Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6836

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
02-665200-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Nadat een noodweersituatie was geëindigd schoot verdachte zijn dienstwapen leeg op de wegrijdende auto. Ook een politieagent dient zich te beheersen, zodat geen schuldigverklaring zonder straf volgt maar een (geheel voorwaardelijke) taakstraf, bedoeld als signaal naar de maatschappij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0868
NJFS 2018/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/665200-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 oktober 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

raadsman mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 oktober 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

hij op of omstreeks 25 november 2014 te Oosterhout ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen acht, althans een aantal, kogels heeft geschoten door en/of in de richting van een of meer ruit(en) en/of de carosserie van een (rijdende) personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] zich als bestuurder bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van verdachte, zijn collega [naam 1] (hierna: [naam 1] en het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in samenhang met de uitkomsten van het forensisch onderzoek.

Op grond daarvan staat vast dat verdachte met zijn dienstwapen acht kogels heeft afgevuurd op de wegrijdende auto waarin [slachtoffer] zich bevond, waarbij een aantal schoten van zeer korte afstand op romphoogte die auto heeft geraakt. Door aldus te handelen bestond de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] dodelijk zou raken. Bovendien is het als geoefend schutter van een korte afstand, met een vuurwapen, zonder gebruik van richtmiddelen, op een wegrijdende auto, schieten - en deze zes maal raken - een handeling die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm is gericht op de dood van de betreffende bestuurder, aldus de officier van justitie. Verdachte heeft door het schieten de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust aanvaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het ontbreken van een wilsbesluit, zodat niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte gericht was, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer] 1 heeft aangifte gedaan waarin hij verklaarde dat hij op 25 november 2014 in een auto reed in Oosterhout. Die auto viel enkele malen stil. Er reed een politiebus achter hem, die hem op een gegeven moment voorbijreed en schuin voor hem stopte, zodat [slachtoffer] ook stopte. [slachtoffer] wist dat de bestuurder van de politiebus [naam 1] (de rechtbank begrijpt: [naam 1] ) heette en de bijrijder [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] (hierna: verdachte)).

Beide in de politiebus aanwezige agenten kwamen naar de auto waarin [slachtoffer] zat toe. [slachtoffer] moest zijn deur openen. [slachtoffer] probeerde mee te werken, hoorde klappen en zag dat verdachte tegen de ruit aan de bijrijderskant sloeg. Ook hoorde hij [naam 1] tegen verdachte zeggen dat er een hamertje is voor het intikken van een ruit. [slachtoffer] schrok en is weg gereden. Op dat moment schoten de agenten in de richting van de auto van [slachtoffer] . [slachtoffer] hoorde zeven of acht schoten, hoorde inslagen in de auto en zag dat er een ruit uitklapte.

[naam 1] 2 heeft verklaard dat hij op 25 november 2014 te Oosterhout een politiewagen bestuurde en dat verdachte zijn bijrijder was. [naam 1] kwam achter een Mercedes te rijden en hij vertelde verdachte dat de bestuurder volgens hem [slachtoffer] was, die nog duizenden Euro’s aan boetes open zou hebben staan. Nadat de Mercedes de eerste keer stopte en weer wegreed, had [naam 1] tegen verdachte gezegd dat hij zeker wist dat de bestuurder de bewuste [slachtoffer] was. Omdat deze niet voldeed aan het gegeven stopteken en evenmin reageerde op de optische - en geluidssignalen, volgde een achtervolging.

Nadat de Mercedes was gestopt - [naam 1] had de politieauto met de rechter achterwielkas tegen de linker voorzijde van de Mercedes gezet - wilde [slachtoffer] de autodeur niet openen. Hij deed even zijn handen omhoog, maar ging daarna meteen weer naar zijn stuur en richting het contactslot. [naam 1] sloeg met een lampje in zijn hand op het bestuurderszijraam, verdachte sloeg met de vlakke hand op het bijrijdersraam. [naam 1] adviseerde verdachte om een lifehammer te pakken uit de voor de Mercedes staande politiebus. Op het moment dat verdachte voor de Mercedes langs liep, richting de politiebus, werd de Mercedes gestart en trok [slachtoffer] heel snel op. Omdat [naam 1] ervan overtuigd was dat zijn collega werd doodgereden en om zijn collega te redden, pakte hij zijn dienstwapen, richtte op het linker achterwiel en schoot één kogel door het linker achterspatbord van de Mercedes.

