Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6868

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
6185055 CV EXPL 17-3360
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak. Direct Pay moet de integrale proceskosten betalen, nu sprake is van een bepaald onzorgvuldige werkwijze aan haar zijde. Hierdoor is gedaagde genoodzaakt geweest een verzetprocedure te starten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 6185055 CV EXPL 17-3360

vonnis d.d. 25 oktober 2017

inzake

[voornaam opposant] [opposant],

wonende te [woonplaats] ,

opposant,

hierna te noemen “ [opposant] ”,

gemachtigde: mr. I. Stolting, advocaat te Hoogerheide,

tegen

de besloten vennootschap Direct Pay Services B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te (2993 LD) Barendrecht, Osla no. 9,

geopposeerde,

hierna te noemen “Direct Pay”,

gemachtigde: E. van den Bergh, gerechtsdeurwaarder te Rotterdam.

1 Het verloop van het geding

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. het tussenvonnis van 9 augustus 2017 met de daarin genoemde stukken;

  2. de brief van 12 september 2017, zijdens Direct Pay, met één productie;

  3. het faxbericht van 14 september 2017, zijdens [opposant] , met één productie;

  4. e aantekeningen van de griffier van de op 19 september 2017 gehouden comparitie van partijen, met bijbehorend audiëntieblad.

1.2

Daarna is, na aanhouding, vonnis bepaald op heden.

2 Het geschil

in oppositie:

2.1

In de op 24 februari 2017 uitgebrachte dagvaarding heeft Direct Pay, als eiseres in de verstekzaak, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd [opposant] , als gedaagde in de verstekzaak, te veroordelen tot betaling van € 291,58, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 24 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [opposant] in de proceskosten.

2.2

Bij verstekvonnis van 5 april 2017 heeft de kantonrechter de vordering van Direct Pay met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, en is [opposant] veroordeeld in de kosten van de procedure, begroot op € 260,51.

2.3

[opposant] komt in verzet van voornoemd vonnis. Hij vordert van de bij het verstekvonnis tegen hem uitgesproken veroordeling te worden ontheven, met inbegrip van de proceskostenveroordeling, met veroordeling van Direct Pay in de integrale proceskosten van het verzet, begroot op € 1.250,00 exclusief btw + PM, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze proceskosten indien Direct Pay na betekening van het vonnis niet binnen twee weken tot betaling hiervan is overgegaan. Tot slot vordert [opposant] Direct Pay te veroordelen in de afwikkelingskosten.

2.4

Direct Pay maakt per brief van 12 september 2017 kenbaar haar vordering niet te handhaven, hetgeen ook aan [opposant] is bericht.

3 De beoordeling

in oppositie

3.1

Niet gebleken is dat [opposant] te laat in verzet is gekomen, zodat de kantonrechter hem ontvankelijk acht in het verzet.

3.2

Nu Direct Pay haar vordering, na de uitgebrachte verzetdagvaarding van [opposant] , niet langer handhaaft, is in ieder geval duidelijk dat het vonnis van 5 april 2017 onder zaaknummer 5858129 CV EXPL 17-1602 niet kan standhouden. Het verzet is om die reden reeds gegrond te achten. Het verzet zal derhalve gegrond worden verklaard en het vonnis van

5 april 2017 zal worden vernietigd.

3.3

[opposant] vordert, gelet op de werkwijze van Direct Pay, de integrale proceskosten

ad € 1.250,00 + PM, alsmede afwikkelingskosten. [opposant] legt hieraan ten grondslag dat ten onrechte de dagvaarding niet (tijdig) is ingetrokken, terwijl hij voorafgaand aan de eerste roldatum in de oorspronkelijke procedure al een minnelijke regeling had getroffen en was nagekomen, zodat naar aanleiding daarvan de dagvaarding reeds had moeten zijn ingetrokken.

3.4

Bij vonnis van 9 augustus 2017 is een comparitie van partijen bepaald. Op de daartoe bepaalde mondelinge behandeling is aan de zijde van Direct Pay niemand verschenen. Nu namens Direct Pay niemand is verschenen tijdens de gehouden comparitie van partijen, heeft zij zich niet over de vordering tot integrale proceskostenveroordeling kunnen uitlaten. Dit dient evenwel voor rekening en risico van Direct Pay te komen. Ingevolge artikel 88 lid 4 Rv kan de kantonrechter uit het niet verschijnen ter zitting de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

