Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6752

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
BRE 15_1473 16_4005
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen omgevingsvergunning eerste fase voor het veranderen van de werking van de inrichting ten behoeve van de bouw van drie nieuwe stallen voor de varkenshouderij aan de Bankenstraat 16 te Etten-Leur. Tevens rechtstreeks beroep tegen de regulier voorbereide omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting voor het bovengronds realiseren van de kadaverkoeling en door de aanleg van een kadaveraanbiedplaats. De rechtbank volgt de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (StAB) in het oordeel dat tonaal geluid kan optreden vanwege de achteruitrijsignalering van een vrachtwagen en vanwege het gebruik van een laadlift van een vrachtwagen en dat daarvoor een toeslag van 5 dB(A) op het langtijdgemiddeld deelgeluidniveau in rekening gebracht moet worden. Beroep gegrond. De vergunning voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting heeft geen zelfstandige betekenis maar bouwt voort op de omgevingsvergunning 1e fase en deelt daarom het lot van die vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5553
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 15/1473 WABO en 16/4005 WABO

uitspraak van 13 oktober 2017 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser1] , [naam eiser2] , [naam eiser3] , [naam eiser4], [naam eiser5] , [naam eiser6] , [naam eiser7] , [naam eiser8] , [naam eiser9] , [naam eiser10] , [naam eiser11] , [naam eiser12] , [naam eiser13] , allen te [woonplaats] , eisers,

gemachtigde: ing. J.B.M. Lauwerijssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen [naam derde partij] , te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: R.A. Snijders.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 27 januari 2015 (bestreden besluit) van het college inzake het verlenen van een omgevingsvergunning eerste fase aan [naam derde partij] voor het veranderen of het veranderen van de werking van de inrichting ten behoeve van de bouw van drie nieuwe stallen voor de door [naam derde partij] aan de [adres1] geëxploiteerde varkenshouderij.

Deze zaak heeft procedurenummer BRE 15/1473. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 oktober 2015. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat inmiddels een aanvraag was ingediend om een omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen van de varkenshouderij. Het betreft het verplaatsen van de kadaverkoeling en de aanleg van een kadaveraanbiedplaats.

Bij besluit van 2 november 2015 heeft het college, na het volgen van de reguliere voorbereidingsprocedure, de omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting verleend. Het onderzoek ter zitting is hervat op 12 mei 2016. Tijdens die zitting hebben partijen met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingestemd met rechtstreeks beroep tegen die vergunning. Daarvoor is een nieuwe beroepszaak is aangemaakt, waarin het bezwaarschrift van eisers van 7 december 2015 als beroepschrift geldt. Deze zaak heeft procedurenummer BRE 16/4005. Beide zaken zullen vanwege de samenhang verder gevoegd worden behandeld.

De rechtbank is na de behandeling van beide beroepen ter zitting van 12 mei 2016 tot de conclusie gekomen dat het onderzoek nog niet volledig is geweest. De rechtbank heeft vervolgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd en opgedragen en onderzoek te verrichten.

Op 27 september 2016 heeft de StAB schriftelijk verslag van het onderzoek uitgebracht. Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om op dit verslag te reageren. Derde partij heeft dat op 31 oktober 2016 gedaan, eisers op 21 november 2016 en het college op 23 november 2016.

Op 21 november 2016 heeft derde partij wederom een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het milieuneutraal veranderen van de varkenshouderij. Het betreft dit keer het verplaatsen van de kadaveraanbiedplaats naar de meest zuidelijke inrit.

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft het college, na het volgen van de reguliere voorbereidingsprocedure, de gevraagde omgevingsvergunning voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting verleend. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat het een besluit betreft als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb omdat het naar zijn mening een wijziging van de omgevingsvergunning van 2 november 2015 is (de eerste milieuneutrale verandering). Eisers hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend en zij hebben tevens beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 juli 2017 in Breda. Eisers zijn verschenen bij gemachtigden ing. J.B.M. Lauwerijssen, mr. R. van Elderik en R. Voorbraak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.N.T.M. van Hooijdonk, J. Merkx, ing. W. van Loon en mr. K. Vissers. Derde partij is gehoord bij monde van gemachtigde R.A.A. Snijders.