[naam 1] keek daarna naar rechts, zag verdachte in de berm naast de rechterrijbaan staan en zag en hoorde hem meermalen met zijn dienstwapen op de wegrijdende Mercedes schieten.

Verdachte3 heeft verklaard dat zijn dienstwapen, een Walther P5, was geladen met acht patronen en was doorgeladen, zodat een van de patronen in de kamer zat.

Voorts heeft hij verklaard dat - na een achtervolging - [naam 1] de politieauto schuin voor de Mercedes had geplaatst. Hij ging met [naam 1] naar de auto van [slachtoffer] - [naam 1] naar de bestuurderszijde en hijzelf naar de bijrijderszijde - teneinde hem aan te houden. [slachtoffer] opende de deuren van de Mercedes niet. Hierop heeft verdachte met zijn hand op het zijraam aan de bestuurderszijde geslagen. [naam 1] riep naar hem: “pak een lifehammer” en vervolgens liep verdachte naar de politiebus om een lifehammer te pakken. Verdachte herinnerde zich nog dat de Mercedes richting hem indraaide, dat de Mercedes op hem afreed, dat de bestuurder van de Mercedes hem recht in de ogen aankeek, dat hij opzij sprong, dat hij zijn vuurwapen heeft getrokken en vervolgens heeft geschoten. Hij heeft één schot van zichzelf gehoord en daarna ontstond er voor hem “een zwart gat”. Toen verdachte weer bij zijn positieven kwam, zag hij dat de slede van zijn wapen naar achter “open’ stond en concludeerde verdachte dat hij alle kogels moet hebben afgevuurd. Hij heeft verklaard dat hij gebruik gemaakt heeft van zijn vuurwapen om de auto te doen stoppen. Hij heeft verklaard niet meer te weten op welk deel van de auto hij heeft gericht.

Verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4]4 hebben de Mercedes personenauto waarin [slachtoffer] reed, onderzocht op schotbeschadigingen en zagen dat in de bumper aan de linker achterzijde van het voertuig een inschotbeschadiging aanwezig was. Zij zagen dat dit schot aan de binnenzijde van de wielkas was uitgetreden en in de linker achterband was gekomen (stickermarkering 1, foto 24).

Verbalisanten zagen verder bij stickermarkering 2 (foto 25) een inschotbeschadiging aan de rechterzijde van de achterbumper. Zij zagen dat dit schot de bumper had doorboord en vermoedelijk in de carrosserie van het voertuig terecht was gekomen. Verder zagen verbalisanten dat het glas en de daarachter liggende reflector van de rechter achterlichtunit waren doorboord (stickermarkering 3, foto 26 en 27). Ook hier werd geen projectiel meer aangetroffen.

Verbalisanten zagen in het spatscherm boven het rechterachterwiel (linker sticker met nummer 4 op foto 28) een inschotbeschadiging die vervolgens was uitgetreden aan de buitenzijde van de wielkas van het rechterachterwiel (rechterstickermarkering 4 op foto 28).

In het portier van de bijrijder, net boven de stootstrip op het portier, zagen verbalisanten een inschotbeschadiging die werd gemarkeerd met stickernummer 5 (foto 29 en 30). Zij zagen dat dit schot aan de binnenzijde van het portier was uitgetreden en vervolgens in het zekeringenkastje was geëindigd aan het rechtervoeteneind aan de bijrijderszijde (zie foto 31). In dit zekeringenkastje troffen verbalisanten een kogelpunt aan.

