Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6291

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
C/02/328570 / HA ZA 17-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Dwaling? Misbruik van omstandigheden? Boer verkoopt zijn landbouwgronden aan zijn buurman en pacht de gronden van deze buurman. Daarnaast sluit de boer tevens een geldlening met de bewuste buurman af. Dient de aangevoerde zwakke geestelijke conditie van de verkopende boer te leiden tot vernietiging of ontbinding van de koopovereenkomsten en overeenkomst van geldlening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Cluster II Handelszaken

zaaknummer / rolnummer: C/02/328570 / HA ZA 17-207

Vonnis van 20 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam 1] ,

eiser,

advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. E. Beele te Tilburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juli 2017 met de daarin vermelde stukken,

  • -

    de bij brief van 14 augustus 2017 van de zijde van [eiser] in het geding gebrachte stuk,

  • -

    de bij brief van 24 augustus 2017 van de zijde van [gedaagde] in het geding gebrachte producties, genummerd 1 t/m 3,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 29 augustus 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de overeenkomsten als vermeld in de transportakten van 16 maart 2012 en 10 juli 2015 te vernietigen, althans te ontbinden met veroordeling van partijen om de uitvoering terug te draaien, in dier voege dat [gedaagde] de gronden terug levert aan [eiser] en [eiser] de koopsom terug betaalt aan [gedaagde] ;

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na de betekening van dit vonnis, rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de door hem ter zake gedane financiële handelingen onder opgave van de personen met wie regelingen zijn getroffen en aan wie betalingen zijn gedaan en wat de regelingen inhouden, alsmede aan te geven op welke wijze hij dit met [eiser] heeft gecommuniceerd, zulks alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 1 .000,-- voor iedere dag dat [gedaagde] weigert aan dit vonnis te voldoen;

III. te verklaren voor recht dat de door [gedaagde] opgevorderde vorderingen, waaronder zijn facturen, waarmee hij tracht de incasso van de bedragen ten laste van [eiser] te rechtvaardigen, ongegrond zijn, zodat [eiser] geen bedrag aan [gedaagde] verschuldigd is;

IV. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] terug te betalen, de bedragen die hij zal blijken onterecht te hebben ontvangen van [eiser] ;

V. te ontbinden/te vernietigen, de overeenkomst/de akte van geldlening met hypotheek d.d. 10 juli 2015 met veroordeling van [gedaagde] om de bedoelde gevestigde hypotheek door te halen binnen twee weken na de betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1 .000,-- per dag.

2.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

In het onderhavige geval wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. [eiser] exploiteert een agrarisch bedrijf te [plaatsnaam 3] . Vanaf 1991 tot aan het overlijden van de vader van [eiser] op [datum 1] exploiteerde [eiser] zijn bedrijf in maatschapsverband met zijn vader. De moeder van [eiser] is overleden op [datum 2] .

b. Na het overlijden van de vader van [eiser] is laatstgenoemde in financiële nood komen te verkeren, mede omdat [eiser] zijn zus wegens over-bedeling in de nalatenschap van vader diende uit te betalen. Verder had [eiser] betalingsachterstanden bij diverse van zijn schuldeisers, waaronder Rabobank.

c. [gedaagde] is een buurman van [eiser] .

d. In september 2011 zijn partijen mondeling een koopovereenkomst aangegaan ter zake verkoop door [eiser] aan [gedaagde] van percelen cultuurgrond gelegen aan de [adres 1] te [plaatsnaam 1] , [sectienummers] voor een koopsom van € 215.390,--. De leveringsakte van voormelde verkoop is gepasseerd op 16 maart 2012. Hierin staat, voor zover hier van belang, onder meer het navolgende:

“(…)

Artikel 2

(…)

3. Het verkochte wordt aanvaard in het genot van de pacht, waarvan blijkt uit een akte houdende een pachtovereenkomst, heden voor mij, notaris, te verlijden.(…)”

