Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:689

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
C/02/320518 / HA ZA 16-650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beroepsfout makelaar bij bemiddeling bij het tot stand brengen huurovereenkomst. Schending onderzoeks-, informatie-, en waarschuwingsplicht door makelaar. Aansprakelijkheid makelaar voor schade verhuurder ten gevolge van de door de huurder opgezette hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/730

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/320518 / HA ZA 16-650

Vonnis van 8 februari 2017

in de zaak van

de vennootschap onder firma CENO BRANDBEVEILIGING V.O.F.,

gevestigd te Zevenbergen,

eiseres,

advocaat: mr. P.E. Butterman LLM. te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te Zevenbergen,

gedaagde,

advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Ceno en [Naam C] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 november 2016 met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de bij brieven van 23 december 2016 en 4 januari 2017 van de zijde van Ceno in het geding gebrachte producties, respectievelijk genummerd 10 en 11 t/m 13,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 10 januari 2017,

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Ceno vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [Naam C] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens haar tekort geschoten is in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst van 8 oktober 2013;

II. [Naam C] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Ceno te betalen:

a) een voorschot ter zake de geoffreerde herstelkosten van € 24.262,80;

b) een bedrag ter zake de kosten aan Enexis ad € 7.789,33, nog te vermeerderen met de nog in rekening te brengen kosten van (her)aansluiting, zo nodig nader te vorderen bij schadestaat;

c) een bedrag ad € 1.512,50 ter zake bemiddelingsfee;

d) een bedrag ter zake kosten van containerhuur ad € 998,25;

e) een bedrag ter zake kosten van opruimen/gederfde omzet ad € 3.600,--;

f) een bedrag ad € 3.910,50 ter zake gemiste huurpenningen van 1-1-2016 t/m

30-6-2016;

g) een bedrag van € 1.650,-- voor iedere maand vanaf 30 juni 2016 dat [Naam C] in gebreke blijft een bedrag ter grootte van de geoffreerde herstelkosten (onder II a) aan Ceno te vergoeden, of - indien dat moment eerder zal zijn gelegen - voor iedere maand vanaf 30 juni 2016 totdat Ceno haar bedrijfspand aan de [adres a] te Zevenbergen heeft laten herstellen, in het eerste geval nog te vermeerderen met
1 maand à € 1.650,-- in verband met de onverhuurbaarheid tijdens de uitvoering van de herstelwerkzaamheden.

h) een bedrag aan schadevergoeding nader te vorderen en vast te stellen bij staat, voor zover nog niet in een veroordeling mee is genomen voortvloeiend uit de vorderingen als ingesteld onder II a) t/m g);

i) buitengerechtelijke kosten ad € 1.050,71 ex artikel 6:96 BW;

j) de wettelijke rente over de onder II a) t/m i) genoemde bedragen vanaf 23 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

k) voor het geval voldoening aan dit vonnis niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis geschiedt, de nakosten van dit geding te betalen op grond van artikel 237 lid 4 Rv;

een en ander:

III. met veroordeling van [Naam C] in de kosten van het geding.

2.2.

[Naam C] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

De volgende feiten staan in rechte vast:

a. Ceno heeft in eigendom een onroerende zaak gelegen aan de [adres a] te Zevenbergen, kadastraal bekend gemeente Zevenbergen, [kadastrale gegevens] . Ceno houdt kantoor in het hiernaast gelegen pand aan de [adres b] te Zevenbergen. De heer [Naam vennoot] (hierna: [Naam vennoot] ) is vennoot van Ceno.

b. [Naam C] exploiteert een makelaarskantoor te Zevenbergen en is lid van de Nederlandse Vereniging van Makelaars in onroerende goederen en Vastgoeddeskundigen NVM (hierna: NVM). De heer [Naam medewerker] (hierna: [Naam medewerker] ) is werkzaam als makelaar bij [Naam C] .

