behandeld moest worden. De burgemeester heeft verder aannemelijk gemaakt dat de gestelde verstoring van de openbare orde niet enkel is gelegen in het bijtincident op 11 september 2017, maar ook in de ernstige onrust die daardoor is ontstaan in de woonomgeving van verzoekers. Bij het bijtincident waren twee andere kinderen betrokken die hiervan getuigen waren en daarna was onduidelijk welke hond en welke eigenaar bij het incident betrokken waren. Gelet hierop heeft de burgemeester zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een concreet en actueel gevaar voor de openbare orde en heeft hij gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet voor het in beslag nemen van Ziva. Weliswaar biedt de APV aan het college van burgemeester en wethouders een grondslag voor een minder verstrekkende maatregel (muilkorf- en kortaanlijngebod), maar gezien de ernst van het letsel en de omstandigheden dat de Ziva los liep in een gebied waar ook kinderen spelen en verzoeker blijkbaar niet heeft waargenomen dat de jongen ernstig verwond was, maken dat de burgemeester die maatregel niet toereikend heeft mogen achten.

5.3

In het verlengde hiervan was de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook bevoegd om het laten testen van Ziva te bevelen. Alleen door middel van die tests kan de burgemeester antwoord krijgen op de vraag of Ziva al dan niet een gevaarlijke hond is.

5.4

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ligt dit anders voor een eventuele beslissing om Ziva te laten euthanaseren.

Gelet op het tijdsverloop tussen het bijtincident en de uitslag van de tests en in aanmerking genomen de aanbeveling om te proberen Ziva – onder bepaalde voorwaarden – te herplaatsen als werkhond bij een nieuwe eigenaar, kan niet meer worden gesproken over een actueel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Bij een beslissing over het al dan niet euthanaseren van een in beslag genomen hond zal de burgemeester de testresultaten dienen te betrekken en zal hij ook moeten kijken of – gelet op die resultaten en de betrokken belangen – eventueel minder ingrijpende maatregelen dan euthanasie mogelijk zijn.

5.5

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester bij zijn beslissing op bezwaar en ook bij een vervolgbeslissing over de toekomst van Ziva het bovenstaande zal moeten betrekken.

Nu de burgemeester heeft aangegeven te wachten met een eventuele beslissing over euthanaseren totdat hij beslist heeft op de bezwaren van verzoekers, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit.

6. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester een besluit zal moeten gaan nemen over de toekomst van Ziva hetgeen, gelet op de aanbevelingen van het Assessmentteam, alleen mogelijk is in overleg met verzoekers. Voor herplaatsing van Ziva bij een nieuwe eigenaar zullen verzoekers immers het eigendom van Ziva moeten overdragen.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A. Lemaire, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.