Op 16 maart 2012 zijn partijen tevens een geliberaliseerde pachtovereenkomst aangegaan. In de pachtakte staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

“(…)

Pachtduur

De pachtovereenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf (5) jaar. De pacht gaat in op heden en eindigt op zestien december tweeduizend zeventien. Na afloop van voormeld tijdvak van vijf jaar kunnen partijen de onderhavige pachtovereenkomst van jaar tot jaar verlengen, zulks onder de alsdan door hen overeen te komen voorwaarden.(…)”

e. In 2015 zijn partijen een tweede koopovereenkomst ter zake verkoop door [eiser] aan [gedaagde] van percelen grond, gelegen aan en nabij de [adres 1] te [plaatsnaam 1] , [sectienummers 2] voor een koopsom van
€ 300.000,--. De leveringsakte van voormelde koop dateert van 10 juli 2015 en hierin staat, voor zover hier van belang, onder meer het navolgende:

“(…)

11. Pacht door verkoper

Partijen zijn op heden met elkander een geliberaliseerde pachtovereenkomst aangegaan voor de duur van 12 jaar, welke eindigt op 9 juli tweeduizend zeven en twintig.

f. Ten aanzien van voormelde percelen [sectienummers 2] zijn partijen op 15 juli 2015 een pachtovereenkomst aangegaan. In de kop van de pachtakte staat dat het een geliberaliseerde pachtovereenkomst voor 6 jaar of korter betreft, met als begindatum 10 juli 2015 en einddatum 10 juli 2021. Partijen zijn op dezelfde datum nadere voorwaarden ter zake voormelde pachtovereenkomst overeengekomen, waarin, voor zover hier van belang, onder meer het navolgende staat:

“(…)

[eiser] , pachter, pacht voor 6 jaar. Enkele maanden voor 10 juli 2021, maakt pachter bekend of hij nog 6 jaar, tot 10 juli 2027, wil pachten. Waarvoor verpachter op eerste verzoek akkoord is. Dit alles schriftelijk vastgelegd. De pachtovereenkomst is verder dezelfde als [nr] van 16-03-2012 van notaris [naam notaris] welke op 16-12-2017 bij deze wordt gevoegd, dus: [plaatsnaam 4] [nr 2]

g. Op 10 juli 2015 hebben partijen een overeenkomst van geldlening met hypotheek gesloten. In de hiervan opgemaakte notariële akte staat een geldsom van
€ 50.000,--, maar [gedaagde] heeft een bedrag van € 70.000,-- overgemaakt op een en/of bankrekening die hij met [eiser] had geopend. Partijen zijn als zekerheid ten behoeve van [gedaagde] tot een bedrag van € 370.000,-- een hypotheek overeengekomen op het aan [eiser] in eigendom toebehorende registergoed, zijnde de boerderij met tuin en verdere aanhorigheden gelegen aan de [adres 1] [huisnr] te [plaatsnaam 1] .

h. Met de door [gedaagde] aan [eiser] geleende geldbedragen zijn diverse schuldeisers van [eiser] betaald.

i. Tussen partijen is een geschil ontstaan, hetgeen ertoe heeft geleid dat [eiser] bij deze rechtbank een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft ingediend. Op 25 november 2016 en 9 december 2016 zijn bij deze rechtbank in totaal 11 getuigen, onder wie partijen zelf, gehoord. Hiervan zijn processen-verbaal opgemaakt. In de door [eiser] afgelegde verklaring staat, voor zover hier relevant, onder meer het navolgende:

“(…)

In 2012 besluit ik grond aan [gedaagde] te verkopen.(…) Ik ben tot verkoop overgegaan omdat de Rabobank zich op het standpunt stelde dat ik grond moest verkopen. Ik heb het aan [gedaagde] verkocht omdat ik de boerderij bij elkaar wilde houden.(…) Voor mijn gevoel kon ik blijven boeren op deze stukken grond als ik het aan [gedaagde] verkocht. Dat is ook met [gedaagde] besproken. Hij heeft tegen mij gezegd dat ik de grond altijd kon blijven gebruiken. Daarom ben ik een pachtovereenkomst met hem aangegaan. Wij zijn in eerste instantie een pachtovereenkomst voor de duur van vijf jaar met elkaar aangegaan.(…)