c. Op 8 oktober 2013 heeft Ceno aan [Naam C] een opdracht tot dienstverlening voor bemiddeling bij verhuur verstrekt, uit hoofde waarvan Ceno aan [Naam C] heeft opgedragen te bemiddelen bij de verhuur van de aan Ceno in eigendom toebehorende onroerende zaak gelegen aan de [adres a] te Zevenbergen. Ter zake voormeld pand zijn na voormelde datum tot 1 juni 2015 enkele tijdelijke huurcontracten afgesloten.

d. In de loop van 2015 heeft de heer [Naam A] (hierna: [Naam A] ) zich bij [Naam vennoot] gemeld als geïnteresseerde voor huur van het bewuste pand. [Naam vennoot] heeft [Naam A] hiervoor doorverwezen naar [Naam C] .

e. Op 11 mei 2015 heeft [Naam C] een e-mailbericht ontvangen, afkomstig van het e-mailadres van de heer [Naam B] onder de bedrijfsnaam ‘ [Bedrijfsnaam] ” met als onderwerp “huurovereenkomst” en afgesloten met de naam “ [Naam A] ”. In voormeld bericht staat onder meer het navolgende:

“(…)

In vervolg op mijn gesprek, en bezichtiging met dhr [Naam vennoot] ’ van hun huur object aan de [adres a] te Zevenbergen, vragen ondergetekende en dhr [Naam vennoot] (...) voor ons een huurcontract op te stellen.

Het pand zal dienen als opslag voor sanitair en bad meubels. (...)

In goed overleg met dhr [Naam vennoot] is besloten onder de volgende voorwaarden een

contract aan te gaan;

Contract voor de duur van 1 jaar met ingang van 18 mei 2015. Optie op nog twee

jaar.

Huurbedrag 1650 euro excl. per maand

Drie maanden borg vooruit

Gas / water / licht / voor eigen rekening

Twee sets sleutels.

(...)

Vanaf donderdag a. s. zal ondergetekende voor een periode van 7 dagen voor

werkzaamheden in het buitenland afwezig zijn. Graag verzoek ik u daarom zeer

beleefd en op verzoek van dhr [Naam vennoot] om deze overeenkomst voor donderdag 14

mei in drievoud op te stellen en bij de firma Ceno te Zevenbergen af te leveren.

Wij hopen u zo voldoende geïnformeerd te hebben.

In afwachting van uw reactie verblijven wij

Met vriendelijke groet,

[Naam A]

Geb [Geboortedatum]

[Adresgegevens] .

Nr rijbewijs [Nummer rijbewijs]

Email [E-mailadres]

Tel

[Telefoonnummer] (...)”

[Naam medewerker] heeft hierover vervolgens telefonisch contact opgenomen met [Naam vennoot] .

f. Op 13 mei 2015 heeft [Naam medewerker] een e-mailbericht gestuurd naar het e-mailadres van het hiervoor weergegeven bedrijf “ [Bedrijfsnaam] ” en zich hierbij gericht tot de heer [Naam A] . In het e-mailbericht staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

“(…)

Ik had nog enkele vragen aan u voor het huurcontract, maar uw telefoonnummer onderaan klopt niet. Wilt u mij bellen of uw nummer doormailen.(…)”

g. Hierop wordt op dezelfde dag geantwoord vanaf het e-mailadres van de heer
[Naam B] onder de bedrijfsnaam ‘ [Bedrijfsnaam] ” en afgesloten met de naam [Naam A] . Hierin staat onder meer het navolgende:

“(…)

Ik zit hier in een bouwput te [Plaatsnaam] vandaar het zeer slechte telefonisch bereik.

Wij zullen inderdaad bij [Naam C] zorg dragen voor de ontbrekende stukken

(kvk, Btw nr en Id kopie).

Het complete document zal dhr. [Naam C] wederom aan u overhandigen.

(...)

[Naam A] .

