Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6656

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
AWB 17_314
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Besluit externe veiligheid inrichtingen. Regeling externe veiligheid inrichtingen. Bestreden besluit betreft de weigering van het college een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van een inrichting gelet op de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor het aspect externe veiligheid. De rechtbank komt tot de conclusie dat de 10-6 risicocontour in de nieuwe situatie met de aangevraagde activiteit niet groter wordt en niet verder komt te vallen over een bedrijfshal aan de westzijde van de inrichting. Het college heeft dit dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd aan de weigering om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Gelet hierop kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/314 WABOM

uitspraak van 10 oktober 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 november 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de weigering aan haar een omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter behandeling als beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 september 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon1] en [naam persoon2] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon3] en [naam persoon4] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres exploiteert een transportbedrijf voor de op- en overslag van gevaarlijke en niet gevaarlijke stoffen op het perceel aan [adres1] . Op het bedrijfsterrein van het transportbedrijf is onder meer een opslagloods aanwezig, die onder de werking van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 (PGS 15) valt.

Voor het transportbedrijf heeft het college bij besluit van 2 oktober 2008 een revisie-vergunning verleend. In de revisievergunning is voor wat betreft het aspect externe veiligheid op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uitgegaan van de door Save opgestelde kwantitatieve risicoanalyse daterend van 6 december 2007 (QRA-1). Op grond van deze QRA-1 en de daarin berekende 10-6 risicocontour (2007‑risicocontour) is door het college in de revisievergunning geconcludeerd dat de risicocontour tot buiten de inrichtingsgrenzen reikt en dat zich daarbinnen geen kwetsbare objecten bevinden. Wel bevindt zich binnen de risicocontour een aantal bedrijfspanden die volgens het college moeten worden aangemerkt als beperkt kwetsbare objecten, waarbij niet wordt voldaan aan de op grond van het Bevi geldende richtwaarde. Het college ziet echter gewichtige redenen om af te wijken van de richtwaarde voor deze beperkt kwetsbare objecten binnen de risicocontour, nu voor de inrichting al eerder een milieuvergunning is verleend en het een bestaande inrichting met vergunde rechten betreft.

Ten behoeve van het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is voor het transportbedrijf door Save een nieuwe kwantitatieve risicoanalyse opgesteld daterend van 23 juni 2011 (QRA-2). In deze QRA-2 is een nieuwe 10-6 risicocontour (2011-risicocontour) berekend, die groter is dan de 2007‑risicocontour.

Op 6 juni 2013 heeft eiseres een omgevingsvergunning aangevraagd voor het parkeren van maximaal 4 tankwagens met maximaal 49,9 ton sterk gekoeld vloeibaar methaan (LBG) op het parkeerterrein aan de overzijde van het perceel aan [adres1] . De aanvraag ziet op de activiteit ‘het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting’. Ter onderbouwing van het aspect externe veiligheid is door eiseres een door BMD Advies Zuid-Nederland opgestelde kwantitatieve risicoanalyse aangeleverd gedateerd 30 mei 2013.

Bij brief van 30 januari 2015 heeft eiseres de aanvraag omgevingsvergunning gewijzigd. Daarbij is de aangevraagde maximaal aanwezige hoeveelheid LBG in de tankwagens gewijzigd van 49,9 ton naar 44,4 ton. Daarnaast verzoekt eiseres om de maximaal reeds vergunde opslag van oxiderende stoffen te wijzigen van 49,9 ton naar 5 ton. Daarmee blijft de gezamenlijke maximale hoeveelheid opslag van gevaarlijke stoffen binnen de inrichting onder de 50 ton.

Bij brief van 5 februari 2015 heeft het college aan eiseres medegedeeld dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om de aanvraag te beoordelen. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres op 1 juli 2015 een gewijzigde kwantitatieve risicoanalyse ingediend gedateerd 17 juni 2015 (QRA-3). Eiseres heeft eveneens een gewijzigde situatietekening ingediend.

Bij brief van 1 september 2015 heeft het college aan eiseres medegedeeld dat de gedane aanvullingen van de aanvraag niet afdoende zijn om te kunnen beoordelen of de aangevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres bij brief van 13 oktober 2015 de aanvraag nader aangevuld.

Bij brief van 2 december 2015 heeft het college aan eiseres medegedeeld dat de ingediende gegevens voldoende worden geacht en de aanvraag daarom per 15 oktober 2015 in behandeling wordt genomen.

Op 8 juli 2016 is door het college een ontwerpbesluit met bijbehorende stukken ter inzage gelegd, inhoudende dat het college voornemens is de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Daartegen is door eiseres een zienswijze naar voren gebracht.

Bij het bestreden besluit heeft het college geweigerd de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen gelet op de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor het aspect externe veiligheid.