Na transport van de grond in 2015 zijn wij met elkaar in overleg gegaan over de pacht. Daarvoor werd ook de notaris ingeschakeld. [gedaagde] wenste een korte pacht van zes jaar. De notaris heeft daarvan toen gezegd dat dat niet kon; dat staat in het wetboek, anders moest de koopprijs omhoog.(…)

Ik heb toen van het web een pachtcontract voor twaalf jaar gedownload en ter ondertekening aan [gedaagde] voorgelegd. [gedaagde] wilde dat niet. [gedaagde] wilde niet langer dan zes jaar. Toen heb ik toch maar weer een pachtovereenkomst uitgedraaid met een looptijd van zes jaar. [gedaagde] heeft daarbij geschreven “na zes jaar weer verlengen”. (…) Ik herhaal dat de bedoeling was dat ik boer kon blijven op deze grond. Ik had niet alles verkocht. Ik bleef eigenaar van de opstallen en de ondergrond. Ik heb deze onroerende zaken aan [gedaagde] gegeven zodat ik geld kon lenen bij [gedaagde] om de crediteuren te betalen. Het bedrag dat ik van [gedaagde] leende en waarvoor ik hypotheek verstrekte, zou zo groot zijn als nodig was om de crediteuren te betalen. Zelf heb ik het bedrag nooit gehad; dat is linea recta naar de crediteuren gegaan. [gedaagde] heeft zelf met de crediteuren afspraken gemaakt hetgeen ertoe leidde dat totaal aan de crediteuren € 160.000,-- moest worden betaald. Dat bedrag heb ik uiteindelijk van hem geleend onder de werking van de hypotheek.(…) Voor zover ik weet heeft [gedaagde] die € 160.000,00 wel aan crediteuren betaald. Hij heeft daar op een kladblaadje verantwoording over afgelegd bij mij, maar de afwikkeling van de crediteuren is niet goed verlopen. Er bleven crediteuren open dus niet alles was afgewerkt.(…)”

j. In de door [gedaagde] afgelegde verklaring, staat onder meer het navolgende:

“(…)

De pachtconstructie hebben wij willen vastleggen in een pachtovereenkomst.(…) Ik moet u zeggen dat ik dit pachtcontract pas in 2016 voor het eerst gelezen heb. Ikzelf ging er in ieder geval van uit dat [voornaam 1] [eiser] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd kon boeren en dus pachten van mij.(…)”

k. Tussen partijen zijn geschillen gerezen ter zake de tussen hen gesloten overeenkomsten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen dwaling ten grondslag en stelt daartoe het

volgende. [eiser] betoogt dat hij aanvankelijk met [gedaagde] had afgesproken om

een pachtduur van 12 jaar aan te gaan, maar dat [gedaagde] zich aan deze afspraak trachtte te

onttrekken door aan te dringen op een pachtduur van 6 jaar; dit heeft volgens [eiser] te maken met het prijstoetsingsvereiste door de Grondkamer. [eiser] verwijt

[gedaagde] dat hij ten aanzien van de wijziging van de afspraken over de pachtduur gebruik

heeft gemaakt van de zwakke mentale positie van [eiser] . Daarnaast voert

[eiser] aan dat [gedaagde] de tussen partijen gemaakte afspraken over het bereiken

