Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6823

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-10-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
BRE 17_1538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

publiceren ivm hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/1538 WIA

uitspraak van 24 oktober 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. C.F.A. Cadot,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 januari 2017 (A1) (bestreden besluit) van het UWV inzake een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 10 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar begeleidster [naam begeleidster 1] , en door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is werkzaam geweest als schoonmaakster. Voor dat werk is zij uitgevallen vanwege psychische klachten.

Het UWV heeft aan eiseres een WIA-uitkering toegekend met ingang van 2 januari 2015 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De arbeidsdeskundige kon geen functies vinden bij de belastbaarheid die de verzekeringsarts had vastgesteld.

Bij besluit van 24 mei 2016 (primair besluit 1) heeft het UWV beslist dat de loongerelateerde WGA-uitkering, die eindigt op 2 augustus 2016, per die datum wordt voortgezet als een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt omdat zij vindt dat de uitkering dient te worden omgezet in een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

Bij besluit van 5 oktober 2016 (primair besluit 2) heeft het UWV de WIA-uitkering beëindigd met ingang van 1 januari 2017.

Eiseres heeft ook hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

2. In geschil is of het UWV terecht heeft geweigerd om eiseres per 2 augustus 2016 in aanmerking te brengen voor een IVA-uitkering en of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd per 1 januari 2017.

3. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij op basis van haar beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren op arbeidskundige gronden volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Subsidiair stelt zij dat de geduide functies niet passend zijn. Eiseres voert over haar psychische klachten aan dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest. Bovendien zijn er in verband met deze klachten ten opzichte van de beoordeling van 4 november 2014 ten onrechte minder beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen, terwijl haar psychische problemen onveranderd zijn en inmiddels ook de diagnose ADHD is gesteld. Eiseres voert ook aan dat er in verband met de klachten aan het linkeroog ten onrechte geen beperking voor zien is aangenomen. Zij voert bovendien aan dat zij vanwege de linkerschouderklachten ook links beperkt moet worden geacht voor actief zijn boven schouderhoogte. Eiseres acht zichzelf links niet in staat om incidenteel 10 kg te tillen of dragen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres informatie overgelegd van haar begeleidster [naam begeleidster 2] .

4. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam in het eerste lid verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.

Ingevolge het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Ingevolge artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Van belang is dan ook:

- of eiseres medische beperkingen heeft en

- of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

5.1

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is verricht door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV.

De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur, waarbij eiseres lichamelijk en psychisch is onderzocht, en de arts heeft het dossier bestudeerd. Eiseres werd vergezeld door haar begeleidster [naam begeleidster 2] .

De verzekeringsarts heeft op 31 augustus 2016 gerapporteerd dat er vergeleken met november 2014 onveranderd sprake is van psychische klachten. Recent is een aanvullende diagnose gesteld. Het niveau van psychisch functioneren is vergelijkbaar met het niveau van november 2014. De verzekeringsarts acht eiseres echter niet beperkt voor het verdelen van de aandacht, herinneren, doelmatig en zelfstandig handelen. Zij is bovendien niet aangewezen op volledig voorgestructureerd werk, vaste en bekende werkwijzen en werk onder rechtstreeks toezicht. De verzekeringsarts baseert dit standpunt op de omstandigheid dat eiseres adequaat deelneemt aan het beoordelingsgesprek en op haar dagverhaal. De overige beperkingen in de FML van 4 november 2014 voor persoonlijk en sociaal functioneren en voor werktijden zijn onveranderd van toepassing. Omdat eiseres inmiddels ook lichamelijke klachten heeft, is zij aangewezen op schoudersparende werkzaamheden en een werkomgeving zonder blootstelling aan stof, rook gassen of dampen of extreme temperaturen. De verzekeringsarts verwacht op langere termijn verbetering van de belastbaarheid.

De verzekeringsarts heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiseres neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 september 2016. Daarop is vermeld dat de verwachte verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiseres ingebrachte informatie van de apotheek van 12 december 2016, bestudeerd. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres, vergezeld door de behandelend systeemtherapeute [naam systeemtherapeute] van de GGZWNB, gezien op de hoorzitting van 11 januari 2017 en haar aansluitend tijdens het spreekuur lichamelijk en psychisch onderzocht. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis genomen van de brief van 14 november 2016 van [naam systeemtherapeute] .

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid om medische redenen. Eiseres is zelfs minder beperkt dan in het verleden werden vastgesteld. Zij heeft adequaat deelgenomen aan het gesprek. De ernst en aard van de vastgestelde objectieve afwijkingen rechtvaardigen niet dat wordt aangenomen dat sprake is van een toestand van onvermogen om persoonlijk en sociaal te functioneren of dat sprake is van een ernstige aandoening die zou kunnen leiden tot het vaststellen van beperkingen van het persoonlijk functioneren in het dagelijks leven. De FML van 1 september 2016 dient te worden gewijzigd omdat eiseres vanwege de ADHD beperkt is voor langdurig concentreren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet gebleken dat de toestand van de rechterarm anders is en meer beperkt is dan die van de linkerarm. Er blijkt van enige afwijking en wat verminderd zien van het linkeroog, maar omdat eiseres met het rechteroog goed kan zien, wordt geen beperking voor zien vastgesteld. Verder moeten er enige toelichtingen in de FML worden gegeven conform de geldende instructie.