Tel [Telefoonnummer 2]

[Naam medewerker] heeft vervolgens een huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW opgesteld met daarin Ceno als verhuurder vermeld en de eenmanszaak [Bedrijfsnaam] als huurder, voor de duur van 1 jaar, ingaande op 10 mei 2015 en lopende tot en met 17mei 2016 tegen een huurprijs van € 19.800,-- per jaar. [Naam medewerker] heeft voor de benodigde gegevens van de huurder, zijnde informatie uit het handelsregister en het BTW-nummer, in de huurovereenkomst ruimte opengelaten op een stippellijn. In de huurovereenkomst is verder opgenomen dat de kosten voor levering van elektra, gas en water voor rekening van de huurder komen. Voorts is in artikel 7.1. opgenomen dat Ceno als beheerder optreedt en in artikel 8.4 dat het bedrijfspand maandelijks door Ceno mocht worden geïnspecteerd. In laatstgenoemd artikel is tevens opgenomen dat het plegen van een strafbaar feit, zoals het kweken van wiet in het gehuurde, de verhuurder het recht geeft om de overeenkomst per ommegaande te ontbinden. [Naam medewerker] heeft de huurovereenkomst ter ondertekening bij Ceno op kantoor afgegeven.

i. De ondertekening van de huurovereenkomst heeft op 22 mei 2015 op het kantoor van Ceno plaatsgevonden, buiten aanwezigheid van [Naam C] . In de huurovereenkomst zijn de door [Naam medewerker] ingevulde data doorgestreept en is handmatig als ingangsdatum van de huurovereenkomst 1 juni 2015 en als einddatum 30 juni 2016 ingevuld. Verder is op de stippellijn handgeschreven een KvK-nummer en een BTW nummer ingevuld.

j. Voor haar diensten heeft [Naam C] een factuur gestuurd aan Ceno van
€ 1.512,50, welke factuur door Ceno is voldaan.

k. Het bewuste pand is door de huurder op 1 juni 2015 in gebruik genomen. De heer [Naam vennoot] is vanaf voormelde datum tot december 2015 ongeveer vier keer in het pand geweest.

l. Op 12 januari 2016 is - na een inval door de politie - gebleken dat de huurder in

het gehuurde een hennepplantage exploiteerde. De hennepplantage is door de politie ontmanteld.

m. Bij brief van 31 januari 2016 is [Naam C] door Ceno aansprakelijk

gesteld. [Naam C] heeft die aansprakelijkheid, ook na sommatie d.d. 9 juni 2016

door de rechtsbijstandsverzekeraar van Ceno, betwist.

3.2.

Ceno legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [Naam C] als professioneel makelaar, verantwoordelijk voor de totstandkoming van de huurovereenkomst, uit hoofde van de met Ceno gesloten overeenkomst van bemiddeling, toerekenbaar tekort is geschoten.

Ceno verwijt Ceno [Naam C] bij het opstellen van de huurovereenkomst niet het handelsregister te hebben geraadpleegd. Ceno betoogt dat [Naam C] bij de verificatie van de door de huurder aangeleverde gegevens al had kunnen constateren dat één en ander niet juist was en had Ceno hiervoor kunnen en dienen te waarschuwen. Door dit na te laten heeft [Naam C] het risico bewerkstelligd dat Ceno een huurovereenkomst is aangegaan met een partij die daarbij verkeerde bedoelingen kan hebben, zoals in casu ook is gebleken, aldus Ceno.

3.3.

[Naam C] betwist dat zij haar zorgplicht jegens Ceno heeft geschonden. In dit verband voert [Naam C] aan dat zij zijdelings bij de verhuur van het bewuste pand is betrokken. [Naam C] betoogt dat Ceno op het moment van afgifte van de door [Naam C] opgestelde huurovereenkomst wist dat het handelsregister niet was geraadpleegd. Omdat de handelsregistergegevens en het BTW nummer van de huurder op het moment van het opstellen van de huurovereenkomst nog niet bekend waren, heeft [Naam medewerker] aan [Naam vennoot] gevraagd of Ceno een screening van de heer [Naam A] wenste, waarvan [Naam vennoot] uit kostenoverwegingen heeft afgezien, aldus steeds [Naam C] .

