Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6835

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
02-700005-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik, betrouwbaarheid verklaringen aangevers, kennelijk leugenachtige verklaring, schakelbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 02/700005-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 oktober 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] ,

raadsvrouw mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 11 en 12 oktober 2017, waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

feit 1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 november 2000

tot en met 14 november 2003 te Vlissingen en/of de Verenigde Staten, met een

aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 1]

(geboren [geboortedag slachtoffer 1] -1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte

zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 november 2000

tot en met 14 november 2003 te Vlissingen en/of de Verenigde Staten, met een

aanzijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1]

(geboren [geboortedag slachtoffer 1] -1987), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het pijpen van die [slachtoffer 1] en/of het betasten van de

penis van die [slachtoffer 1] ;

feit 2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2009 tot

en met 22 juni 2011 te Vlissingen, met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarig, [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag slachtoffer 2] -1995), die de leeftijd

van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens)

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond

van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht;

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2009 tot

en met 22 juni 2011 te Vlissingen, met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag slachtoffer 2] -1995), die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of

meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het pijpen van die

[slachtoffer 2] en/of het betasten van de penis van die [slachtoffer 2] ;

feit 3

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 maart 2000

tot en met 31 december 2003 te Vlissingen, (telkens) door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het pijpen van die Van

Caam en/of het betasten van de penis van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld

of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die

andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat die [slachtoffer 3] onder invloed was van een

bedwelmende stof (alcohol) en/of (vervolgens) in slaap was gevallen en/of

verdachte die [slachtoffer 3] vervolgens onverhoeds heeft betast;

feit 4

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van [geboortedag slachtoffer 4] 2011

tot en met 31 december 2012 te Vlissingen, (telkens) door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten

van de penis en de ballen van die [slachtoffer 4] en bestaande dat geweld of die

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) uit hierin dat die [slachtoffer 4] onder invloed was van een

bedwelmende stof (alcohol) en/of (vervolgens) in slaap was gevallen, althans

sliep en/of verdachte onverhoeds de [slachtoffer 4] heeft betast;

feit 5

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 september

2003 tot en met 25 september 2005 te Vlissingen, met [slachtoffer 5] geboren

[geboortedag slachtoffer 5] -1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

bestaande uit het pijpen van die [slachtoffer 5] en/of het betasten van de penis van die

[slachtoffer 5] en/of het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 5] .

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Hij baseert zich daarbij op de onderscheiden aangiftes, die worden ondersteund door wat verschillende aangevers hebben gezien en de specifieke modus operandi van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt verdachte integraal vrij te spreken. Verdachte ontkent en er is niet voldaan aan het bewijsminimum van het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Op 2 juni 2012 heeft [slachtoffer 1] bij Juvent melding gemaakt van seksueel misbruik dat plaats zou vinden bij verdachte thuis. [slachtoffer 1] zou, toen hij bij verdachte woonde, eerst dronken zijn gevoerd en daarna diverse keren zijn misbruikt. Deze melding werd op 29 juni 2012 door Juvent met verdachte besproken. Bij Juvent was al lange tijd bekend dat verdachte jongens opving die vastgelopen waren in hun hulpverleningstraject en geen vaste woon- of verblijfplaats hadden. Daarnaast ontvingen zij berichten over de onorthodoxe manier van begeleiden van verdachte en het feit dat hij alleen jongens opving. Ook waren er geruchten/roddels over bijzondere feestjes in de tuin. Naar aanleiding hiervan vond op 2 juli 2012 een overleg plaats tussen diverse hulpverleningsinstanties in de provincie Zeeland en de politie. In dit overleg kwam onder meer naar voren dat naast [slachtoffer 1] , meerdere jongens zouden zijn misbruikt bij verdachte thuis. Op 19 juli 2012 heeft vervolgens een gesprek plaatsgevonden tussen medewerkers van de Unit Zeden van de politie en verdachte. Verdachte werd geconfronteerd met voornoemde beschuldigingen en heeft deze ontkend. Op 21 juli 2012 kwam de politie bij verdachte thuis in verband met een melding van geluidsoverlast. De politie trof op het adres van verdachte, verdachte zelf en drie jongens (waaronder [slachtoffer 4] ) aan, allen naakt in de jacuzzi en onder invloed van drank. Op 9 april 2013 kwam er bij de politie een e-mail binnen van [naam 1] met daarin een foto waarop verdachte te zien zou zijn al zoenend met een minderjarige jongen.

