Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6309

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
AWB 17_2175
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsingsbesluit in kader LFNP. Betwisting gekozen taakgebied slaagt niet. Geen onbillijkheden van overwegende aard. Notitie tijdelijke tewerkstellingen op eiseres niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/2175 AW

uitspraak van 2 oktober 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K. Kromhout,

en

de korpsbeheerder van politie, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 februari 2017 (bestreden besluit) van de korpsbeheerder inzake een plaatsingsbesluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door haar leidinggevende, [naam leidinggevende] .

De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J. Mathura en door mr. F.A.M. Both.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres was voorheen aangesteld in de korpsfunctie Managementassistent. Zij verrichtte werkzaamheden als ondersteuner van de ondernemingsraad. In het kader van de overgang naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) heeft de korpschef bij het overgangsbesluit LFNP van 16 december 2013 aan eiseres per 1 januari 2012 de LFNP-functie Administratief Secretarieel Medewerker toegekend. Die functie is gewaardeerd op schaal 6. Na 31 december 2011 heeft er geen formele wijziging plaatsgevonden. Het besluit van 16 december 2013 is in rechte komen vast te staan.

Bij besluit van 1 december 2015 heeft de korpschef vastgesteld dat voor eiseres als oorspronkelijke functie geldt de LFNP-functie waarin zij op dat moment is aangesteld, de functie Administratief Secretarieel Medewerker.

Bij brief van eveneens 1 december 2015 heeft de korpschef eiseres het voornemen meegedeeld haar als functievolger te plaatsen in de functie van Administratief Secretarieel Medewerker in de formatie van de eenheid Zeeland-West-Brabant, District Hart van Brabant, Team Tilburg-Centrum. Overwogen is dat eiseres op 1 januari 2012 werkzaam was in het taakgebied Secretariaat. Dit taakgebied keert terug in die eenheid, dat district en dat team. De functie Administratief Secretarieel Medewerker komt voor in dat team.

Met dit voornemen week de korpschef af van het advies van de Plaatsingsadviescommissie (PAC), die op 2 november 2015 adviseerde om, met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 55v van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), eiseres te plaatsen in de functie van Secretarieel Medewerker bij de Staf Bestuursondersteuning, een functie die is gewaardeerd op schaal 7.

Eiseres heeft bedenkingen tegen de voorgenomen plaatsing naar voren gebracht. Zij wil haar werkzaamheden als managementassistente voor de ondernemingsraad voortzetten, en zij heeft de korpschef verzocht haar te plaatsen in de functie van Secretarieel Medewerker.

Bij besluit van 10 juni 2016 (primair besluit) heeft de korpschef eiseres overeenkomstig het voornemen met ingang van 1 juli 2016 geplaatst in de functie van Administratief Secretarieel Medewerker. De korpschef week daarmee af van het advies van 15 april 2016 van de PAC op de ingediende bedenkingen. De PAC adviseerde opnieuw eiseres te plaatsen op de functie van Secretarieel Medewerker.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De korpschef week daarmee af van het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM kamer PREO (BAC).

2. Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat de Administratief Secretarieel Medewerker zelfstandig routinematige administratief secretariële werkzaamheden uitvoert volgens gestandaardiseerde werkwijzen en nauwgezette richtlijnen. De Secretarieel Medewerker voert zelfstandig secretariële werkzaamheden uit, participeert in netwerken ten behoeve van gezamenlijke aanpak en doet voorstellen tot verbetering. Zij geeft instructies en handreikingen aan Administratief Secretarieel Medewerkers.

Eiseres heeft erop gewezen dat volgens de PAC en BAC de functievergelijking in het

geval van eiseres geen vergelijkbare of uitwisselbare functie oplevert. Dit wordt nog eens bevestigd door het feit dat eiseres haar werkzaamheden na 1 juli 2016 ongewijzigd heeft voortgezet bij het team Bestuursondersteuning en (voorlopig) nog niet binnen het team Tilburg-Centrum werkzaamheden zal gaan verrichten.

Eiseres heeft zich achter het advies van de BAC geschaard. Zij heeft de rechtbank gevraagd het bestreden besluit te vernietigen.

Ter zitting heeft eiseres het standpunt naar voren gebracht dat bij de voorbereiding van het plaatsingsbesluit ten onrechte van het taakgebied ‘secretariaat’ is uitgegaan. Volgens eiseres had gekozen moeten worden voor het taakgebied ‘bestuursondersteuning’. Die keuze moet leiden tot plaatsing in de functie van Secretarieel Medewerker.

3. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van de Regeling landelijk sociaal statuut (Regeling LSS) wordt voor de reorganisatie Politiewet 2012 als oorspronkelijke functie aangemerkt de functie waarin de ambtenaar was aangesteld op 1 januari 2012 tenzij:

a. de ambtenaar aantoont dat hij na die datum formeel van functie is gewijzigd zonder dat deze wijziging verband hield met de voorbereidingen van die reorganisatie, of

b. de ambtenaar na 31 maart 2011 formeel van functie is gewijzigd in verband met de voorbereidingen van die reorganisatie. In dat geval geldt als oorspronkelijke functie, de functie die de ambtenaar bekleedde op 31 maart 2011.

In artikel 55v van het Barp is bepaald dat indien de toepassing van hoofdstuk VII.b van het Barp of de nadere regels ter uitvoering van dat hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk worden afgeweken.