van een crediteurenakkoord heeft geschonden. [eiser] stelt dat [gedaagde] aan hem had voorgespiegeld dat hij ten behoeve van [eiser] een crediteurenakkoord tot stand zou brengen en voor laatstgenoemde de zaak financieel op orde zou brengen, terwijl [gedaagde] enkel zichzelf in een financieel gunstige positie heeft gebracht en bezig is geweest om het bedrijf van [eiser] in te nemen. In dit verband verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij met een aantal crediteuren van [eiser] apart heeft onderhandeld en met hen verschillende voorwaarden heeft afgesproken, terwijl diverse andere schuldeisers van [eiser] door [gedaagde] zijn overgeslagen waardoor nimmer een algeheel crediteurenakkoord tot stand is gekomen. [eiser] betoogt dat [gedaagde] op onprofessionele wijze te werk is gegaan omdat er in beginsel voor [eiser] een bevrijdend akkoord met zijn crediteuren erin had gezeten. In de visie van [eiser] heeft [gedaagde] door voormelde handelwijze onrechtmatig jegens hem gehandeld. [eiser] stelt verder dat [gedaagde] bezig is geweest met het kapitaal van [eiser] “te spelen en te wapperen”. [eiser] stelt dat [gedaagde] hierover rekening en verantwoording dient af te leggen. In dit verband voert [eiser] verder aan dat het door [gedaagde] aan hem geleende bedrag niet is aangewend ter financiering van het beoogde crediteurenakkoord, maar dat [gedaagde] het geleende bedrag voor zichzelf heeft aangewend. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] een ongegronde vordering op [eiser] geconstrueerd, bestaande uit in het verleden ten behoeve van [eiser] verrichte werkzaamheden. Dit terwijl partijen in het verleden over en weer werkzaamheden voor elkaar hebben verricht, hetgeen altijd met gesloten beurzen werd afgehandeld. In strijd hiermee heeft [gedaagde] na 3 à 4 jaar facturen voor de verrichte werkzaamheden aan [eiser] verstuurd. Verder verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij op voorhand pachtpenningen is gaan declareren, terwijl partijen hebben afgesproken dat [eiser] de eerste twee jaar geen pachtpenningen verschuldigd zou zijn. [eiser] voert verder aan dat [gedaagde] in strijd met de tussen partijen gemaakte pachtafspraken alle ruilverkavelingslasten heeft gekapitaliseerd tot een bedrag van € 10.000,-- en deze ten laste van [eiser] heeft gebracht. [eiser] betoogt dat het de opzet van [gedaagde] was om eerst de gronden van het bedrijf van [eiser] in eigendom te verkrijgen tegen een zeer lage prijs door dit aan te duiden als pacht en vervolgens een hypotheek te stipuleren op de resterende bedrijfsgebouwen en woning ter grootte van € 370.000,-- en vervolgens diverse ongegronde vorderingen op [eiser] te fingeren. Hiermee probeert [gedaagde] volgens [eiser] deze gefingeerde vorderingen onder de tussen partijen gesloten hypotheek te brengen en op deze manier het hele bedrijf van [eiser] in handen te krijgen. [eiser] betoogt dat hij zich heeft laten overhalen om voormelde akte in de opgemaakte vorm overeen te komen omdat het hem niet duidelijk was waar [gedaagde] mee bezig was. Daarnaast voert [eiser] aan dat de aanvankelijk geleende bedragen in geen verhouding staan tot de geclaimde hypotheekruimte van
€ 370.000,--. Gelet op het vorenstaande kan de akte van geldlening met hypotheek volgens [eiser] niet in stand blijven.

3.3.

De rechtbank oordeelt, hierbij de verweren van [gedaagde] betrekkend, als volgt.

Dwaling

3.4.

Gezien het bepaalde in artikel 6:228 BW komt aan [eiser] geen succesvol beroep op dwaling toe. In artikel 6:228 lid 1 BW is immers bepaald dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is:

a. indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

In het tweede lid van voornoemd wetsartikel is bepaald dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Aldus geldt dat voor een geslaagd beroep op dwaling sprake dient te zijn van de afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken, één van de hiervoor onder a t/m c opgesomde situaties, alsmede van causaal verband en het kenbaarheidsvereiste. Nu [eiser] zich beroept op dwaling rusten op grond van het bepaalde in artikel 150 Rv op hem de stelplicht en bewijslast hiervan.