Begin 2013 kregen [naam 2] en [naam 3] , destijds twee van de beste vrienden van verdachte, ook hoogte van hetgeen over verdachte werd gezegd. Nadat verdachte hiermee werd geconfronteerd hebben zij een aantal jongens, die bij verdachte hebben gewoond dan wel vaak bij hem over de vloer kwamen, bij [naam 2] thuis uitgenodigd. Hierbij waren naast een aantal andere jongens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] aanwezig. Tijdens deze ‘bijeenkomst’ is gesproken over verdachte en de beschuldigingen. Nadat [slachtoffer 1] vervolgens, na die bijeenkomst, op 11 april 2013 aangifte heeft gedaan tegen verdachte, zijn ook de andere in de tenlastelegging genoemde personen naar de politie toegegaan en hebben zij al dan niet aangifte gedaan van seksueel misbruik gepleegd door verdachte. Verdachte is op 13 januari 2015 aangehouden.

Voordat de rechtbank de onderscheiden feiten zal bespreken, zal eerst worden ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de in de tenlastelegging genoemde personen en de door de verdediging overgelegde afleverbon van de jacuzzi, waaruit de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van aangevers zou volgen. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de verklaring van verdachte dat hij nog nooit seksueel contact heeft gehad met een jongen of man.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Door [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 2] (feit 2), [slachtoffer 3] (feit 3), [slachtoffer 4] (feit 4) en [slachtoffer 5] (feit 5) (hierna: “aangevers”) zijn bij de politie en de rechter-commissaris verklaringen afgelegd. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar. In de kern zijn de verklaringen consistent en vinden deze over en weer steun in elkaar. Daarnaast wordt de betrouwbaarheid versterkt door de verklaringen die getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben afgelegd. [getuige 1] en [getuige 2] waren beiden niet aanwezig bij het gesprek dat begin 2013 bij [naam 2] plaatsvond naar aanleiding van geruchten over misbruik door verdachte. Zij verklaren evenwel over soortgelijke seksuele ervaringen met verdachte en soortgelijke handelingen als aangevers. Zo verklaart [getuige 2] dat als hij bij verdachte sliep hij wel eens wakker werd omdat verdachte aan zijn penis zat. Over soortgelijke ervaringen verklaren ook [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Daarnaast verklaren [getuige 1] en [getuige 2] dat verdachte hen aftrok en pijpte. Over die handelingen verklaren aangevers eveneens. Anders dan aangevers verklaren [getuige 2] en [getuige 1] dat de seksuele handelingen met en door verdachte vrijwillig plaatsvonden, wat maakt de rechtbank hun verklaring aanmerkt als geloofwaardig en betrouwbaar.

Dat op onderdelen in de verklaringen van aangevers tegenstrijdigheden zijn te ontdekken, maakt het vorenstaande niet anders. De personen die hebben verklaard, hebben allen in meer of mindere mate een belast verleden en een beperkt intelligentieniveau. Drie van de vijf aangevers verklaren over feiten die al tien jaar of langer geleden zijn. Bovendien is aangevers gevraagd om te verklaren over een beladen en heel persoonlijk onderwerp en over een persoon (verdachte) waar zij lange tijd loyaal aan zijn geweest aangezien hij hen in een moeilijke fase van hun leven op bepaalde leefgebieden heeft begeleid.

Voor de suggestie dat de belastende verklaringen jegens verdachte zouden voortvloeien uit een “werkoverleg” tussen aangevers is geen steun te vinden in het dossier. Uit het dossier blijkt niet dat de verklaringen onderling zijn afgestemd.

Afleverbon

In het kader van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers is door de verdediging op de zitting van 12 oktober 2017 een kopie overgelegd van een afleverbon van een jacuzzi. Onder verwijzing naar deze bon heeft de verdediging betoogd dat de jacuzzi waarover verschillende personen verklaren pas op 17 februari 2005 bij verdachte is afgeleverd, zodat vermeend misbruik in die jacuzzi vóór die datum “absoluut onmogelijk” is.

De officier van justitie verbindt aan de bon geen conclusies, omdat hij de inhoud daarvan niet kan verifiëren.


De rechtbank overweegt als volgt.