4. De rechtbank overweegt dat voor eiseres de functie Administratief Secretarieel Medewerker als oorspronkelijke functie in de zin van artikel 1a van de Regeling LSS is vastgesteld. Dat besluit staat in rechte vast.

Eiseres heeft naar voren gebracht dat de oorspronkelijke functie slechts één van de vertrekpunten is maar dat ook betekenis toekomt aan het samenstel van opgedragen werkzaamheden op 31 december 2011. De korpschef heeft dat niet betwist, maar heeft erop gewezen dat hem een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van het taakgebied. Daarbij hoeven niet alle opgedragen werkzaamheden daadwerkelijk terug te keren in het toegekende taakgebied. De destijds opgedragen werkzaamheden komen volgens de korpschef in belangrijke mate overeen met het ten behoeve van de functievergelijking bepaalde taakgebied.

De rechtbank acht de uitkomst van die vergelijking houdbaar, en ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten om het standpunt van de korpschef met betrekking tot het taakgebied secretariaat onjuist te achten.

De functie Administratief Secretarieel Medewerker komt voor in de inrichting van de politieorganisatie in het team waar het taakgebied van eiseres terugkeert, en overeenkomstig de plaatsingsregels dient zij dan als functievolger te worden geplaatst op die functie.

5. Met betrekking tot de vraag of zich onbillijkheden van overwegende aard voordoen die aanleiding geven om de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 55v van het Barp toe te passen overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550), de hardheidsclausule niet bedoeld is om (alsnog) rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden of met extra werkzaamheden, specifieke werkzaamheden, bijzondere situaties en afspraken die in de uitgangspositie vastgelegd hadden kunnen zijn. De hardheidsclausule is niet bedoeld om de uitgangspositie te corrigeren.

Weliswaar heeft de genoemde uitspraak betrekking op de hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 5 van de Regeling overgang naar een LFNP-functie, maar nu die hardheidsclausule inhoudelijk gelijk is aan de hardheidsclausule van artikel 55v van het Barp acht de rechtbank het oordeel van de CRvB van overeenkomstige toepassing.

6. Dat een politieambtenaar in het kader van de reorganisatie kan worden geplaatst in een functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is bovendien inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen systematiek. Voor zover eiseres zich beroept op een verschraling van haar taken en verantwoordelijkheden leidt dit niet tot een ander oordeel. Ook daarin ligt geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

7. Eiseres maakt voorts aanspraak op toepassing van de hardheidsclausule zoals die is uitgewerkt in de ‘Notitie tijdelijke tewerkstellingen in fase 2’ van 20 september 2016 (Notitie).

In de Notitie heeft de korpschef in overleg met de politievakbonden ten aanzien van enkele groepen ambtenaren regels ontwikkeld waardoor die ambtenaren geplaatst konden worden in de functie die zij feitelijk vervulden. Over de ‘Aanleiding’ tot het ontwikkelen van die regels vermeldt de Notitie: “Omdat in het reorganisatieproces rondom de vorming van de nationale politie een bevorderings- en benoemingsstop gold (…), werd gedurende deze periode veelvuldig gebruik gemaakt van tijdelijke tewerkstellingen.”

In de ‘Aanvulling werkinstructie inzake Tijdelijke tewerkstellingen in de periode tot 1 juli 2016’ (Aanvulling werkinstructie) van 7 december 2016 is opgemerkt: “Mogelijk ten overvloede merk ik op dat deze werkinstructie uitsluitend ziet op tijdelijke tewerkstellingen die onlosmakelijk verbonden zijn met de reorganisatie Politiewet 2012.”

De rechtbank leidt hieruit af dat op de Notitie en de Aanvulling werkinstructie een beroep kan worden gedaan door degenen die als gevolg van de bevorderings- en benoemingsstop gedurende het reorganisatieproces geconfronteerd zijn met een tijdelijke werkstelling die onlosmakelijk verbonden is met de reorganisatie Politiewet 2012. Eiseres behoort niet tot die doelgroep. Volgens haar verklaring op zitting verricht zij de andere werkzaamheden al veertien jaar, reeds geruime tijd voorafgaand aan de bevorderings- en benoemingsstop in het kader van het reorganisatieproces. Naar het oordeel van de rechtbank is de Notitie op eiseres niet van toepassing. Voor haar heeft de mogelijkheid open gestaan om functieonderhoud te vragen.

8. Eiseres heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. Zij heeft op 19 mei 2011 een aanvraag om functieonderhoud ingediend, uitdrukkelijk om te voorkomen dat de reorganisatie in het kader van het LFNP ongunstige gevolgen voor haar zou hebben. Zij meende qua werkinhoud op het niveau van Management Assistent (schaal 6) te functioneren, terwijl haar formele uitgangspositie Afdelingsassistente (schaal 5) was. Volgens haar verklaring ter zitting heeft het functieonderhoud tot plaatsing in schaal 6 geleid. Zij heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.

Nu functieonderhoud op basis van de nog steeds door eiseres verrichte werkzaamheden heeft geleid tot plaatsing in een functie met schaalniveau 6 en nu eiseres dat heeft geaccepteerd valt ook tegen die achtergrond niet in te zien dat haar tekort wordt gedaan met de nu in geding zijnde plaatsing.

9. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, voorzitter, en mr. D. van Kralingen en mr. M.Z.B. Sterk, leden, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.