Verder voert [Naam C] aan dat Ceno bij de ondertekening van de huurovereenkomst, in weerwil van het advies van [Naam C] , genoegen heeft genomen met een kopie van het identiteitsbewijs van [Naam A] . [Naam C] beroept zich verder op eigen schuld aan de zijde van Ceno. [Naam C] betwist ten slotte de omvang en hoogte van de door Ceno gevorderde schade.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen sprake is van een bemiddelings-overeenkomst waarbij [Naam C] als makelaar in opdracht van Ceno bemiddelde bij de verhuur van het bewuste pand. Uit artikel 7:425 BW volgt dat de bemiddelingsovereen-komst de overeenkomst van opdracht betreft waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt tegen loon als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. Verder geldt dat de bemiddelingsovereenkomst een bijzondere overeenkomst van opdracht betreft zodat de wettelijke bepalingen over de overeenkomst van opdracht (artikelen 7:400-413 BW) van overeenkomstige toepassing zijn op de bemiddelingsovereenkomst. Gelet op de door Ceno gestelde toerekenbare tekortkoming
(art. 6:74 BW) van [Naam C] betekent dit dat beoordeeld dient te worden of [Naam C] ingevolge het bepaalde in artikel 7:401 BW bij de uitvoering van haar werkzaamheden ten behoeve van Ceno de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen. Uit voormelde bepaling volgt onder meer dat [Naam C] als opdrachtnemer in beginsel zelfstandig diende te beoordelen welke werkzaamheden dienstig waren met het oog op een zorgvuldige uitvoering van de opdracht, waarbij [Naam C] zich niet diende te beperken tot de werkzaamheden die haar uitdrukkelijk zijn opgedragen. Hierbij diende zij uit te gaan van haar eigen deskundigheid en ervaring, waarbij [Naam C] als opdrachtnemer Ceno als opdrachtgever niet onnodig aan risico’s mocht blootstellen. Aldus heeft de rechtbank te beoordelen of [Naam C] heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval (vgl. HR 9 juni 2000, NJ 2000, 460). Uitgaande van de concrete omstandigheden van het onderhavige geval oordeelt de rechtbank dat [Naam C] jegens Ceno tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

3.4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank behoort tot de zorgplicht van een makelaar die bemiddelt bij de verhuur van een pand dat hij zonder meer rekening dient te houden met de mogelijkheid dat het gehuurde wordt misbruikt voor de vestiging van een hennepkwekerij; dit geldt in het bijzonder in een situatie als hier waarin de gebruiksbestemming een
bedrijfs-/opslagruimte is. Gelet hierop dient de makelaar zijn opdrachtgever over de mogelijke risico’s te informeren omdat het bij verhuur bemiddelende makelaars bekend behoort te zijn dat het gebruik van het verhuurde als hennepkwekerij veelal leidt tot veiligheidsrisico’s in verband met de (vaak illegaal afgetapte) elektriciteit en aanzienlijke bouwkundige schade aan het gehuurde. Van belang hierbij is voorts dat de verhuurder van een tot hennepkwekerij ingerichte ruimte na beëindiging van de huur door het energiebedrijf aansprakelijk kan worden gehouden voor illegaal afgetapte elektriciteit indien de overeenkomst met het energiebedrijf op naam van de verhuurder is blijven staan, zodat de verhuurder voor een aanzienlijk bedrag door het elektriciteitsbedrijf kan worden aangesproken. Dit behoort aldus tot de wetenschap van een makelaar, welke wetenschap in het onderhavige geval bij [Naam C] aanwezig wordt geacht gezien het feit dat in het door haar opgestelde huurovereenkomst in artikel 8.4 is opgenomen dat het plegen van een strafbaar feit, zoals het kweken van wiet in het gehuurde, de verhuurder het recht geeft om de overeenkomst per ommegaande te ontbinden. Gezien het vorenstaande diende [Naam C] als bemiddelaar vóór de totstandkoming van de bewuste huurovereenkomst gedegen onderzoek te doen naar de (potentiële) huurder door een adequate controle te verrichten naar de (identiteits- en bedrijfs-)gegevens van de potentiële huurder.

3.4.2.