De verdediging heeft een kopie van een afleverbon van een jacuzzi overgelegd. De overeenkomst of bestelbevestiging die normaal gesproken aan een dergelijke bon voorafgaat, ontbreekt. Op de afleverbon zelf ontbreken het ordernummer, debiteurnummer en de prijs. Daarnaast is de bon niet volledig gekopieerd. Nu de verdediging een kopie heeft overgelegd, gaat de rechtbank ervan uit dat ook de originele afleverbon ingebracht had kunnen worden. Dat is niet gebeurd. De rechtbank constateert ook dat door of namens verdachte noch bij de politie, noch bij de rechter-commissaris noch op de pro forma-zittingen die aan de inhoudelijke behandeling op 11 en 12 oktober 2017 vooraf zijn gegaan is benoemd dat hij geen jacuzzi had voor 2005. De rechtbank kan om die redenen niet met voldoende zekerheid vaststellen dat de overgelegde kopie een kopie is van een originele afleverbon. De rechtbank zal daarom geen betekenis toekennen aan de door de verdediging overgelegde afleverbon.

Conclusie

De verklaringen van aangevers acht de rechtbank betrouwbaar en zullen worden gebruikt voor het bewijs.

Verklaring van verdachte

Zowel bij de politie en de rechter-commissaris als op de zitting van 11 oktober 2017 heeft verdachte verklaard dat er geen seksueel contact is geweest tussen hem en welke jongen of man dan ook. Die verklaring merkt de rechtbank aan als kennelijk leugenachtig en alleen afgelegd om de waarheid te bemantelen, te weten dat die seksuele contacten wel hebben plaatsgevonden.

De kennelijke leugenachtigheid blijkt in de eerste plaats uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] verklaart dat op beider initiatief seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen hem en verdachte. Dat verklaart [getuige 2] eveneens. Ten tweede wijst de rechtbank op de foto van verdachte en [slachtoffer 2] waarop te zien is dat zij hun tongen tegen elkaar houden als in een tongzoen. In de derde plaats zit in het dossier een chatgesprek tussen verdachte en [naam 5] . In dat chatgesprek wordt onder meer geschreven: “(…) en nu net de schade van vanochtend ingehaald (aandacht voor tarzan) want toen stond langhaar plots voor de deur. (…) Ja als je eenmaal vrij bent zal ik je zoveel mogelijk helpen je achterstand in te lopen, en dan loop ikke graag mee hoor, met nog eentje dan en due dikke niet te veel ‘misbruiken’ he die zak van je is al rimpelig genoeg als je hem nog verder leeg spuit blijft er niets meer over. Ooh maar dat komt allemaal goed hoor ouwe meot weer wat vrienden opzoeken en (…) van me leven genieten neuken natuurlijk ook iedere dag !”

Uit dit chatgesprek, de foto en voormelde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] maakt de rechtbank op dat verdachte wel seksueel contact heeft gehad met mannen.

De kennelijk leugenachtige verklaring van verdachte zal de rechtbank bezigen tot het bewijs.

Feiten

Feit 1: [slachtoffer 1]

( [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag slachtoffer 1] 1987, verklaart dat hij bij verdachte is gaan wonen op het moment dat zijn ouders tegen hem hebben gezegd dat het beter was dat hij tijdelijk naar verdachte ging. ‘Ze zeiden of we gaan scheiden of jij gaat weg’.1

Toen hij bij verdachte woonde, sliep [slachtoffer 1] bij verdachte in bed. Op een ochtend werd hij wakker en voelde hij dat verdachte aan zijn geslachtsdeel zat. Verdachte trok er aan. Een paar dagen later begon verdachte [slachtoffer 1] uit het niets te pijpen.2 Verdachte heeft ook “z’n lul in m’n kont” gedaan, zo verklaart [slachtoffer 1] .

De seksuele handelingen vonden plaats bij verdachte thuis, in de slaapkamer van verdachte en heel af en toe in het bubbelbad.3 De eerste keer was toen [slachtoffer 1] vijftien jaar oud was. Het is gestopt toen [slachtoffer 1] en verdachte terugkwamen uit Amerika.4 [slachtoffer 1] was zestien jaar oud toen hij met verdachte naar Amerika ging.5

De seksuele handelingen vonden wekelijks plaats.6

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er voldoende wettig bewijs is voor het tenlastegelegde.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige waargenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

De rechtbank moet dan ook beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 1] door een ander zelfstandig bewijsmiddel in voldoende mate worden ondersteund.