De portierruit van het rechterachterportier vertoonde op de plaats delict een beschadiging aan de linker onderzijde (van buitenaf gezien). Bij het transport door het bergingsbedrijf is deze beschadigde ruit in zijn geheel eruit gevallen. Deze ruit werd voorzien van stickermarkering 6 (foto 32). Het gat in deze portierruit, zoals dat werd geconstateerd op de plaats delict, past in het beeld van een schotbeschadiging. Het bijbehorende projectiel werd niet meer aangetroffen.

Verbalisanten zagen verder dat de stootstrip van de rechterachterdeur, die werd aangetroffen op de plaats delict bij markering 10, een beschadiging vertoonde die paste in het beeld van een schotbeschadiging (foto 7). Deze strip werd ten behoeve van reconstructiedoeleinden

vastgeplakt op het portier. De beschadiging aan de strip en het portier vertoonde, bij onderzoek met een sonde, een richtingscomponent die erop wees dat een schot vanaf de (rechter)achterzijde de stootstrip had geraakt en vervolgens via het portier zijn weg had vervolgd (foto 34). In het portier werd verder geen inschot aangetroffen hetgeen verbalisanten doet vermoeden dat het projectiel naar rechts is afgeketst. Deze beschadiging aan de stootstrip/portier werd op de foto voorzien van markering 7.

Het feit dat het ruitje aan de rechterzijde, tussen de C- en de D-stijl in zijn geheel was vernield zou kunnen passen bij een schotbeschadiging, dit in combinatie met glas dat op de plaats delict was achtergebleven op de rijbaan van de [straatnaam] (bij nummer 4 op de situatietekening in bijlage 2).

Verbalisanten zagen aan de vorm en positie van de inschotbeschadigingen dat de beschadiging bij stickermarkering 1 het voertuig had geraakt van de (linker)achterzijde. De overige inschotbeschadigingen hebben het voertuig vermoedelijk getroffen vanaf de rechterzijde en de achterzijde van het voertuig.

Verdachte5 heeft op de zitting verklaard dat hij met zijn collega [naam 1] de Mercedes ML 55 AMG waarin [slachtoffer] op 25 november 2014 reed, tot stoppen probeerde te brengen. Nadat die Mercedes wederom stilviel, had verdachte getracht die auto te openen. Hij was op weg om uit de politiebus een lifehammer pakken, waarna [slachtoffer] op hem was ingereden. Verdachte kon opzij springen en heeft vervolgens zijn dienstpistool gepakt en op de wegrijdende Mercedes geschoten. Hij heeft verklaard dat de auto voor hem een zwart vlak was en dat hij op dat vlak heeft geschoten.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte acht schoten heeft gelost op de wegrijdende personenauto, waarvan zes kogels dat voertuig ook daadwerkelijk hebben geraakt. Aan de rechtbank ligt thans de vraag voor of verdachte zich door zo te handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging om die [slachtoffer] te doden, althans om hem ernstig letsel toe te brengen.

Het opzet

De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen aanleiding biedt om aan te nemen dat verdachte de bedoeling had om [slachtoffer] te doden, zodat de rechtbank aanneemt dat zijn opzet daarop niet gericht was.

Voorwaardelijk opzet

Verdachte heeft zich, door ervoor te kiezen de auto middels het lossen van schoten tot stoppen te brengen, wel bewust blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] zou doden en hij heeft die kans ook bewust aanvaard.

Gebleken is dat hij niet gericht op de banden van die auto heeft geschoten, maar aanmerkelijk hoger, te weten (ook) op romphoogte, terwijl hij zich op zeer korte afstand van die – bewegende - auto bevond.

Gelet op de bevindingen uit het Forensisch Onderzoek hadden meerdere schoten, met name de kogels die het passagiersportier en het rechterachterportier raakten alsmede de kogel die de rechter achterruit raakte, [slachtoffer] direct, dan wel door middel van ricochet, dodelijk kunnen raken.