Op 1 september 2017 heeft de rechtbank de uitspraaktermijn met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Derde partij drijft een varkenshouderij op het adres [adres1] . Op 13 oktober 2011 heeft zij een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning eerste fase voor het veranderen of veranderen van de werking van de inrichting ten behoeve van het oprichten van drie nieuwe stallen. Het oprichten van de drie stallen leidt tot een uitbreiding van het aantal dieren in de inrichting, te weten een uitbreiding met 3.680 gespeende biggen, 160 kraamzeugen, 646 guste- en dragende zeugen, 2 dekberen en 44 vleesvarkens.

Voorafgaand aan de aanvraag heeft het college bij besluit van 9 november 2010 vastgesteld dat geen milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden gemaakt.

Tussen 8 maart 2012 en 19 april 2012 heeft een ontwerpbesluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning ter inzage gelegen, waarbij een ieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van die gelegenheid is gebruik gemaakt en naar aanleiding daarvan is door derde partij een nieuw akoestisch onderzoek verricht, waarna de aanvraag en de geluidsvoorschriften zijn gewijzigd.

Op 11 oktober 2012 heeft het college een tweede ontwerpbesluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning ter inzage gelegd. Een aantal eisers heeft tegen dat ontwerpbesluit zienswijzen kenbaar gemaakt.

Vervolgens heeft het college bij besluit van 16 april 2013 een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘veranderen of veranderen van de werking van de inrichting’ verleend.

Eisers, met uitzondering van [naam eiser3] , [naam eiser6] , [naam eiser9] , hebben tegen het besluit van 16 april 2013 beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het beroep is bekend onder zaaknummers BRE 13/2857 WABOM en BRE 13/2966 WABOM.

Bij uitspraak van 10 maart 2014 heeft de rechtbank het beroep van eisers [naam eiser7] en

[naam eiser4] niet ontvankelijk verklaard. Het beroep is voor het overige ontvankelijk en gegrond verklaard. Het besluit van 16 april 2013 is vernietigd en de rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.

Bij het thans bestreden besluit inzake 15/1473 WABO heeft het college opnieuw beslist op de aanvraag en wederom een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘veranderen of veranderen van de werking van de inrichting’ verleend.

Bij het bestreden besluit inzake 16/4005 WABO van 2 november 2015 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting voor wat betreft het verplaatsen van de kadaverkoeling en de aanleg van een kadaveraanbied-plaats.

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting voor wat betreft het verplaatsen van de kadaveraanbiedplaats naar de meest zuidelijke inrit.

Het beroep inzake BRE 15/1473

2.1

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2

Eisers [naam eiser3] , [naam eiser4] , [naam eiser6] , [naam eiser9] en [naam eiser7] hebben tijdens de terinzagelegging van het, aan het bestreden besluit ten grondslag liggende, ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren gebracht. Aangezien zij niet hebben aangetoond dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, zullen hun beroepen niet-ontvankelijk verklaard worden.

3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de aanvraag buiten behandeling had moeten worden gelaten en dat het bestreden besluit niet mocht worden gebaseerd op het besluit van 9 november 2010, inhoudende dat geen MER hoeft te worden gemaakt. Verder hebben eisers enkele beroepsgronden geformuleerd met betrekking tot de verrichtte akoestische onderzoeken en de aan het bestreden besluit verbonden geluidsvoorschriften. Voorts zal volgens eisers geen omgevingsvergunning kunnen worden verleend voor het ondergronds realiseren van de kadaverkoeling. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, te meer nu de overwegingen van het eerdere, door de rechtbank vernietigde besluit, in het bestreden besluit zijn overgenomen, aldus eisers.

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, sub e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) – voor zover relevant – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

1. het oprichten,

2. het veranderen of veranderen van de werking, of

3. het in werking hebben

van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo wordt op verzoek van de aanvrager een omgevingsvergunning in twee fasen verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de door de aanvrager aan te geven activiteiten.

De gronden voor weigering van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo staan opgesomd in artikel 2.14 van die wet.

In artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo is – voor zover hier van belang – bepaald dat, voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° of 3°, en met betrekking tot die inrichting al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, het bevoegd gezag kan bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting na die verandering.