In het dossier bevindt zich een verklaring van [slachtoffer 4] . Hij verklaart dat hij de eerste avond dat hij bij verdachte in diens bed is blijven slapen wakker werd van een hand die hem aan het betasten was. Het was de hand van verdachte. De hand kwam bij zijn ballen en ging vervolgens in zijn boxershort. Later heeft verdachte tegen [slachtoffer 4] gezegd dat hij bij [slachtoffer 1] hetzelfde heeft gedaan als bij [slachtoffer 4] .7

[naam 6] , de vader van [slachtoffer 1] , verklaart dat hij verdachte bij hem thuis heeft uitgenodigd. Hij heeft verdachte toen gezegd dat hij een verontrustend bericht had gehad dat verdachte [slachtoffer 1] had misbruikt. Verdachte zei toen dat er vroeger dingen zijn gebeurd die niet door de beugel konden en dat hij een verkeerde inschatting had gemaakt. Hij heeft gezegd dat er handelingen zijn gebeurd die niet horen tussen een volwassene en een jongere. Hij heeft geen handelingen benoemd. Hij bood wel zijn excuses aan voor alles.8

Verdachte heeft verklaard dat alle jongens bij hem in bed hebben gelegen. Ook verklaart hij dat hij geen seksueel contact met [slachtoffer 1] heeft gehad maar als [slachtoffer 1] dat zo beleefd heeft, dat dat misschien dan zo is.9

Daarnaast is er de kennelijke leugenachtige verklaring van verdachte dat er geen seksueel contact tussen hem en mannen heeft plaatsgevonden.

Voormelde bewijsmiddelen geven in voldoende mate steun aan de verklaringen van [slachtoffer 1] . Er is dan ook voldoende wettig bewijs dat verdachte in de periode van 15 november 2002 – toen [slachtoffer 1] vijftien jaar oud was – tot en met 14 november 2003 de in de tenlastelegging omschreven ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] heeft verricht te Vlissingen. Het bewijs dat de handelingen in die periode ook in Amerika hebben plaatsgevonden, ontbreekt. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij eerst op zijn zestiende met verdachte naar Amerika is gegaan en dat is na de tenlastegelegde periode. Ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen was [slachtoffer 1] aan de zorg en waakzaamheid van verdachte toevertrouwd. Hij verbleef bij verdachte met goedvinden van zijn ouders.

Gelet op het gebezigde bewijs, acht de rechtbank het tenlastegelegde ook overtuigend bewezen

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde feiten.

Feit 2: [slachtoffer 2]

( [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag slachtoffer 2] 1995, bleef na feestjes slapen bij verdachte. De eerste keer dat er wat met hem is gebeurd, was in de jacuzzi bij verdachte thuis. Hij was toen veertien/vijftien jaar oud. Ze hadden aan de sterke drank gezeten omdat het bier op was. Hij was op dat moment al ‘het padje kwijt’ door de drank. Op een gegeven moment kreeg [slachtoffer 2] door dat verdachte met zijn piemel aan het spelen was. [slachtoffer 2] probeerde hem weg te duwen, maar verdachte bleef doorgaan.

Een andere keer die [slachtoffer 2] zich kan herinneren is dat verdachte hem heeft gepijpt onder water in de jacuzzi.10 [slachtoffer 2] was toen dronken en lag bijna te slapen. Het pijpen heeft verdachte zeker een stuk of vier keer bij hem gedaan, telkens in de jacuzzi. Het was ook in de jacuzzi dat verdachte aan de penis van [slachtoffer 2] zat. De aanrakingen hebben zeker tot zijn zestiende plaatsgevonden.11

Verdachte heeft verklaard dat hij bij hem thuis de opvoeder is, dat hij beslist en dat hij de verantwoording heeft.12

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er voldoende wettig bewijs is voor het tenlastegelegde.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechtbank verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige waargenomen feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

De rechtbank moet dan ook beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer 2] door een ander zelfstandig bewijsmiddel in voldoende mate worden ondersteund.

[naam 4] heeft verklaard dat verdachte het erover heeft gehad dat hij het met [slachtoffer 2] heeft gedaan.13

In het dossier bevindt zich een foto van verdachte en [slachtoffer 2] waarop zij hun tongen tegen elkaar houden als in een tongzoen.14

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 2] bij hem heeft gelogeerd.15 Ook heeft hij verklaard dat hij met [slachtoffer 2] in de jacuzzi heeft gezeten.16 Daarnaast is er de kennelijke leugenachtige verklaring van verdachte dat er geen seksueel contact tussen hem en mannen heeft plaatsgevonden.

