Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6372

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
BRE 17_3149
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2018:1599, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft plaatsings-/aanwijzingsbesluit LFNP. Eisers verwijzing naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd geeft de rechtbank geen aanleiding de bezwaargronden als beroepsgronden te beoordelen, nu de korpschef de bezwaargronden gemotiveerd heeft weerlegd en nu eiser niet concreet heeft aangewezen welke bezwaargronden niet, onvolledig of onjuist zijn weerlegd. De wijze van ondertekening van het registratieformulier van de Commissie Functievergelijking doet er niet aan twijfelen dat het advies de opvatting van de Commissie weergeeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/3149 AW

uitspraak van 4 oktober 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. W.J. Dammingh,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 maart 2017 (bestreden besluit) van de korpschef inzake een plaatsings-/aanwijzingsbesluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J. Mathura en mr. F.A.M. Bot.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was voorheen werkzaam in de korpsfunctie Coördinator Afdeling Uitzetting, Toezicht en VRIS (UTV). In het kader van de overgang naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) heeft de korpschef bij het overgangsbesluit LFNP van 16 december 2013 aan eiser per 1 januari 2012 de LFNP-functie Senior Tactische Opsporing, Vreemdelingen, toegekend. De functie is gewaardeerd op schaal 8. Na 31 december 2011 heeft er geen formele wijziging plaatsgevonden. Het besluit van 16 december 2013 is in rechte komen vast te staan.

Op 23 september 2014 heeft de Commissie Functievergelijking Personele Reorganisatie advies uitgebracht en geconcludeerd dat voor de functie van Coördinator UTV voldoende aansluiting wordt gevonden bij de LFNP-functie Senior GGP.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef vastgesteld dat voor eiser als oorspronkelijke functie geldt de LFNP-functie waarin hij op dat moment is aangesteld, de functie Senior Tactische Opsporing, Vreemdelingen. Die functie is gewaardeerd op schaal 8. Na ongegrondverklaring van eisers bezwaar tegen het besluit van 1 december 2015 is dat besluit in rechte komen vast te staan.

Bij brief van eveneens 1 december 2015 heeft de korpschef, overeenkomstig een advies van 2 november 2015 van de Plaatsingsadviescommissie, eiser het voornemen meegedeeld hem als functievolger te plaatsen in de functie Senior GGP, Vreemdelingen (ggp) in de formatie van de eenheid Rotterdam, dienst Regionale Recherche, Vreemdelingenpolitie, Handhaving en Toezicht. Overwogen is dat eiser op 1 januari 2012 werkzaam was in het taakgebied Handhaving en Toezicht Vreemdelingenpolitie, dat dit taakgebied terugkeert in die eenheid, terwijl eisers generieke LFNP-functie, Senior Tactische Opsporing, niet voorkomt in de formatie van dat team. De werkzaamheden, vastgesteld in de uitgangspositie voor overgang naar het LFNP, zijn vergelijkbaar of uitwisselbaar met die van de Senior GGP in dat team.

Eiser heeft de korpschef verzocht af te zien van het voorgenomen besluit en hij heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid zijn bedenkingen mondeling toe te lichten.

Naar aanleiding van eisers bedenkingen heeft de Plaatsingsadviescommissie op 15 april 2016 advies uitgebracht.

Bij besluit van 10 juni 2016 (primair besluit) heeft de korpschef eiser geplaatst overeenkomstig het voornemen, met ingang van 1 juli 2016.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij wil worden geplaatst in de functie van Operationeel Expert, Vreemdelingen.

Bij het bestreden besluit heeft de korpschef het bezwaar tegen het primaire besluit, overeenkomstig het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM kamer PREO, ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep verwezen naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Ter zitting heeft hij desgevraagd verklaard dat de korpschef niet op de bezwaargronden heeft gereageerd.

In aanvulling daarop heeft hij, samengevat, aangevoerd dat het advies van de Commissie Functievergelijking niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De formulieren zijn niet origineel ondertekend en een datum van ondertekening ontbreekt. Er is geen sprake van een gemotiveerde functievergelijking. Ter zitting heeft hij, ter toelichting van dat standpunt, gewezen op de manier waarop het ‘Registratieformulier Commissie Functievergelijking Personele Reorganisatie’ is ingevuld en ondertekend. Tweemaal is volstaan met het omcirkelen van het antwoord ‘JA’. Het formulier biedt, door het woord ‘Omdat: ’, ruimte voor een motivering van dat antwoord, maar van die ruimte is geen gebruik gemaakt.

Het formulier is niet voorzien van originele handtekeningen en eiser trekt de authenticiteit van het stuk in twijfel.

3. Met betrekking tot eisers verwijzing naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd overweegt de rechtbank dat de korpschef, door de verwijzing naar het advies van de Bezwaaradviescommissie, gemotiveerd de bezwaargronden heeft weerlegd. In zijn beroepschrift heeft eiser niet concreet aangewezen welke bezwaargronden niet, onvolledig of onjuist zijn weerlegd. Zijn stelling ter zitting dat de korpschef niet op de bezwaargronden heeft gereageerd, vindt geen bevestiging in het bestreden besluit.

De verwijzing naar de bezwaargronden en de herhaling daarvan ter zitting geven de rechtbank dan ook geen aanleiding de bezwaargronden als beroepsgronden te beoordelen. De rechtbank kan zich geheel vinden in het oordeel van de korpschef en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.

4. Met betrekking tot wat eiser in beroep heeft aangevoerd over de wijze van ondertekening van het registratieformulier overweegt de rechtbank dat de werkzaamheden van de Commissie zijn vastgelegd in een bijlage bij het zogenoemde Moederdocument, de ‘Commissie Functievergelijking opdracht’ van 24 juli 2014. In paragraaf 6 van die ‘opdracht’ is bepaald dat van iedere vergelijking een verslag wordt opgesteld. Niet is voorgeschreven dat het registratieformulier gedateerd en ondertekend moet zijn.

De korpschef heeft uiteengezet dat de Commissie veel dossiers per dag behandelde en dat de handtekeningen “met de wetenschap van de commissieleden” onder het formulier zijn gezet.

De rechtbank ziet in de wijze waarop het formulier is ondertekend geen aanleiding te twijfelen aan de authenticiteit. Als de kwaliteit van de motivering van het advies niet aan de te stellen eisen voldoet, duidt dat er naar het oordeel van de rechtbank niet op dat het advies niet de opvatting van de Commissie weergeeft.

De beroepsgrond met betrekking tot de wijze van ondertekening van het formulier slaagt dan ook niet.

5. Met betrekking tot de motivering van het advies van de Commissie Functievergelijking deelt de rechtbank de opvatting van eiser dat die te wensen overlaat. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser heeft echter een volledige heroverweging plaatsgevonden. In dat kader heeft de korpschef in een verweerschrift van 7 november 2016 zijn standpunt nader toegelicht. De Bezwaaradviescommissie heeft eiser gehoord en heeft gemotiveerd aan de korpschef geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee de gebrekkige motivering van het advies van de Commissie Functievergelijking hersteld.

De beroepsgrond met betrekking tot de motivering van het advies van de Commissie Functievergelijking slaagt dan ook niet.

6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. E.S.M. van Bergen en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.