3.4.1.

Uit de wirwar van stellingen van [eiser] begrijpt de rechtbank dat bij [eiser] een onjuiste voorstelling van zaken bestond ten aanzien van de tussen partijen overeengekomen pachtduur. Wat hier ook van zij, vast staat dat de door [eiser] ingestelde vorderingen niet zijn geënt op vernietiging van de bewuste pachtovereenkomsten wegens dwaling; de door [eiser] ingestelde vordering sub I ziet immers op vernietiging van de tussen partijen gesloten koopovereenkomsten ter zake de percelen grond. Reeds hierom kan hetgeen [eiser] over de gestelde dwaling ten aanzien van de pachtovereenkomsten heeft aangevoerd, onbesproken blijven.

3.4.2.

De rechtbank volgt [eiser] niet in de door hem gestelde dwaling inhoudende dat [gedaagde] hem zou hebben voorgespiegeld dat hij voor [eiser] een crediteurenakkoord tot stand zou brengen en ten behoeve van [eiser] de zaak financieel op orde zou brengen, terwijl [gedaagde] enkel zichzelf in een financieel gunstige positie heeft gebracht en bezig zou zijn geweest om het bedrijf van [eiser] in te nemen, zoals [eiser] stelt. Uit niets blijkt immers dat [eiser] [gedaagde] heeft opgedragen om een algeheel crediteurenakkoord tot stand te brengen. Uit de stellingname van [eiser] valt bovendien niet op te maken op welke feiten de door hem gestelde voorspiegeling door [gedaagde] dat een crediteurenakkoord ten gunste van [eiser] tot stand zou brengen, is gebaseerd; deze stellingname was processueel wèl nodig omdat [gedaagde] zulks heeft weersproken en omdat vast staat dat [eiser] zélf bij een aantal door [gedaagde] gevoerde gesprekken met schuldeisers aanwezig is geweest. Blijkbaar hoopte [eiser] dat er een crediteurenakkoord bereikt zou worden; dit gezien zijn verklaring ter comparitiezitting dat het de bedoeling was dat er een crediteurenakkoord tot stand zou worden gebracht en dat [gedaagde] de onderhandelingen deed. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit echter geen onjuiste voorstelling van zaken in de zin van de wet maar een toekomstverwachting, zodat een beroep op dwaling, gezien het bepaalde in artikel 6:228 lid 2 BW, reeds hierom faalt.

3.4.3.

De rechtbank volgt [eiser] evenmin in zijn stellingname ter zake vermeende dwaling ter zake de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening. [eiser] betoogt dat hij zich door [gedaagde] heeft laten overhalen om de overeenkomst van geldlening met hypotheek af te sluiten omdat het hem niet duidelijk was dat [gedaagde] bezig was om zijn bedrijf in handen te krijgen. Gelet hierop faalt het beroep op dwaling omdat voor een geslaagd beroep op een wilsgebrek vereist is dat dit aanwezig is ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Zulks volgt echter geenszins uit de stellingname van [eiser] en betreft naar het oordeel van de rechtbank eerder een niet gefundeerde vermoeden van [eiser] . Daarnaast voert [eiser] aan dat de aanvankelijk geleende bedragen in geen verhouding staan tot de geclaimde hypotheekruimte van
€ 370.000,--. Ook uit deze stellingen valt geen onjuiste voorstelling van zaken bij [eiser] te destilleren, te minder niet nu [eiser] heeft verklaard dat hij geld nodig had om zijn schuldeisers af te lossen en dat zijn schuld bij [gedaagde] rond de € 160.000,-- bedraagt. Het betoog van [eiser] over het door [gedaagde] op vermeende slinkse wijze innemen van zijn bedrijf is naar het oordeel van de rechtbank eveneens gebaseerd op vermoedens van [eiser] ; in ieder geval is deze stelling op zichzelf onvoldoende voor een geslaagd beroep op dwaling. Bovendien strookt de stellingname van [eiser] geenszins met de omstandigheid dat hij er zelf bewust voor gekozen heeft om met [gedaagde] overeenkomsten aan te gaan en daartoe steeds het initiatief heeft genomen.