Vast staat dat [Naam C] bij e-mailbericht van 11 mei 2015 is benaderd door de potentiële huurder met de mededeling dat hij afspraken met Ceno heeft gemaakt over de verhuur van het bewuste pand en waarbij aan [Naam C] wordt verzocht om de in het
e-mailbericht vermelde vermeende met Ceno gemaakte afspraken vast te leggen in een huurovereenkomst. Niet is komen vast te staan dat Ceno op de hoogte is gebracht van de inhoud van het e-mailbericht. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van [Naam C] om het bewuste e-mailbericht door te zenden aan haar opdrachtgever Ceno ter verificatie van de vermeende gemaakte afspraken alvorens een huurovereenkomst op te stellen waarin de bewuste afspraken zijn opgenomen. Dat [Naam C] stelt dat hij de inhoud van voormeld bericht telefonisch met Ceno heeft doorgenomen, hetgeen Ceno heeft betwist, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende. Dit klemt te meer nu voormelde gehanteerde werkwijze afweek van de tussen partijen gemaakte afspraken waarbij juist beoogd was dat middels bemiddeling door [Naam C] een huurovereenkomst met een potentiële huurder tot stand zou komen. In het onderhavige geval bestond voor [Naam C] des te meer aanleiding om hierover met Ceno in contact te treden omdat [Naam C] niet beschikte over alle gegevens van de kandidaat huurder voor het opstellen van de huurovereenkomst, reden dat [Naam C] bij e-mailbericht van 13 mei 2015 contact heeft opgenomen met de kandidaat huurder. In het betreffende bericht van [Naam C] staat dat het door de kandidaat huurder per e-mailbericht van 11 mei 2015 opgegeven telefoonnummer niet bleek te kloppen. Hierop heeft de kandidaat huurder per e-mailbericht geantwoord dat hij zal zorgdragen dat de ontbrekende stukken bij [Naam C] terechtkomen - kennelijk bedoeld is de heer [Naam vennoot] van Ceno - terwijl vast staat dat deze gegevens niet zijn ontvangen. Ter comparitiezitting is van de zijde van [Naam C] immers verklaard dat de gevraagde ontbrekende gegevens niet zijn ontvangen en dat zij niettemin is overgegaan tot het opstellen van de huurovereenkomst omdat voortvarendheid geboden zou zijn. De rechtbank is verder van oordeel dat de inhoud van het e-mailbericht van de kandidaat huurder bij [Naam C] vragen had kunnen oproepen nu deze verzonden is van het adres van de heer [Naam B] van de firma “ [Bedrijfsnaam] ” terwijl als afzender de heer [Naam A] staat vermeld. Op basis van voormelde feiten en omstandigheden had bij [Naam C] ten minste twijfel en alertheid moeten ontstaan omtrent de betrouwbaarheid van de kandidaat huurder. Hoewel Ceno desgevraagd ter comparitiezitting heeft bevestigd dat [Naam C] haar telefonisch heeft medegedeeld dat een aantal gegevens van de kandidaat huurder ontbraken en aan Ceno heeft gevraagd om hiervoor zorg te dragen, is gesteld noch gebleken dat [Naam C] Ceno hierbij heeft gewezen op de door haar te lopen risico’s noch dat zij haar heeft geïnformeerd waarop zij diende te letten op het moment dat de benodigde gegevens door de kandidaat huurder aan Ceno zouden worden verstrekt. Aan dit oordeel doet niet af dat [Naam C] ter comparitiezitting heeft verklaard dat zij haar cliënten instrueert over zaken waarop gelet dient te worden bij het ondertekenen van een huurovereenkomst indien [Naam C] niet bij de ondertekening aanwezig is, nu geenszins is geconcretiseerd of en zo ja op welke wijze dat in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden. De enkele aanwijzing van [Naam C] jegens Ceno dat een kopie van een identiteitsbewijs van de kandidaat huurder niet genoeg is, acht de rechtbank onvoldoende in het kader van de op [Naam C] rustende zorgplicht. Uit het vorenstaande volgt dat het zonder onderzoek en verificatie verwerken van vermeende afspraken en gegevens in een huurovereenkomst terwijl evenmin bekendheid bestaat over de identiteit van de kandidaat huurder en vanwege vermeende spoedeisendheid hiermee genoegen nemen, strookt geenszins met hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend makelaar mag worden verwacht. Te minder niet nu [Naam C] middels relatief eenvoudig (bijvoorbeeld via internet) onderzoek had kunnen achterhalen dat het door de kandidaat huurder opgegeven adres te Gouda niet bestond.