Voormelde bewijsmiddelen geven in voldoende mate steun aan de verklaringen van [slachtoffer 2] . Gelet daarop en de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig bewezen dat verdachte in de tenlastegelegde periode de in de tenlastelegging omschreven ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] heeft verricht, met uitzondering van het binnendringen door verdachte met zijn penis in de mond van [slachtoffer 2] . Voor die handeling ontbreekt in het dossier bewijs. [slachtoffer 2] was ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen aan de zorg en waakzaamheid van verdachte toevertrouwd. Hij verbleef bij verdachte en verdachte had in dat verband de verantwoordelijkheid om voor [slachtoffer 2] te zorgen, hem op te voeden en te beslissen.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, is er ook sprake van overtuigend bewijs.

De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het tweede deel van het onder 2 tenlastegelegde. Van het binnendringen door verdachte met zijn penis in de mond van [slachtoffer 2] zal verdachte worden vrijgesproken.

Feiten 3 tot en met 5: [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

[slachtoffer 3] (feit 3), geboren op [geboortedag slachtoffer 3] 1983, heeft verklaard dat er in het weekend feestjes waren bij verdachte. Er werd veel gedronken. Op een gegeven moment hadden zij veel gedronken en ging [slachtoffer 3] onder de zonnebank liggen die op de slaapkamer van verdachte stond. Verdachte ging toen aan de penis van [slachtoffer 3] zitten. Dat deed hij vaker als [slachtoffer 3] onder invloed was. Hij was altijd onder invloed als verdachte aan zijn penis zat. De eerste keer was hij tussen de zeventien en achttien jaar oud.

Verdachte heeft ook een keer gezogen aan de penis van [slachtoffer 3] . Dat is gebeurd na een feestje bij [naam 3] ( [naam 3] woonde in Vlissingen. [slachtoffer 3] had die avond veel alcohol gedronken. Hij was net in slaap gevallen en werd wakker omdat verdachte aan zijn penis aan het zuigen was.17

[slachtoffer 3] is twee keer wakker geworden, omdat verdachte zijn penis stijf maakte.18

De seksuele handelingen waren voor het laatst in 2003.19

[slachtoffer 4] (feit 4), geboren op [geboortedag slachtoffer 4] 1993, verklaart dat hij bij verdachte heeft gewoond. De eerste avond had hij veel gedronken. Hij is toen in het bed van verdachte gaan liggen. [slachtoffer 4] is in slaap gevallen en het enige wat hij zich kan herinneren is dat hij wakker werd van een hand die hem aan het betasten was. Dat was de hand van verdachte, want die lag naast hem. De hand kwam bij zijn ballen en ging vervolgens in zijn boxershort.20

[slachtoffer 4] is op zijn achttiende bij verdachte gaan wonen.21

[slachtoffer 5] (feit 5), geboren op [geboortedag slachtoffer 5] 1989, verklaart dat hij regelmatig bij verdachte heeft geslapen. Het eerste misbruik vond plaats toen [slachtoffer 5] dertien of veertien jaar oud was. Verdachte heeft hem toen afgetrokken.22 [slachtoffer 5] heeft verdachte ook wel eens afgetrokken. Het aftrekken gebeurde overal in huis, op de bank, op de slaapkamer en in de jacuzzi.

Verdachte heeft [slachtoffer 5] voorts gepijpt. Hij was toen vijftien jaar oud.

[slachtoffer 5] komt niet meer bij verdachte sinds hij tweeëntwintig jaar oud is.23

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er voldoende wettig bewijs is voor het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde.

Volgens vaste jurisprudentie is het toegelaten om aan andere bewezen geachte, soortgelijke, feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend bewijs (schakelbewijs) te gebruiken. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal van die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden bewijsmiddelen.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] over de aard van de bij hen door verdachte verrichte handelingen, de locaties waar deze werden verricht, het drankgebruik, de wijze waarop ze door verdachte werden benaderd en hun relatie ten opzichte van verdachte op essentiële punten overeenstemt met wat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op die onderdelen verklaren en wat uit de overige onder feit 1 en 2 opgenomen bewijsmiddelen volgt. De rechtbank leidt hieruit een modus operandi van verdachte af die op essentiële punten overeenkomt met de modus operandi van verdachte bij [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Deze modus operandi kenmerkt zich door het opvangen door verdachte van jongens in zijn woning, voor langere tijd of na een van zijn feestjes waarbij veel drank werd genuttigd. Het waren jongens die in vergelijking met verdachte relatief jong waren. In de woning van verdachte, in zijn jacuzzi of in zijn slaapkamer, werden de jongens betast of gepijpt. Dat gebeurde ook wanneer zij onder de invloed van alcohol waren en/of sliepen.