5.1

Artikel 3:18, tweede lid, van de Wabo, bepaalt dat, indien de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet niet is ingediend binnen zes weken na het tijdstip waarop de aanvraag om de omgevingsvergunning (…) is ingediend, wordt de aanvraag om de omgevingsvergunning buiten behandeling gelaten.

5.2

Met betrekking tot het betoog van eisers dat de aanvraag voor de in geding zijnde vergunning buiten behandeling moet worden gelaten omdat er geen aanvraag om vergunning op grond van de Waterwet is gedaan, volgt de rechtbank de uiteenzetting van de StAB dat in het onderhavige geval geen vergunningplicht geldt. De aanvraag voor de inrichting ziet niet op het lozen van afvalwater op de riolering. Er wordt alleen hemelwater opgevangen in een retentiebekken en dit is ingevolge de Algemene regels bij de keur van het Waterschap Brabantse Delta niet vergunningplichtig. De rechtbank vindt voorts steun voor deze visie in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:164. Deze grief van eisers faalt derhalve.

6.1

Eisers hebben betoogd dat het besluit van 9 november 2010, dat geen MER hoeft te worden gemaakt, verouderd is en niet meer aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd.

6.2

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat eisers deze grond ook hebben aangevoerd in de procedure tegen de eerder in 2013 verleende omgevingsvergunning. Deze grond is bij de in rechtsoverweging 1 genoemde uitspraak van de rechtbank van 10 maart 2014 verworpen. De rechtbank overwoog toen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de ten opzichte van de aanmeldnotitie doorgevoerde wijzigingen dusdanig zijn dat de milieueffecten hierdoor (nadelig) beïnvloed worden. Verweerder heeft de doorgevoerde wijzigingen in de bedrijfsvoering dan ook niet hoeven beschouwen als relevante wijzigingen op grond waarvan een nieuwe beoordeling had moeten plaatsvinden. Eisers hebben in de onderhavige procedure geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de rechtbank nu tot een andere uitkomst zou moeten komen. Deze grief van eisers faalt derhalve.

7. De stelling van eisers dat ten onrechte geen voorschrift ter beperking van de geurhinder uit de brijvoerkeuken is opgenomen, miskent dat in de inrichting geen brijvoer wordt gebruikt. Aangevraagd en vergund is het mengen van droogvoer (krachtvoer en graanvoer). Het vermengen van droogvoer met water (brijvoer) is niet aangevraagd en ook niet vergund.

8.1

Eisers hebben, onder verwijzing naar de reactie van [naam adviesbureau] (hierna: [naam adviesbureau] ), aangevoerd dat de toeslag voor tonaliteit van 5 dB(A) in het aan de vergunning ten grondslag gelegde akoestisch rapport, niet juist is toegepast.

8.2

De StAB heeft aangegeven dat bij de onderhavige inrichting tonaal geluid kan optreden vanwege de achteruitrijsignalering van een vrachtwagen en vanwege het gebruik van een laadlift van een vrachtwagen (accuhefmotor). Volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai uit 1999 (HMRI 1999) moet voor dergelijk tonaal geluid een toeslag van 5 dB(A) op het langtijdgemiddeld deelgeluidniveau in rekening gebracht worden. In het akoestisch rapport zijn voor het tonaal geluid van de achteruitrijsignalering en het gebruik van de laadklep de bronniveaus van de achteruitrijdende vrachtwagens en van de laadklep met 5 dB(A) opgehoogd. Toepassing van de toeslag op het langtijdgemiddeld deelgeluidniveau van de gehele inrichting leidt tot hogere geluidsniveaus bij de nabijgelegen woningen en een nieuwe berekening moet uitwijzen of bij een juiste berekening van de toeslag nog aan de vergunde grenswaarden kan worden voldaan, aldus de StAB.