3.4.4.

Voor zover [eiser] zich erop beroept dat hij heeft gedwaald omdat hij het geld uit hoofde van de geldlening nooit heeft ontvangen, wordt deze stelling verworpen. Vast staat immers dat [gedaagde] een bedrag van € 70.000,-- heeft gestort op de en/of rekening van [eiser] en [gedaagde] , alsmede dat [gedaagde] tot een veel hoger bedrag schuldeisers van [eiser] heeft betaald. Voor zover [eiser] zijn beroep op dwaling heeft willen onderbouwen met zijn stelling dat hij steeds heeft vertrouwd op [gedaagde] , stuit dit reeds af op de omstandigheid dat uit de stellingen van [eiser] onmiskenbaar volgt dat hij wist dat hij diverse zakelijke overeenkomsten met [gedaagde] aanging. De omstandigheid dat [eiser] enkel met [gedaagde] overeenkomsten is aangegaan vanwege de door hem in [gedaagde] gestelde vertrouwen, rechtvaardigt - ook indien zou blijken dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd is, hetgeen in casu onvoldoende gemotiveerd is onderbouwd - geen beroep op dwaling en vormt een omstandigheid die naar verkeersopvattingen voor rekening en risico van de dwalende behoort te komen. Nu door [eiser] geen andere feiten en omstandigheden aan het beroep op dwaling ten grondslag zijn gelegd, dient het beroep hierop te worden afgewezen.

Misbruik van omstandigheden

3.5.

Hoewel [eiser] stelt dat [gedaagde] ten aanzien van de wijziging van de tussen partijen gemaakte afspraken over de pachtduur gebruik heeft gemaakt van de zwakke mentale positie van [eiser] , geldt - gelijk hiervoor is overwogen - dat de in dit verband door [eiser] aangevoerde argumenten naar het oordeel van de rechtbank geenszins betrekking hebben op de afwezigheid van een juiste voorstelling van zaken zoals vereist voor een geslaagd beroep op dwaling, maar eerder kwalificeert als misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. Hoewel [eiser] hierop geen beroep heeft gedaan, zal de rechtbank gezien de door [eiser] aangevoerde feitelijke grondslag, ambtshalve hieraan toetsen.

3.5.1.

Uit de stellingname van [eiser] volgt dat hij het zwaar heeft gehad na het overlijden van zijn vader in 2010, mede omdat hij samen met zijn vader het bedrijf runde en zich altijd tot zijn vader kon wenden; die steun viel weg nà het overlijden van zijn vader. [eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat hij er na het overlijden van zijn vader alleen voor stond en dat hij niemand had die hem hielp of adviseerde, alsmede dat zich niet meer thuis voelde op de boerderij. Daarnaast volgt uit de argumentatie van [eiser] dat hij in liquiditeitsproblemen kwam te verkeren omdat hij diverse schuldeisers had, waaronder de bank en zijn zus die hij wegens overbedeling in de nalatenschap van vader diende uit te betalen. Omdat de Rabobank weigerde om [eiser] te financieren stelt [eiser] de percelen grond aan [gedaagde] te hebben verkocht, de pachtovereen-komsten met hem te zijn aangegaan én de geldovereenkomst met hypotheek met [gedaagde] te hebben gesloten; dit alles terwijl [gedaagde] op de hoogte was van de financiële positie en persoonlijke situatie van [eiser] . [eiser] stelt op [gedaagde] te hebben vertrouwd.

3.5.2.