Gronden

2.
Eiseres voert, samengevat, aan dat het college ten onrechte heeft geweigerd de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Allereerst stelt eiseres dat het college zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat de 10-6 risicocontour als gevolg van de aangevraagde activiteit wordt vergroot, nu het college voor de bepaling van de 10-6 risicocontour van de huidige situatie ten onrechte uitgaat van de bij QRA-2 berekende 2011-risicocontour. Volgens eiseres moet het transportbedrijf worden aangemerkt als een categoriale inrichting, als gevolg waarvan voor de bepaling van de risicocontour de in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) genoemde afstand van 85 meter moet worden aangehouden en het plaatsgebonden risico niet middels een QRA mag worden berekend. Volgens eiseres blijkt uit de door haar aangeleverde QRA-3 dat de 10-6 risicocontour inclusief de aangevraagde activiteit is gelegen binnen de op grond van de Revi geldende 85-metercontour rondom de PGS 15-opslagloods en overigens ook binnen de bij de revisievergunning in QRA-1 berekende 2007-risicocontour. Nu volgens eiseres de 10‑6 risicocontour niet wordt vergroot en daarom niet over nieuwe al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten komt te liggen stelt eiseres dat de aangevraagde activiteit geen gevolgen heeft voor het aspect externe veiligheid. Gelet hierop bestaat volgens eiseres voor het college geen grond om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Subsidiair stelt eiseres dat in het geval wel moet worden uitgegaan van de 2011-risicocontour evenmin aanleiding bestaat om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Zo blijkt volgens eiseres uit de QRA-2 en de QRA-3 dat de 2011‑risicocontour is gelegen over bedrijfs-bebouwing aan de westzijde van het transportbedrijf en dit in de nieuwe situatie met de aangevraagde activiteit niet wijzigt. Wel komt de risicocontour in de nieuwe situatie te liggen over een terrein aan de zuidzijde van het transportbedrijf. Eiseres stelt dat deze gronden echter in zijn geheel niet mogen worden bebouwd, waardoor geen sprake is van geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten.

Wettelijk kader

3.1

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting.

Het toetsingskader voor een aanvraag omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is opgenomen in artikel 2.14 van die wet. Het eerste lid van dit artikel – voor zover hier van belang – bepaalt dat:

het bevoegd gezag bij de beslissing in ieder geval rekening houdt met:

3. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer;

het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht neemt:

2. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

3.2

Het Bevi bevat milieukwaliteiteisen voor de externe veiligheid van inrichtingen als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, en artikel 5.2 van de Wet milieubeheer.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bevi is het besluit van toepassing op de besluiten bedoeld in artikel 4, eerste lid tot en met vierde lid, met betrekking tot een inrichting waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, of verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kilogram per opslagvoorziening, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d, indien:

  1. brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of

  2. binnen een opslagvoorziening zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, broom-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen.

Op grond van artikel 4, derde lid, van het Bevi neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, indien de aanvraag betrekking heeft op een verandering die nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico, de grenswaarden, genoemd in artikel 7, eerste lid, in acht.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het derde lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een verandering die nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico, rekening houdt met de richtwaarde, genoemd in artikel 7, tweede lid.

Het vijfde lid, aanhef en onder b, van dit artikel bepaalt dat het bevoegd gezag bij de beslissing op een aanvraag, in afwijking van het eerste en derde lid, de bij regeling van Onze Minister vastgestelde afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten in acht neemt en bij die beslissing, in afwijking van het tweede en vierde lid, rekening houdt met de bij die regeling vastgestelde afstanden tot al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten, indien die aanvraag betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, indien:

  1. tot de inrichting geen opslagvoorziening voor de opslag van stoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, behoort met een oppervlak van meer dan 2.500 m2, en

  2. geen verpakkingseenheden van meer dan 100 kg met gevaarlijke stoffen of preparaten die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten zijn ingedeeld als zeer vergiftig, of gevaarlijke stoffen van ADR klasse 6.1, verpakkingsgroep I, in de open lucht worden gelost en geladen.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Bevi is de grenswaarde, bedoeld in artikel 4, derde lid, voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten 10–6 per jaar.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de richtwaarde, bedoeld in artikel 4, vierde lid, voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten 10–6 per jaar is.

3.3

De in het Bevi bedoelde ministeriële regeling betreft de Revi.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Revi wordt onder categoriale inrichting verstaan: inrichting als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdelen a tot en met d, van het besluit.

In paragraaf 2 van de Revi zijn afstanden opgenomen voor categorale inrichtingen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Revi zijn de afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, bedoeld in de artikelen 4, vijfde lid, van het besluit, de afstanden die zijn vermeld in of volgen uit: bijlage 1, tabel 3, indien het risico wordt veroorzaakt door een inrichting waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen, worden opgeslagen als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit.