Voorts is door de raadsman aangevoerd dat als gevolg van de acute dreiging de hogere cognitieve centra van verdachte zijn lamgelegd. Daardoor heeft verdachte nooit de kans gehad in deze split-second situatie om tot enig wilsbesluit te kunnen komen, aldus de raadsman. Ter staving van het verweer heeft de raadsman verwezen naar de rapportage van psychiater Mol en het door de verdediging overlegde schrijven van de heer [naam 2] .

De rechtbank verwerpt het verweer. Verdachte heeft verklaard op de auto geschoten te hebben ten einde deze “te doen stoppen”.6 Dat is een wilsbesluit met een daarop volgende gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.

Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van verdachte, zij het in de voorwaardelijke zin, was gericht op het doden van [slachtoffer] en zal zij de primair verweten poging tot doodslag bewezen verklaren.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 25 november 2014 te Oosterhout ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen acht, althans een aantal, kogels heeft geschoten door en/of in de richting van een of meer ruiten en/of de carrosserie van een rijdende personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] zich als bestuurder bevond,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Standpunt OvJ

Verdachte komt geen beroep op noodweer toe, nu de noodweersituatie, die er aanvankelijk wel was op het moment van het inrijden door [slachtoffer] op verdachte, al was geëindigd op het moment dat verdachte ging schieten. Uit de inschotbeschadigingen in de Mercedes blijkt dat [verdachte] op de auto schoot toen deze hem voorbij reed. Toen was de noodweersituatie dus al geëindigd.

Ten aanzien van een beroep op noodweerexces stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat uit het psychologisch rapport en uit het door de verdediging ingebracht rapport van [naam 2] blijkt dat sprake was van een hevige gemoedsbeweging. Het schieten is onder invloed van die hevige gemoedsbeweging gebeurd, maar desondanks komt verdachte, naar de mening van de officier van justitie, geen beroep op noodweerexces toe.

[verdachte] heeft immers niet alleen geschoten op het moment dat de noodweersituatie al geëindigd was, maar hij heeft dit bovendien gedaan op en wijze die op geen enkele manier te rechtvaardigen was. Hij heeft geschoten zonder richtmiddelen, op een wegrijdende auto, acht keer. Déze overschrijding van de noodzakelijk verdediging is hem wel te verwijten, nu [verdachte] politieman is, getraind om adequaat te reageren in (plotseling) gewelddadige situaties.

Standpunt verdediging

Verdachte komt een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toe, nu hij handelde ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf. Er werd immers vol gas met een zware auto op verdachte ingereden. Meer subsidiair is er sprake van putatief noodweer, dan wel putatief noodweerexces, aldus de raadsman.

Ter staving van dit verweer heeft de verdediging, onder meer, op het rapport van [naam 2] gewezen, waaruit volgt dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging. Het is, aldus de verdediging, niet relevant hoeveel schoten er zijn afgevuurd. Verdachte heeft één schot van hemzelf gehoord en daarna is voor hem een zwart gedeelte ontstaan, totdat hij erachter kwam dat hij zijn gehele wapen had leeggeschoten.

Oordeel rechtbank

Was er sprake van noodweer?

De rechtbank stelt vast dat er aanvankelijk sprake was van een noodweersituatie. Verdachte stond immers op een afstand van enkele meters voor de (krachtige, snelle) auto waarin [slachtoffer] zat en de laatste startte plots die auto en maakte aanstalten om op hem in te rijden. Verdachte slaagde er echter in om met een sprong de auto te ontwijken en zag dat die auto zijn weg vervolgde. Op dat moment eindigde de (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Het daaropvolgende schieten op de wegrijdende auto kan - noch op grond van de bedoeling van verdachte, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging -worden aangemerkt als "verdediging". Verdachte verklaarde bij de politie en ter zitting dat hij niet is gaan schieten omdat hij het nodig vond zich nog tegen [slachtoffer] te verdedigen, maar omdat hij wilde dat de vluchtende auto zou stoppen. Voor hem stond als een paal boven water dat de auto moest stoppen. De enige manier om dat te doen was met zijn vuurwapen, zo heeft verdachte verklaard. Gelet op het voorgaande slaagt een beroep op noodweer niet.