8.3

De rechtbank ziet geen reden om deze conclusie van de StAB niet over te nemen. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eisers slaagt en dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging. De rechtbank overweegt voorts dat de door de StAB bedoelde nieuwe berekening inmiddels door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) is uitgevoerd, waarbij ook de twee milieuneutrale wijzigingen zijn meegenomen. Volgens de namens verweerder optredende OMWB blijkt uit de rekenresultaten dat voldaan kan worden aan de geluidsvoorschriften uit de vergunning. De rechtbank zal deze nieuwe gegevens echter niet betrekken bij de vraag of zelf in de zaak kan worden voorzien. Zoals hierna zal blijken komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de beide milieuneutrale wijzigingen en daarnaast hebben eisers nog niet kunnen reageren op de nieuwe berekening van de OMWB. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de akoestische gebreken die kleven aan het bestreden besluit alleen hersteld worden door het indienen van een gewijzigde aanvraag om omgevingsvergunning 1e fase waarin alle wijzigingen zijn doorgevoerd.

9.1

Eisers hebben met betrekking tot de berekening van de indirecte hinder aangevoerd dat in het akoestisch rapport is uitgegaan van een te laag bronvermogen. Volgens eisers had daarbij namelijk in plaats van 103 dB(A) moeten worden uitgegaan van 107 dB(A).

9.2

De StAB is met eisers van oordeel dat de indirecte hinder vanwege het komen en gaan van voertuigen in de nabijheid van de inrichting niet juist is berekend. Maar de StAB komt vervolgens tot de conclusie dat een meer realistische verhoging van het bronniveau van een vrachtwagen van 103 naar 107 dB(A) naar verwachting niet zal leiden tot overschrijding van de richtwaarde van 50 dB(A).

9.3

De rechtbank volgt deze conclusie van de StAB en zal dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

Het beroep inzake BRE 16/4005

10. Deze vergunning van 2 november 2015 ziet op het milieuneutraal veranderen van de inrichting door het bovengronds realiseren van de kadaverkoeling en door de aanleg van een kadaveraanbiedplaats. Deze vergunning heeft geen zelfstandige betekenis maar bouwt voort op de omgevingsvergunning 1e fase d.d. 27 januari 2015 (het bestreden besluit inzake 15/1473). De beoordeling van de rechtmatigheid van deze wijziging hangt derhalve af van de rechtmatigheid van die omgevingsvergunning. Aangezien, zoals hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 8.3, die vergunning vernietigd zal worden en deze (eerste) milieuneutrale wijziging het daar geconstateerde gebrek niet opheft, zal de rechtbank ook het beroep inzake 16/4005 gegrond verklaren.

Het beroep inzake de 2e milieuneutrale wijziging

11.1

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft verweerder omgevingsvergunning verleend voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting voor wat betreft het verplaatsen van de kadaveraanbiedplaats naar de meest zuidelijke inrit.

11.2

Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 2 februari 2017 géén besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. Uit dit besluit blijkt niet dat verweerder heeft beoogd het bestreden besluit inzake BRE 16/4005 in te trekken, te wijzigen of aan te vullen. Verweerder heeft geen gewijzigde vergunning ervoor in de plaats gesteld. De rechtbank zal daarom het beroepschrift doorzenden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

12. Nu de beroepen gegrond worden verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed. Aangezien het griffierecht in de samenhangende zaak 16/4005 op € 0,-- is gesteld betreft dit een bedrag van € 167,--.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.480,--. Dit betreft tweemaal 1 punt voor het indienen van de beide beroepschriften en driemaal 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 8 oktober 2015, 12 mei 2016 en 11 juli 2017, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1.

Daarnaast komen de door eisers genoemde kosten voor de adviezen en rapporten van [naam adviesbureau] , zoals gespecificeerd in de facturen bij het op 4 juli 2017 ontvangen proceskostenformulier, voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 8.281,37.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen van eisers [naam eiser3] , [naam eiser4] , [naam eiser6] , [naam eiser9] en [naam eiser7] niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen van de overige eisers gegrond en vernietigd het bestreden besluit inzake 15/1473 en het (eerste) milieuneutrale wijzigingsbesluit inzake 16/4005;

  • -

    bepaalt dat het beroepschrift inzake de (tweede) milieuneutrale wijziging d.d. 2 februari 2017 wordt doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,-- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 10.761,37.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en mr. P.H.J.G. Römers, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.

De voorzitter is buiten staat om deze uitspraak te ondertekenen

P.H.M. Verdonschot, griffier

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.