Toetsing van de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden aan de vereisten zoals genoemd in artikel 3:44 lid 4 BW, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot toewijzing van enige vordering van [eiser] . Misbruik van omstandigheden is immers aanwezig, aldus artikel 3:44 lid 4 BW, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Uit artikel 3:44 lid 4 BW volgt derhalve dat er aan een drietal vereisten dient te zijn voldaan voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden, te weten: bijzondere omstandigheden, misbruik en causaal verband. De stelplicht en bewijslast van deze vereisten rusten op grond van de hoofderegel van artikel 150 Rv op degene die zich op misbruik van omstandigheden beroept, in dit geval [eiser] .

3.5.3.

Het beeld dat [eiser] schept is dat van een buurman [gedaagde] die hem gezien zijn mentale gesteldheid zou hebben misleid of bewogen tot verkoop van percelen grond, het sluiten van de pachtovereenkomsten én de overeenkomst van geldlening met hypotheek. Dit strookt echter geenszins met de door [eiser] afgelegde verklaringen tijdens het voorlopig getuigenverhoor en comparitie van partijen. Hieruit volgt immers dat [eiser] op aandringen van Rabobank is overgegaan tot verkoop aan [gedaagde] van de bewuste percelen grond teneinde een deel van zijn schulden te kunnen voldoen. Ook het sluiten van de tussen partijen overeengekomen overeenkomst van geldlening met hypotheek heeft te maken met financiële situatie van [eiser] omdat hiermee een deel van zijn schuldeisers is afgelost. Nu [eiser] zijn schuldeisers diende te betalen en geen externe financiering (bij de bank) kon krijgen, heeft hij zich (enkel) tot [gedaagde] gewend die bereid was om gronden van hem aan te kopen en hem geld te lenen waartoe de leningsovereenkomst is gesloten. Hierbij geldt dat gesteld noch gebleken is dat de voorwaarden van de bewuste koopovereenkomsten en leningsovereenkomst ongebruikelijk waren. Gelet hierop laat de rechtbank in het midden de vraag of het aangaan van de bewuste overeenkomsten onder de toenmalige omstandigheden als onverantwoord moesten worden beschouwd, alsmede de vraag of [eiser] als ondernemende boer niet in staat kon worden geacht dit zelf te beoordelen. Van misleiding, dan wel een situatie waarin [eiser] door [gedaagde] zou zijn bewogen tot het sluiten van meergenoemde overeenkomsten is aldus geen sprake. Daarnaast volgt uit de verklaringen van [eiser] dat hoewel de notaris het niet eens was met een kortere pachtduur dan 12 jaar, [eiser] zélf is overgegaan tot het downloaden van internet van een geliberaliseerde pachtovereenkomst. Dat hij dit heeft gedaan omdat [gedaagde] weigerde een pachtovereenkomst van 12 jaar aan te gaan en dat hij hierin geen zeggenschap heeft gehad, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat [gedaagde] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden waarin [eiser] verkeerde.

3.5.4.

Hoewel [eiser] veel nadruk legt op zijn persoonlijke, mentale en financiële situatie ten tijde van het aangaan van de bewuste overeenkomsten alsmede aanvoert dat hij veel vertrouwen in [gedaagde] stelde, geldt dat voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden méér is vereist dan deze door [eiser] gestelde bijzondere omstandigheden; er dient immers ook sprake te zijn van misbruik door in dit geval [gedaagde] van die omstandigheden (vgl.: ECLI:NL:GHARL:2017:5956, Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2017). Op de basis van de onderhavige feitenconstellatie kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] [eiser] heeft bewogen tot het sluiten van meergenoemde overeenkomsten dan wel het sluiten hiervan heeft bevorderd. Dit volgt in ieder geval niet uit het door [eiser] overgelegde psychologische rapport. Hierbij acht de rechtbank relevant dat [eiser] heeft verklaard dat de betaalde koopsom voor de koopovereenkomst van 10 juli 2015 hoger is dan de getaxeerde waarde van de grond. Voorts is van belang dat [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat hij [eiser] aanvankelijk de verkoop van de percelen grond heeft afgeraden omdat hij wilde dat de zus van [eiser] de gronden ten behoeve van haar pensioen zou aankopen alsmede dat partijen een geliberaliseerde pacht voor de duur van zes jaar zijn overeengekomen omdat dit in de praktijk vaker voorkomt. Daarnaast heeft [gedaagde] onweersproken en met stukken onderbouwd aangevoerd dat [eiser] ten tijde van de grondverkoop in 2015 werd bijgestaan door ABAB Accountants en Adviseurs. Hieruit volgt dat [gedaagde] zich in het (onderhandelings)proces over verkoop van de percelen grond door deskundige(n) heeft laten bijstaan.