3.4.3.

[Naam C] stelt in het onderhavige geval met Ceno te hebben afgesproken dat zij geen screening van de kandidaat huurder behoefde te verrichten. Dit is weersproken door Ceno, terwijl [Naam C] hiertegenover geen onderbouwing van haar stellingname heeft gegeven, zodat deze wordt gepasseerd. Wat hier ook van zij, de stellingname van [Naam C] impliceert dat met Ceno van de tussen partijen gesloten bemiddelings-overeenkomst afwijkende afspraken zijn gemaakt. Indien hiervan uitgegaan dient te worden, is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [Naam C] als professioneel en deskundige makelaar lag om Ceno te waarschuwen voor de gevolgen van deze afwijkende afspraken en de daarbij behorende risico’s, zoals deze hiervoor zijn geschetst en tot de wetenschap van [Naam C] worden verondersteld. Op deze wijze had Ceno goed geïnformeerd een overwogen en beredeneerde keuze kunnen maken of zij de kandidaat huurder al dan niet als huurder had willen accepteren.

3.4.4.

Voorts staat vast dat nadat de kandidaat huurder bij Ceno ter gelegenheid van de ondertekening van de huurovereenkomst een aantal gegevens hierin heeft ingevuld Ceno een exemplaar hiervan aan [Naam C] heeft doen toekomen. Gesteld noch gebleken is dat [Naam C] nà ontvangst van de ingevulde huurovereenkomst recherche heeft gepleegd naar de door de kandidaat huurder ingevulde gegevens. Voormelde handelwijze leidt tot het oordeel dat [Naam C] niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. De rechtbank acht voorts van belang dat op basis van de door [Naam C] opgestelde huurovereenkomst tussen Ceno en de huurder is afgesproken dat de contracten voor levering van gas, water en licht op naam van Ceno zijn blijven staan, waardoor Ceno als aansprakelijke zou gelden indien een hennepkwekerij in het gehuurde zou blijken te zijn gevestigd, hetgeen tot schade bij Ceno zou kunnen leiden. Gesteld noch gebleken is dat Ceno hierover door [Naam C] is geïnformeerd, hetgeen niet strookt met hetgeen van een zorgvuldig handelend makelaar mag worden verwacht. De op [Naam C] rustende informatie- en waarschuwingsplicht strekt immers ter voorkoming van verwezenlijking van risico’s waarvoor een makelaar in beginsel zijn opdrachtgever dient te behoeden. Deze risico’s hebben zich hier verwezenlijkt, hetgeen een beroepsfout van [Naam C] oplevert. Aldus is [Naam C] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de verplichtingen die voor voortvloeiden uit de met Ceno gesloten overeenkomst van bemiddeling.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende causaal verband bestaat tussen de beroepsfout van [Naam C] en de door Ceno gevorderde schade. Gelet op de stellingname van Ceno neemt de rechtbank als vast staand aan dat indien [Naam C] haar zorgplicht jegens Ceno in acht had genomen, Ceno de bewuste huurder redelijkerwijs niet als huurder zou hebben geaccepteerd, zodat de vestiging van een hennepplantage in het gehuurde - met de hierna te behandelen schadeposten - achterwege zou zijn gebleven.

3.6.