Was er sprake van noodweerexces?

De rechtbank is van oordeel dat, zoals in het voorgaande overwogen, aanvankelijk sprake was een noodweersituatie. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat het handelen van [slachtoffer] , waarvoor deze bij vonnis van heden is veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling door op verdachte in te rijden, bij verdachte een hevige angst heeft veroorzaakt.

Echter, het beroep op noodweerexces wordt verworpen, nu de overschrijding van de noodzakelijke verdediging in dit geval niet verontschuldigbaar is. Van verdachte, een politieagent, mag gelet op zijn functie en opleiding, worden gevergd dat hij ondanks zijn angst er niet toe over was gegaan om zijn vuurwapen ter hand te nemen en leeg te schieten op een wegrijdende auto. Een opsporingsambtenaar moet geacht worden zich beter te (kunnen) beheersen dan de gemiddelde persoon. De door verdachte gehanteerde ‘verdediging’ is verwijtbaar disproportioneel.

Was er sprake van putatief noodweer(exces)?

Voor het slagen van een beroep op putatief noodweer (exces) is noodzakelijk dat “sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld” (vgl. HR 22-03-2016, ECLI:NL:HR:32016:456, ro. 3.7.2). Verdachte heeft naar eigen zeggen geschoten om de auto te laten stoppen en handelde op dat moment – zoals in het voorgaande reeds overwogen – niet ter verdediging. Van een dwaling aan de zijde van verdachte is, ook in zijn eigen lezing van de feiten, geen sprake. Ook het beroep op putatief noodweer (exces) wordt door de rechtbank verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert verdachte schuldig te verklaren zonder hem een straf of maatregel op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ook de raadsman meent, uiterst, subsidiair, dat gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, volstaan dient te worden met de in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht omschreven bepaling om geen straf of maatregel op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Het komt in ons rechtssysteem gelukkig niet vaak voor dat een politieman zich als verdachte moet verantwoorden voor de rechter voor feiten die gepleegd zijn uit hoofde van zijn functie.

De officier van justitie omschreef het Nederlandse politiekorps als onze frontlinie tegen misdaad en geweld en de rechtbank is het met die omschrijving zonder meer eens. Het uitgangspunt dient dan ook te zijn dat een politieman, die geweld gebruikt om de rechtsorde te handhaven, in principe bijzondere bescherming geniet en voor zijn functionele geweldshandelingen niet zonder meer publiekelijk ter verantwoording wordt geroepen.

Dat laat echter onverlet dat die handhaving wel dient te geschieden op een op de situatie toegeschreven manier. Wanneer daar twijfel over is, is ons rechtssysteem zo ingericht dat ook een politieagent voor de rechter verantwoording over zijn handelen moet afleggen.

Zo ook verdachte, die min of meer toevallig tijdens een routine patrouille werd geconfronteerd met tegen hem persoonlijk gericht geweld nadat hij met zijn collega een persoon ( [slachtoffer] ) wilde staande houden, omdat deze vele boetes onbetaald liet. In plaats van wat van [slachtoffer] mocht worden verwacht, te weten dat hij zich zou schikken in zijn lot en zou meewerken aan zijn staande houding, werden verdachte en zijn collega geconfronteerd met een plotseling met flinke snelheid in zijn auto wegrijdende [slachtoffer] .

Verdachte heeft er in die situatie voor gekozen zijn dienstwapen te gebruiken en op de auto van die [slachtoffer] te schieten. Hij heeft dit op een zodanige manier gedaan dat hij daarbij de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] dodelijk gewond zou kunnen raken, bewust heeft aanvaard. Zijn doel daarbij was het doen stoppen van de auto.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen de grens van het toelaatbare overschreden. De bevoegdheid om een vuurwapen te dragen en te mogen gebruiken brengt in onze rechtsstaat immers ook het daarbij behorende verantwoordelijkheidsbesef met zich mee. Terughoudendheid is daarbij gepast.