De gewijzigde belastbaarheid en beperkingen zijn neergelegd in de FML van 11 januari 2017. Daarop is vermeld dat de verwachte verbetering van de belastbaarheid redelijk tot goed is.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Beide verzekeringsartsen hebben het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte daarbij ook over recente gegevens van de apotheek en van de behandelaar [naam systeemtherapeute] . Beide verzekeringsartsen hebben eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook de ogen onderzocht. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben het dagverhaal bij eiseres uitgevraagd. De rechtbank voegt hieraan toe dat verzekeringsartsen voldoende deskundig worden geacht om tijdens het relatief korte tijdsbestek van een spreekuur of een hoorzitting met aansluitend een medisch onderzoek een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van een betrokkene en van diens beperkingen. De rechtbank ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat zij zich onvoldoende heeft kunnen uiten. Daarbij komt dat eiseres zowel bij de verzekeringsarts als bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep een begeleidster bij zich had. Voor zover die meenden dat eiseres zich bij de verzekeringsartsen onvoldoende kon uiten, had het op hun weg gelegen om het relaas van eiseres aan te vullen. Naar het oordeel van de rechtbank beschikten de verzekeringsartsen dan ook over een voldoende inzicht in de medische situatie van eiseres.

Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eiseres niet te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. De rechtbank stelt daarbij voorop dat volgens vaste rechtspraak de subjectieve beleving van een betrokkene van haar klachten niet beslissend is bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij haar zijn vast te stellen. Van belang zijn alleen de objectief vast te stellen beperkingen voor arbeid. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiseres gestelde klachten, waaronder de psychische – en schouderklachten en dat zij daaraan ook beperkingen hebben verbonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was ook bekend met de diagnose ADHD. Ook wist zij van de hoofdpijn- en oogklachten en dat eiseres daarvoor onder behandeling was bij een ortoptist.

De rechtbank is van oordeel dat het UWV zijn ten opzichte van november 2014 gewijzigde standpunt over de psychische klachten van eiseres en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen voldoende heeft onderbouwd. Daarbij is betrokken dat de verzekeringsarts rapporteert dat eiseres adequaat deelneemt aan het beoordelingsgesprek, dat uit het dagverhaal naar voren komt dat de zelfzorg normaal is, dat eiseres een rol in samenlevingsverband heeft en dat zij de zorg voor haar dochter voldoende op zich kan nemen. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep rapporteert dat eiseres adequaat heeft deelgenomen aan het gesprek. Eiseres heeft in beroep een verklaring overgelegd van 12 september 2017 van haar begeleidster [naam begeleidster 2] . Deze verklaring geeft de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met deze klachten heeft aangenomen omdat ze niet afkomstig is van een medicus. Bovendien komt de globale strekking ervan naar het oordeel van de rechtbank overeen met wat al bekend was bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voor zover met het inbrengen van de verklaring beoogd is te stellen dat het dagverhaal van eiseres anders zou moeten worden geïnterpreteerd dan beide verzekeringsartsen hebben gedaan, geldt het volgende. Onvoldoende is onderbouwd dat en waarom eiseres, zoals namens haar in beroep is aangevoerd, vanwege haar beperkingen haar relaas bij de beide (vrouwelijke) verzekeringsartsen onvoldoende heeft kunnen doen. Bovendien werd eiseres bij beide gelegenheden begeleid, zodat ook haar begeleiders dat relaas zo nodig hadden kunnen aanvullen. Tot slot geldt dat, voor zover het dagverhaal zoals dat uit de in beroep ingebrachte verklaring van [naam begeleidster 2] naar voren komt, al afwijkt van hetgeen de verzekeringsartsen al wisten eiseres zowel in bezwaar als in beroep geen medische informatie heeft ingebracht, die enige grond geeft voor het oordeel dat de verzekeringsartsen het dagverhaal mogelijk onjuist kwalificeren.

Eiseres heeft ook over de schouderklachten en hoofdpijn- en oogklachten geen informatie van een medicus overgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in verband met deze klachten heeft aangenomen.

Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank daarom uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 11 januari 2017.

6.1

Het arbeidskundig onderzoek is verricht door een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het UWV.

Rekening houdend met de FML van 11 januari 2017 heeft de arbeidsdeskundige een arbeidsmogelijkhedenlijst opgesteld met voor eiseres geschikte functies. Eiseres wordt in ieder geval geschikt geacht voor de functies van samensteller elektrotechnische apparatuur, wikkelaar (Sbc-code 267050), machinaal metaalbewerker |(excl. bankwerk) (Sbc-code 264122) en administratief medewerker (document scannen) (Sbc-code 315133). Volgens de arbeidsdeskundige is eiseres 6,31% arbeidsongeschikt. Dit leidt tot de arbeidsongeschiktheidsklasse minder dan 35%.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na eigen onderzoek geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid conform de vaststelling door de arbeidsdeskundige. 6,31% bedraagt.

6.2

De rechtbank heeft de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en heeft daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundigen hebben gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiseres in deze functies niet wordt overschreden. Daarom zal de rechtbank ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6.3

Op basis van de inkomsten die eiseres hiermee zou kunnen verwerven, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 6,31%. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om die conclusie onjuist te achten.

7. Uit het voorgaande volgt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 augustus 2016 en per 1 januari 2017 heeft vastgesteld op 6,31%. Dit betekent dat het UWV terecht per 2 augustus 2016 een IVA-uitkering heeft geweigerd omdat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, betekent dit ook dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft beëindigd per 1 januari 2017.

8. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.