De door [Naam C] gestelde eigen schuld aan de zijde van Ceno wordt eveneens verworpen. De stellingen van [Naam C] omtrent het niet naleven door Ceno van de op haar rustende beheerstaken zijn gemotiveerd weersproken door laatstgenoemde. Ceno heeft ter comparitiezitting immers onbestreden verklaard dat zij vanaf de aanvang van de huurovereenkomst in juni 2015 tot december 2015 ongeveer vier keer in het gehuurde is geweest en dat alles in het gehuurde er goed uit zag. Daarnaast heeft Ceno eveneens onweersproken verklaard dat zij in de aanloop naar december 2015 steeds minder toegang kreeg tot het gehuurde en dat meterstanden haar werden onthouden en dat deze door de huurder zelf werden opgetekend en afgegeven bij Ceno, alsmede dat het pand in december 2015 aan de binnenzijde vochtig was. Voorts heeft Ceno eveneens niet weersproken aangevoerd dat zij op basis van voormelde feiten en omstandigheden argwaan kreeg en het vermoeden had dat een hennepkwekerij in het pand was gevestigd, hetgeen zij in december 2015 bij de politie heeft gemeld. In het licht van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat het door [Naam C] aan Ceno tegengeworpen eigen schuld-verweer niet opgaat.

3.7.

Ceno heeft onbestreden verklaard dat de huurder onvindbaar is, zodat zij de door haar geleden schade niet op de huurder kan verhalen. De door Ceno gevorderde schadeposten worden hierna puntsgewijs besproken.

3.8.1.

Ceno vordert een bedrag van € 24.262,80 voor herstelkosten aan het pand. Hiertegen verweert [Naam C] zich door aan te voeren dat geen sprake is van geleden verlies of gederfde winst, alsmede dat de gestelde schade niet is onderbouwd. Volgens [Naam C] ligt het op de weg van Ceno om bijvoorbeeld middels foto’s inzichtelijk te maken wat de staat van het bedrijfspand was voorafgaande aan de huur en ná de ontdekking van de hennepplantage. Verder voert [Naam C] aan dat alleen werkelijke schade aan het bedrijfspand voor vergoeding in aanmerking komt waarbij een aftrek ‘nieuw voor oud’ dient te plaats te vinden.

3.8.2.

Ter onderbouwing van voormelde schadepost heeft Ceno een offerte van Pellis aannemingsbedrijf (prod. 8 bij dagvaarding) in het geding gebracht waarin diverse werkzaamheden en de daarbij behorende kosten staan vermeld. De hierin beschreven werkzaamheden zijn niet gemotiveerd betwist door [Naam C] . Gelet op de stellingname van partijen stelt de rechtbank vast dat niet betwist wordt dat herstelwerkzaamheden aan het bewuste pand dienen plaats te vinden. Teneinde te kunnen beoordelen welke herstelwerk-zaamheden noodzakelijk zijn en welke kosten hiermee zijn, zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de rol voor een conclusie na tussenvonnis. Hierbij merkt de rechtbank op dat als uitgangspunt geldt de feitelijke staat van het pand per 8 oktober 2013 omdat partijen op die datum een overeenkomst van opdracht zijn aangegaan en aldus bekend worden verondersteld met de feitelijke staat van het pand. Gesteld noch gebleken is dat de feitelijke staat van het pand per ingangsdatum - zijnde 1 juni 2015 - van de huurovereenkomst met de huurder [Bedrijfsnaam] verschilde met die van 8 oktober 2013 zodat uitgegaan wordt van een ongewijzigde feitelijke staat van het pand ten opzichte van 8 oktober 2013. In de conclusie na tussenvonnis dient gespecificeerd uiteengezet te worden welke vernielingen de huurder aan het pand heeft verricht, welke herstelwerkzaamheden ten gevolge hiervan noodzakelijk zijn én wat de hoogte is van de hiermee gemoeide herstelkosten. Aldus zal worden beslist als hierna verwoord in het dictum.

3.9.

Ceno vordert betaling van een bedrag van € 7.789,33 als door haar aan Enexis te betalen kosten. [Naam C] heeft niet bestreden dat Enexis voormelde kosten op Ceno verhaalt, doch werpt Ceno eigen schuld tegen, welk verweer de rechtbank hiervoor heeft verworpen. De hoogte van voormelde post staat echter niet vast nu Ceno ter comparitiezitting heeft verklaard dat zij over deze kosten met Enexis in debat is. Gelet hierop zal de rechtbank de zaak op dit punt eveneens naar de rol verwijzen voor een conclusie na tussenvonnis teneinde Ceno in de gelegenheid te stellen om de hoogte van deze kosten nader toe te lichten.