In tabel 3 van bijlage I van de Revi zijn voor PGS 15-inrichtingen afstanden in meters opgenomen tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde 10–6 per jaar, onderscheidenlijk de richtwaarde 10–6 per jaar. Uit deze tabel volgt dat in het geval van een opslagvoorziening met een oppervlakte van 1.500 tot 2.500 m² met een bestrijdingssysteem/beschermingsniveau 3 volgens PGS-15 en een stikstofcategorie van minder dan 5% een afstand van 85 meter geldt.

Inhoudelijke beoordeling

4. Ter beoordeling aan de rechtbank ligt de vraag voor of het bestreden besluit, waarbij aan eiseres de aangevraagde omgevingsvergunning is geweigerd, in stand kan blijven.

Bij deze beoordeling is allereerst van belang dat het transportbedrijf van eiseres op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) moet worden aangemerkt als een vergunningplichtige inrichting. Er is namelijk sprake van een inrichting waarop het Bevi van toepassing is, als bedoeld in onderdeel B van bijlage I van het Bor. Het gaat immers om een inrichting waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte gevaarlijke stoffen worden opgeslagen met stikstofhoudende verbindingen in een hoeveelheid van meer dan 10.000 kilogram per opslagvoorziening, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bevi.

Het voorgaande betekent dat voor de aangevraagde verandering van de inrichting, bestaande uit het realiseren van een parkeervoorziening voor tankwagens met maximaal 44,9 ton LBG, een omgevingsvergunning is benodigd als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Het toetsingskader voor deze activiteit is opgenomen in artikel 2.14 van de Wabo. Uit dit artikel volgt onder meer dat het college bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de grenswaarden van het Bevi in acht dient te nemen en met de richtwaarden uit het Bevi rekening dient te houden. Dit volgt eveneens uit artikel 4, derde lid en vierde lid, van het Bevi. Daarin is bepaald dat indien de aanvraag betrekking heeft op een verandering die nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico de grenswaarde, genoemd in genoemd in artikel 7, eerste lid, in acht moet worden genomen en met de richtwaarde, genoemd in artikel 7, tweede lid, rekening moet worden gehouden. Uit artikel 7, eerste en tweede lid, van het Bevi volgt dat de grenswaarde voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten 10–6 per jaar is en de richtwaarde voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten 10–6 per jaar is.

5. Uit het bestreden besluit blijkt niet eenduidig wat de grondslag is voor de weigering van het college om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Dit is onder meer het gevolg van het gegeven dat op het voorblad van het bestreden besluit is vermeld dat de weigering is gebaseerd op artikel 2.14 van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, derde lid, en artikel 7 van het Bevi. Dit zou dus betekenen dat de weigering het gevolg is van overschrijding van de grenswaarde van 10–6 per jaar voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten. Bij nadere lezing van het bestreden besluit blijkt echter dat het college zich – overigens in tegenstelling tot in het ontwerpbesluit – op het standpunt stelt dat er feitelijk geen kwetsbare objecten aanwezig zijn binnen de 10-6 risicocontour en dat op grond van ter plaatse geldende beheersverordening “Tichelrijt” ook niet gesproken kan worden van geprojecteerde kwetsbare objecten binnen de vastgestelde 10-6 risicocontour, hetgeen ter zitting ook door het college is bevestigd. Dit betekent dat in het bestreden besluit ten onrechte is vermeld dat de weigering is gebaseerd op artikel 2.14 van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, derde lid, en artikel 7 van het Bevi.

Uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat het college feitelijk aan de weigering ten grondslag heeft gelegd artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder b, onder 3, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 4, vierde lid, en artikel 7, tweede lid, van het Bevi. Volgens het college blijkt uit de QRA-3 dat de 10-6 risicocontour in de nieuwe situatie met de aangevraagde activiteit groter wordt dan de 10-6 risicocontour in de huidige, vergunde situatie, waarbij het college is uitgegaan van de 2011‑risicocontour. Als gevolg hiervan komt de 10-6 risicocontour verder te vallen over een bedrijfshal aan de westzijde van de inrichting van eiseres, die moet worden aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Volgens het college is het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid, zoals vastgelegd in de Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Dongen, er op gericht om geen beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour toe te staan. Nu er geen aantoonbare gewichtige redenen aanwezig zijn om de 10-6 risicocontour verder over de bedrijfshal aan de westzijde van de inrichting te laten vallen, is het college niet bereid om verder af te wijken van de richtwaarde, zoals opgenomen in artikel 7, tweede lid, van het Bevi.