Omdat sprake is van een herkenbare, specifieke modus operandi van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan het gepleegde misbruik door verdachte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen dienen als schakelbewijs voor het tenlastegelegde misbruik van [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Dat maakt dat er voldoende wettig bewijs is voor de onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.

De rechtbank acht het tenlastegelegde ook overtuigend bewezen, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 3 tot en met 5 tenlastegelegde feiten.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 november 2002

tot en met 14 november 2003 te Vlissingen en/of de Verenigde Staten, met een

aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer 1]

(geboren [geboortedag slachtoffer 1] -1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet

die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte

zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

en/of

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 november 2002

tot en met 14 november 2003 te Vlissingen en/of de Verenigde Staten, met een

aanzijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1]

(geboren [geboortedag slachtoffer 1] -1987), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft

gepleegd, bestaande uit het pijpen van die [slachtoffer 1] en/of het betasten van de

penis van die [slachtoffer 1] ;

feit 2

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2009 tot

en met 22 juni 2011 te Vlissingen, met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarig, [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag slachtoffer 2] -1995), die de leeftijd

van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens)

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de mond

van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht;

en/of

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2009 tot

en met 22 juni 2011 te Vlissingen, met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid

toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag slachtoffer 2] -1995), die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of

meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het pijpen van die

[slachtoffer 2] en/of het betasten van de penis van die [slachtoffer 2] ;

feit 3

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 maart 2000

tot en met 31 december 2003 te Vlissingen, (telkens) door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het pijpen van die Van

Caam en/of het betasten van de penis van die [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld

of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die

andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat die [slachtoffer 3] onder invloed was van een

bedwelmende stof (alcohol) en/of (vervolgens) in slaap was gevallen en/of

verdachte die [slachtoffer 3] vervolgens onverhoeds heeft betast;

feit 4

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 januari 2011

tot en met 31 december 2012 te Vlissingen, (telkens) door geweld of (een)

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten

van de penis en de ballen van die [slachtoffer 4] en bestaande dat geweld of die

andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) uit hierin dat die [slachtoffer 4] onder invloed was van een

bedwelmende stof (alcohol) en/of (vervolgens) in slaap was gevallen, althans

sliep en/of verdachte onverhoeds de [slachtoffer 4] heeft betast;

feit 5

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 september

2003 tot en met 25 september 2005 te Vlissingen, met [slachtoffer 5] geboren

26-09-1989, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

bestaande uit het pijpen van die [slachtoffer 5] en/of het betasten van de penis van die

[slachtoffer 5] en/of het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 5] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op het verzoek tot integrale vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft wel gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van vijf jongens. Vier van de vijf jongens waren nog minderjarig en een aantal van hen was aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwd. Het misbruik heeft gedurende lange tijd plaatsgevonden. Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van de jongens geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Ook in dit geval zijn daar aanwijzingen voor, gelet op de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

De slachtoffers waren destijds kwetsbare jongens, een aantal verstandelijk beperkt, ze hadden gedragsproblemen en ze ondervonden problemen op meerdere leefgebieden waardoor ze in contact waren gekomen met instellingen als Stichting Intervence en Juvent. Ze hadden een complexe en onveilige thuissituatie waardoor zij in hun ontwikkeling werden bedreigd. De situatie van een aantal van hen was daarbij nog eens extra complex doordat de hulpverlening door genoemde instellingen voor hen op dat moment niet de oplossing bleek. In die situatie heeft verdachte zich opgeworpen als hulpverlener en zijn huis voor hen open gesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat hij de jongens op verschillende leefgebieden zoals bijvoorbeeld scholing, werk en financiën ook tot steun is geweest. Hij heeft hun vertrouwen gewonnen en zij zijn hem in die ingewikkelde fase van hun leven als steun en toeverlaat gaan beschouwen. Hij had, mede door het grote leeftijdsverschil, overwicht, zij vertrouwden hem en werden in toenemende mate van hem afhankelijk. Het verwijt dat de rechtbank verdachte in het bijzonder maakt is dat hij door de bewezenverklaarde feiten op grove wijze misbruik heeft gemaakt van die vertrouwensrelatie. De jongeren hadden, gegeven de problematiek waarmee ze kampten, behoefte aan een veilige en vertrouwde omgeving. Verdachte wekte de indruk dat hij die kon bieden maar, zoals uit de bewezen verklaarde feiten blijkt, was dit in werkelijkheid anders. In dit kader merkt de rechtbank op dat op basis van verklaringen ook kan worden vastgesteld dat er regelmatig sprake is geweest van excessief drankgebruik door verdachte en de slachtoffers. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer zwaar aan, het vormt de kern van het verwijt aan verdachte en het bepaalt in overwegende mate de straf die de rechtbank passend en geboden acht.