3.10.

De door Ceno gevorderde terugbetaling van de door haar aan [Naam C] betaalde bemiddelingsfee van € 1.512,50 wordt afgewezen nu zij haar stellingname op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Bovendien wordt als vast staand aangenomen dat [Naam C] werkzaamheden ten behoeve van Ceno uit hoofde van de bemiddelings-overeenkomst heeft verricht, zoals het opstellen van de huurovereenkomst, zodat zij dan ook recht op betaling heeft van de door haar verrichte werkzaamheden. Voor zover Ceno meent dat de door [Naam C] gemaakte beroepsfout ertoe zou leiden dat [Naam C] geen recht op betaling heeft voor de door haar verrichte diensten, had zij dit gemotiveerd dienen aan te voeren.

3.11.

De door Ceno gevorderde kosten ad € 998,25 voor containerverhuur zijn onvoldoende gemotiveerd betwist door [Naam C] en reeds hierom toewijsbaar.

3.12.

Ceno vordert verder betaling van een bedrag van € 3.600,-- als opruimkosten en gederfde omzet. Ceno stelt dat de heer [Naam vennoot] na het oprollen van de hennepkwekerij de zaken die de politie niet in beslag heeft genomen uit het pand heeft moeten verwijderen. Ceno stelt dat de bewuste opruimwerkzaamheden circa 80 uur van de heer [Naam vennoot] in beslag hebben genomen, waardoor hij als vennoot van Ceno geen werkzaamheden ten behoeve van Ceno heeft kunnen verrichten. [Naam C] heeft deze stellingname gemotiveerd betwist terwijl Ceno hiertegenover geen specificatie heeft gegeven van de door beweerde door [Naam vennoot] verrichte werkzaamheden en de hiermee gestelde gemoeide uren. De enkele toelichting gegeven ter comparitiezitting dat in het bewuste pand een plafond is aangebracht, alsmede dat een toilet is aangeschaft, acht de rechtbank hiertoe niet voldoende. Deze post wordt dan ook afgewezen.

3.13.

De door Ceno gevorderde kosten ad € 3.910,50 ter zake gemiste huurpenningen voor de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016, alsmede een bedrag van € 1.650,-- per maand voor iedere maand vanaf 30 juni 2016 dienen te worden afgewezen. In het licht van de gemotiveerde betwisting op dit punt door [Naam C] is de rechtbank van oordeel dat Ceno geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat indien het pand niet door de bewuste huurder [Bedrijfsnaam] / [Naam A] zou zijn gehuurd een andere huurder onder dezelfde condities een huurovereenkomst met Ceno zou zijn aangegaan. Dit te meer gelet op de onweersproken gelaten stelling van [Naam C] dat vanaf 8 oktober 2013 vier bezichtigingen van het pand hebben plaatsgevonden zonder dat hieruit een huurovereenkomst is voortgekomen, alsmede de omstandigheid dat in de periode 2013-2015 enkele tijdelijke huurcontracten en na de ontruiming van de hennepkwekerij slechts één tijdelijk huurcontract ter zake het pand is afgesloten. Bij deze stand van zaken lag het op de weg van Ceno om gemotiveerd te stellen waarom zij niettemin aanspraak kan maken op gederfde huurinkomsten.

3.14.

De vordering strekkende tot verwijzing naar de schadestaat dient eveneens te worden afgewezen nu Ceno geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van andere schadeposten dan de gevorderde en in dit vonnis besproken schadeposten.

3.15.

In afwachting van de te nemen conclusies na tussenvonnis zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verwijst de zaak naar de rol van 8 maart 2017 voor conclusie na tussenvonnis teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te voldoen aan hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.8.2. en 3.9. is overwogen, te beginnen bij Ceno;

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2017.