6. Tussen partijen is met name in geschil of het college in het bestreden besluit terecht de 2011-risicocontour als uitgangspunt heeft gehanteerd voor het bepalen van de 10-6 risicocontour van de inrichting in de huidige, vergunde situatie.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt is van belang dat uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de inrichting ten tijde van het verlenen van de revisievergunning in oktober 2008 op grond van het destijds geldende Bevi en de destijds geldende Revi niet als categoriale inrichting kon worden aangemerkt. Dit betekent dat de 10‑6 risicocontour (2007-risicocontour) destijds terecht is berekend aan de hand van een kwalitatieve risicoanalyse in de QRA-1. Uit het Bevi en de Revi volgt namelijk dat in het geval geen sprake is van een categoriale inrichting het plaatsgebonden risico moet worden berekend aan de hand van een kwalitatieve risicoanalyse. In het geval sprake is van een categoriale inrichting gelden in beginsel de in de Revi opgenomen afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, waarbij wordt voldaan aan de grenswaarde en de richtwaarde 10-6 per jaar. Daarnaast blijkt uit het verhandelde ter zitting dat niet meer in geschil is dat als gevolg van de wijzigingen van het Bevi en de Revi in 2008, die in werking zijn getreden na het verlenen van de revisievergunning, de inrichting vanaf dat moment en ook in de huidige, vergunde situatie – exclusief de aangevraagde activiteit – als categoriale inrichting moet worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onderdeel b, van het Bevi in samenhang gelezen met artikel 1, aanhef en onder c, van de Revi. Bovendien blijkt uit het verhandelde ter zitting dat evenmin nog in geschil is dat de inrichting met de aangevraagde activiteit niet meer kan worden aangemerkt als categoriale inrichting. Dit betekent dat de 10‑6 risicocontour in de nieuwe situatie terecht is berekend aan de hand van een kwalitatieve risicoanalyse in de QRA-3.

7. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college in het bestreden besluit ten onrechte de 2011-risicocontour als uitgangspunt heeft gehanteerd voor het bepalen van de 10-6 risicocontour van de inrichting in de huidige, vergunde situatie. Daarbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat de 2011-risicocontour, zoals volgt uit de QRA-2, geen door het college vastgestelde 10-6 risicocontour betreft. Zo heeft het college de 2011-risicocontour niet aan de voor de inrichting geldende revisievergunning verbonden. Dat eiseres in de haar aangeleverde QRA‑3 zelf voor het bepalen van de 10-6 risicocontour in de huidige, vergunde situatie eveneens uitgaat van de 2011‑risicocontour leidt in deze niet tot een ander oordeel. Voorts acht de rechtbank van belang dat de inrichting ten tijde van het opstellen van QRA-2 reeds moest worden aangemerkt als een categoriale inrichting. Als gevolg hiervan was het op dat moment niet toegestaan om de 10‑6 risicocontour te berekenen middels een kwalitatieve risicoanalyse. Er diende op dat moment voor het bepalen van de 10‑6 risicocontour van de artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met tabel 3 van bijlage I van de Revi genoemde afstand van 85 meter te worden uitgegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank had het college voor het bepalen van de 10-6 risicocontour van de inrichting in de huidige, vergunde situatie moeten uitgaan van de aan de geldende revisievergunning verbonden 2007-risicocontour, zoals opgenomen in QRA-1. De rechtbank volgt eiseres dus niet in de stelling dat voor het bepalen van de 10‑6 risicocontour op grond van de Revi geldende afstand van 85 meter moet worden uitgegaan. Er dient voor het bepalen van de 10‑6 risicocontour pas van deze afstand te worden uitgegaan op het moment dat dit uitgangspunt wordt verbonden aan de geldende revisievergunning.

Vergelijking van de 10‑6 risicocontour van de inrichting in de huidige, vergunde situatie (2007-risiocontour) met de 10‑6 risicocontour van de inrichting in de nieuwe situatie met de aangevraagde activiteit, zoals opgenomen in QRA-3, leidt de rechtbank, anders dan het college in het bestreden besluit, tot de conclusie dat de 10-6 risicocontour niet groter wordt en niet verder komt te vallen over een bedrijfshal aan de westzijde van de inrichting van eiseres. Het college heeft dit dan ook ten onrechte ten grondslag gelegd aan de weigering om de aangevraagde omgevingsvergunning aan eiseres te verlenen. Gelet hierop kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

Conclusie

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep van eiseres gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het is namelijk op dit moment niet te voorzien of het college naar aanleiding van hetgeen in deze uitspraak is overwogen de weigering om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen onder verbetering van de motivering al dan niet wenst te handhaven. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Zo is de rechtbank niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en heeft eiseres geen formulier proceskosten ingediend.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. P.J. de Putter, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.