De proceshouding van verdachte is straf verhogend aangezien verdachte in zijn verklaringen en ook ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en kennelijk geen oog heeft voor de impact en de gevolgen die zijn handelen op de slachtoffers heeft gehad. Zijn reactie ter zitting naar aanleiding van de slachtofferverklaringen heeft de rechtbank als hard ervaren.

De rechtbank slaat acht op de ouderdom van de feiten, het strafblad van verdachte en het multidisciplinair triple-onderzoek van 11 april 2016 dat over verdachte is opgemaakt. In de gezamenlijke forensische psychiatrische en psychologische beschouwing van J.L.M. Dinjes, psychiater en S. Labrijn, GZ-psycholoog, deel uitmakende van voornoemd rapport, wordt onder meer het volgende vermeld. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling. Er is ook geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Hij is een Einzelgänger. De identiteit imponeert als kwetsbaar en matig uitgerijpt en er is een narcistische afweer. Betrokkene beschrijft zichzelf meerdere malen als een zondagskind en benoemt vooral positieve karaktereigenschappen. Hij is gedreven en ambitieus en heeft grote moeite hierin zijn grenzen te bewaken. Hij benoemt het “helpen van anderen” als het mooiste wat er is en ontleent hieraan mede zijn identiteit. In het verleden vond hij dit vooral in zijn werk en later in de opvang van “zijn jongens”.

De rechtbank komt tot een mindere bewezenverklaring dan waar de officier van justitie bij zijn eis van is uitgegaan. De kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt leidt echter tot de conclusie dat de strafoplegging als door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is.

7 De benadeelde partijen

7.1

Ten aanzien van feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.400,00 ter zake van immateriële schade. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank acht het, gelet op de ingrijpende gevolgen die slachtoffers van zedenfeiten in het algemeen ervaren, aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, zodat zij grond ziet voor toewijzing van schadevergoeding in verband met deze schade. Zij gaat voorbij aan het betoog van de verdediging dat de benadeelde partij reeds problemen had voordat hij bij verdachte terechtkwam, nu de vordering is gestoeld op het leed dat de benadeelde partij heeft geleden door toedoen van verdachte. De hoogte van vordering komt de rechtbank niet buitensporig hoog voor. De vordering is voorts voldoende aannemelijk gemaakt en bovendien door de verdediging niet betwist, zodat deze integraal zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 14 november 2003.

7.2

Ten aanzien van feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 4.000,00 ter zake van immateriële schade. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank acht het, gelet op de ingrijpende gevolgen die slachtoffers van zedenfeiten in het algemeen ervaren, aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, zodat zij grond ziet voor toewijzing van schadevergoeding in verband met deze schade. Zij gaat voorbij aan het betoog van de verdediging dat de benadeelde partij reeds problemen had voordat hij bij verdachte terechtkwam, nu de vordering is gestoeld op het leed dat de benadeelde partij heeft geleden door toedoen van verdachte. De hoogte van vordering komt de rechtbank niet buitensporig hoog voor. De vordering is voorts voldoende aannemelijk gemaakt en bovendien door de verdediging niet betwist, zodat deze integraal zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 22 juni 2011.

7.3

Ten aanzien van feit 5

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert een schadevergoeding van € 3.000,00 ter zake van immateriële schade. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank acht het, gelet op de ingrijpende gevolgen die slachtoffers van zedenfeiten in het algemeen ervaren, aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden, zodat zij grond ziet voor toewijzing van schadevergoeding in verband met deze schade. Zij gaat voorbij aan het betoog van de verdediging dat de benadeelde partij reeds problemen had voordat hij bij verdachte terechtkwam, nu de vordering is gestoeld op het leed dat de benadeelde partij heeft geleden door toedoen van verdachte. De hoogte van vordering komt de rechtbank niet buitensporig hoog voor. De vordering is voorts voldoende aannemelijk gemaakt en bovendien door de verdediging niet betwist, zodat deze integraal zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 25 september 2005.