Zoals al overwogen komt het niet vaak voor dat een politieman zich bij de rechter moet verantwoorden voor door hem in functie uitgeoefend geweld. Maar als dat wel het geval is, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een verkeerd signaal aan de samenleving indien op een dergelijk feit geen enkele straf zou volgen. Het betreft immers een poging tot doodslag.

De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet volgen in de door hem gevorderde toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf acht geslagen op hetgeen verdachte in gesprekken eind september en begin oktober 2016 bij de psychiater, reflecterend op zijn gedrag in november 2014, heeft gezegd. Verdachte is dan nog steeds van mening zijn wapen terecht te hebben gebruikt en niet anders te hebben kunnen handelen.

De psychiater komt in de rapportage van 24 oktober 2016 tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het schietincident niet lijdende was aan een posttraumatische stress stoornis dan wel enige andere stoornis.

De rechtbank is zich bewust van het feit dat deze zaak al grote consequenties heeft gehad voor verdachte, die juist zijn opleiding tot motoragent had afgerond en nu, in afwachting van de uitkomst van deze zaak, noodgedwongen “bureauwerk” doet. Hij heeft het gevoel onterecht vervolgd te worden.

Daarnaast heeft de behandeling van juist een zaak als deze onwenselijk lang geduurd, ook al is dat tijdsverloop mede veroorzaakt door de wens van de verdediging een deskundige te laten rapporteren over de persoon van de verdachte.

Gelet voorts op straffen die in enigszins vergelijkbare zaken worden opgelegd, maar met name meewegend dat een strafoplegging in casu dient als signaal aan de maatschappij dat ook beschermde functionarissen in ons rechtsstelsel een gerechtvaardigde straf niet ontlopen, is de rechtbank van oordeel dat volstaan kan worden met een forse, maar geheel voorwaardelijke, taakstraf, die de rechtbank stelt op 150 uren.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 9.600,--.

De schade valt uiteen in een bedrag van € 100,-- aan (materiële) geleden schade aan zijn jas,

€ 7.500,-- (eveneens materieel) aan geleden schade aan de Mercedes ML 55, alsmede een bedrag van € 2.000,-- ter zake van geleden immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van geleden schade aan de jas geen sprake van causaal verband met het onderhavige feit. Het gooien met een lifehammer wordt verdachte immers niet verweten.

Aan de door [slachtoffer] bestuurde auto is weliswaar schade ontstaan, maar die auto was niet zijn eigendom, althans dat is de rechtbank niet gebleken. Er is dan ook geen sprake van rechtstreeks door de benadeelde partij geleden schade.

Ten aanzien van het gevorderde smartengeld overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij zichzelf in de situatie heeft gebracht waaruit immateriële schade heeft kunnen ontstaan. [slachtoffer] heeft zich onttrokken aan zijn staande houding en daarbij een strafbaar feit gepleegd waarvoor hij door deze rechtbank bij vonnis van heden eveneens veroordeeld is. Vastgesteld zal dan moeten worden welk aandeel [slachtoffer] in het ontstaan van de schade heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal de benadeelde partij om vorenstaande redenen dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. [slachtoffer] kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil. (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. De Weert, voorzitter, mr. Felix en mr. Wiersum, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van

26 oktober 2017.

Mr. Wiersum is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2014-55 van de Afdeling VIK (Interne Onderzoeken) van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 53. Het proces-verbaal van aangifte, pagina 6 e.v..

2 Het proces-verbaal van getuigenverhoor, pagina 10 e.v..

3 Het proces-verbaal van verhoor, pagina 26 e.v..

4 Het als bijlage gevoegde proces-verbaal Forensische Opsporing vanaf pagina 3, gevoegd bij het “kopie strafdossier” dat vanaf pagina 54 achter het hiervoor onder voetnoot 1 aangehaalde proces-verbaal was gevoegd.

5 De verklaring van verdachte ter zitting van 12 oktober 2017.

6 Het proces-verbaal van verhoor, pagina 31.