3.5

Aangezien de oorspronkelijke vordering in de betekende dagvaarding van 24 februari 2017 van Direct Pay niet langer wordt gehandhaafd, resteert slechts de integrale proceskostenveroordeling in de verzetzaak. Hoewel terughoudendheid moet worden betracht bij toekenning van een integrale proceskostenveroordeling, ziet de kantonrechter in het onderhavige geval meer dan voldoende aanleiding om af te wijken van het liquidatietarief en de integrale proceskostenvergoeding toe te wijzen. Gebleken is immers dat Afterpay, als rechtsvoorloper van Direct Pay, zich reeds bij de aanvang van het incasseren van onderhavige vordering heeft laten leiden door een gebrekkig dossier. Dit volgt uit de niet weersproken stelling van [opposant] dat hij voor aanvang van de eerste roldatum reeds een minnelijke regeling had getroffen ten aanzien van een buiten zijn medeweten om geplaatste bestelling bij een internetwinkel, genaamd Bralex. Gelet op de nakoming van die minnelijke regeling heeft Bralex (wederom voor aanvang van de eerste roldatum) aan [opposant] kenbaar gemaakt dat de dagvaarding, die op 24 februari 2017 aan [opposant] werd betekend, zou worden ingetrokken en dat de facturen door haar werden gecrediteerd. Dit volgt ook uit de als productie 2 bij de verzetdagvaarding overgelegde correspondentie, met name de

e-mailberichten van 31 maart 2017 en 3 april 2017. Om die reden is [opposant] in de oorspronkelijke procedure niet verschenen. Op 7 juni 2017 is vervolgens een verstekvonnis aan [opposant] betekend, waarna [opposant] contact heeft gezocht met Bralex. Deze laatste heeft bevestigd dat door nakoming van de minnelijke regeling de zaak was afgedaan en dat zij hiertoe contact heeft gehad met Afterpay. Ondanks dit bericht ontvangt [opposant] vervolgens een aankondiging van beslaglegging, en opnieuw neemt hij contact op met Bralex en de deurwaarder. Hoewel Bralex weer bevestigt dat partijen reeds tot een regeling zijn gekomen en dat Afterpay aan Bralex heeft bevestigd dat de orders geannuleerd waren, wordt de executie van het betekende verstekvonnis op geen enkel moment gestaakt. Dit voorgaande getuigt van een bepaald onzorgvuldige werkwijze aan de zijde van Direct Pay. Op een veel eerder moment, namelijk voorafgaand aan de oorspronkelijke procedure en anders toch in ieder geval nadat [opposant] voor het eerst contact opneemt met Bralex, die op haar beurt contact opneemt met Afterpay, had immers al duidelijk moeten zijn dat de dagvaarding ingetrokken had moeten worden. Dit wordt door Direct Pay ook erkend in de brief van 22 augustus 2017, die als productie bij de brief van 12 september 2017 is gevoegd. Hierin erkent Direct Pay immers dat het dossier ingetrokken had moeten worden en dat dit in een eerder stadium niet correct is gecommuniceerd, waardoor de procedure is doorgelopen. Hoewel dus evident is dat Direct Pay onterecht een verstekvonnis aan het executeren is, laat zij na om de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis te staken, waardoor [opposant] genoodzaakt is geweest om een verzetprocedure te starten. Gelet op het vorenstaande en gelet op het feit dat Direct Pay ter comparitie niet is verschenen en zodoende geen verweer heeft gevoerd tegen de vordering tot betaling van de integrale proceskosten, is de kantonrechter van oordeel dat toepassing van het gebruikelijke liquidatietarief hier geen recht doet en dat om die reden toewijzing van de gevorderde vergoeding van € 1.250,00 dient te volgen.

3.6

Uit de stellingen van [opposant] begrijpt de kantonrechter dat het bedrag van € 1.250,00 ziet op de gemaakte kosten tot en met de verzetdagvaarding. Nu [opposant] niet heeft gesteld welk uurtarief is gehanteerd, zal als salaris voor de gemachtigde van [opposant] voor het verschijnen ter comparitie wel, in aansluiting op het systeem van geliquideerde kosten, slechts één salarispunt ad € 60,00 worden toegewezen.

3.7

Aangezien [opposant] door de werkwijze van Direct Pay genoodzaakt was om een verzetdagvaarding uit te brengen, is de kantonrechter van oordeel dat de kosten voor het uitbrengen van deze dagvaarding, zijnde een bedrag van € 97,31, eveneens voor rekening van Direct Pay dienen te komen. Derhalve zal in totaal aan proceskosten een bedrag van

€ 1.407,31 worden toegewezen, bestaande uit € 97,31 aan explootkosten en € 1.310,00 aan salaris voor de gemachtigde van [opposant] .

3.8

[opposant] heeft nagelaten de gevorderde afwikkelingskosten te onderbouwen, zodat deze worden afgewezen.

3.9

De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover Direct Pay de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat Direct Pay, indien deze door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.

4 De beslissing

De kantonrechter:

in oppositie

vernietigt het vonnis van 5 april 2017 van de kantonrechter te Bergen op Zoom, gewezen onder zaaknummer 5858129 CV EXPL 17-1602;

opnieuw rechtdoende

veroordeelt Direct Pay in de proceskosten van dit geding, aan de zijde van [opposant] tot op heden begroot op € 1.407,31, daarin begrepen een bedrag van € 1.310,00 als salaris voor de gemachtigde van [opposant] , te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2017.