8 Het beslag

8.1

De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het voorwerp bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten in de woning van verdachte is aangetroffen, terwijl het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 57, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaand uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, én

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

feit 3: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

feit 4: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn onmacht verkeert ontuchtige handelingen plegen;

feit 5: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

* 1 stuk pistool, kleur: zwart, beslagnummer G1279360;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1) van

€ 4.400,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

14 november 2003 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] (feit 1), € 4.400,00 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 14 november 2003 tot aan de dag van algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 54 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) van

€ 4.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

22 juni 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] (feit 2), € 4.000,00 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 22 juni 2011 tot aan de dag van algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 50 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] (feit 5) van

€ 3.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

25 september 2005 tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 5] (feit 5), € 3.000,00 te betalen, en vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 25 september 2005 tot aan de dag van algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 40 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.J.C. van Spronssen en

mr. H.E. Goedegebuur, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Willeboordse, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 oktober 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt, tenzij anders vermeld, bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer wordt verwezen naar dossierpagina’s betreffen dit de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Politie Zeeland-West-Brabant, Divisie Recherche, Team Zeden, registratienummer proces-verbaalnummer 2013021197. Het verbatim verslag van het studioverhoor van [slachtoffer 1] van 11 april 2013, gevoegd achter het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 11 april 2013, pagina 76 en pagina 82, negenentwintigste tot en met drieëndertigste regel.

2 Het proces-verbaal van informatief gesprek zeden van 2 april 2013, pagina 53, eerste en negende alinea, en pagina 54, zevende alinea.

3 Het proces-verbaal van studioverhoor van [slachtoffer 1] van 23 oktober 2015, afgelegd in het bijzijn van de rechter-commissaris, pagina 44, zesendertigste regel, en pagina 45, eerste, tweede, vierde en zesde regel.

4 Het verbatim verslag van het studioverhoor van [slachtoffer 1] van 11 april 2013, gevoegd achter het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 11 april 2013, pagina 86, derde tot en met vijfde regel, en pagina 136, eerste tot en met vierde regel.

5 Het proces-verbaal van het studioverhoor van [slachtoffer 1] van 23 oktober 2015, afgelegd in het bijzijn van de rechter-commissaris, pagina 36, vierde regel.

6 Het proces-verbaal van informatief gesprek zeden van 2 april 2013, pagina 54, zesde alinea.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 17 februari 2014, pagina 357, zesde en zevende alinea, pagina 358, zesde alinea, en pagina 360, zevende alinea.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] van 16 april 2013, pagina 439, tweede en derde alinea, en pagina 440, zesde en zevende alinea.

9 Het proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2015, pagina 711, veertiende en negentiende gedachtestreepje.

10 Het proces-verbaal van informatief gesprek zeden van 30 maart 2013, pagina 192, pagina 194, vierde alinea, en pagina 198, zevende alinea.

11 Het verbatim verslag van het studioverhoor van [slachtoffer 2] van 25 september 2013, gevoegd achter het proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2013, pagina 273, eenenveertigste regel, pagina 274, negende, negentiende en twintigste regel, en pagina 310, zestiende, twintigste, zesentwintigste, zevenentwintigste, vijfendertigste, veertigste en eenenveertigste regel.

12 Het proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2015, pagina 712, negen en tiende gedachtestreepje.

13 Het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] van 25 februari 2015, pagina 400, dertiende alinea.

14 Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2013, pagina 18, bovenste foto.

15 De verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 11 oktober 2017.

16 Het proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2015, pagina 717, tweede alinea en pagina 723, achtste alinea.

17 Het proces-verbaal van informatief gesprek zeden van 18 november 2013, pagina 339, eerste tot en met vierde alinea en zevende alinea, en pagina 340, vierde en zesde alinea.

18 De verklaring van [slachtoffer 3] afgelegd bij de rechter-commissaris op 6 oktober 2015, pagina 3, tweede alinea.

19 Het proces-verbaal van informatief gesprek zeden van 18 november 2013, pagina 340, tiende alinea.

20 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 17 februari 2014, pagina 351, pagina 357, eerste, zesde en zevende alinea, en pagina 358, zesde alinea.

21 De verklaring van [slachtoffer 4] afgelegd bij de rechter-commissaris op 6 oktober 2015, pagina 6, vierde alinea.

22 De verklaring van [slachtoffer 5] afgelegd bij de rechter-commissaris op 6 oktober 2015, pagina 1, pagina 11, vijfde alinea.

23 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 22 januari 2015, pagina 375, derde, zevende, negende en dertiende alinea, en pagina 377, tweede en elfde alinea.