3.5.5.

Uit het vorenstaande volgt dat de door [eiser] aangevoerde feitelijke grondslag onvoldoende is om te kunnen concluderen dat er sprake is van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 lid 4 BW waarbij [gedaagde] op basis van hetgeen hij wist of behoorde te begrijpen zich had moeten weerhouden van het bevorderen van het tot standkomen van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. De omstandigheid dat iemand zich in een lastige persoonlijke, mentale en financiële positie bevindt, is aldus niet voldoende om misbruik in de zin van de wet aanwezig te achten. Evenmin is hiertoe toereikend de stelling van [eiser] dat hij niet bekend was met de gevolgen van de de tussen partijen gesloten overeenkomsten; zulks dient voor rekening en risico van [eiser] te blijven.

Vernietiging koopovereenkomsten

3.5.6.

Uit een vorenstaande volgt dat ter zake de bewuste koopovereenkomsten door [eiser] onvoldoende is gesteld waaruit de onjuiste voorstelling van zaken bestaat, dan wel geconcludeerd kan worden tot een ander wilsgebrek die tot vernietiging van de bewuste koopovereenkomsten zouden kunnen leiden.

Ontbinding koopovereenkomsten

3.6.

Daarnaast vordert [eiser] ontbinding van meergenoemde koopovereen-komsten. Ook dit beroep slaagt niet nu uit de stellingname van [eiser] niet volgt in de uitvoering van welke kopers verplichting [gedaagde] ter zake de bewuste koopovereenkomsten tekort zou zijn geschoten.

3.6.1.

Voor zover [eiser] met zijn betoog over de tussen partijen overeengekomen pachtduur beoogt te stellen dat sprake is van een tekortkoming omdat partijen niet de tussen hen afgesproken pachtduur zijn overeengekomen, geldt dat dit betoog eveneens faalt. In de leveringsakte van 16 maart 2012 staat over de pacht:

Artikel 2

(…)

3. Het verkochte wordt aanvaard in het genot van de pacht, waarvan blijkt uit een akte houdende een pachtovereenkomst, heden voor mij, notaris, te verlijden.(…)”

In de pachtovereenkomst van dezelfde datum staat dat partijen een pachtduur van vijf jaar zijn aangegaan eindigend op 16 december 2017.

Verder staat in de leveringsakte van 10 juli 2015 ter zake de pacht:

11. Pacht door verkoper

Partijen zijn op heden met elkander een geliberaliseerde pachtovereenkomst aangegaan voor de duur van 12 jaar, welke eindigt op 9 juli tweeduizend zeven en twintig.

In de op 15 juli tussen partijen overeengekomen nadere voorwaarden is bepaald:

[eiser] , pachter, pacht voor 6 jaar. Enkele maanden voor 10 juli 2021, maakt pachter bekend of hij nog 6 jaar, tot 10 juli 2027, wil pachten. Waarvoor verpachter op eerste verzoek akkoord is. Dit alles schriftelijk vastgelegd. De pachtovereenkomst is verder dezelfde als [nr] van 16-03-2012 van notaris [naam notaris] welke op 16-12-2017 bij deze wordt gevoegd.

Vast staat aldus dat partijen geliberaliseerde pachtovereenkomsten zijn aangegaan en dat [eiser] de mogelijkheid heeft om in ieder geval tot 10 juli 2027 de betreffende gronden van [gedaagde] te blijven pachten. Aldus zijn hiermee de door [eiser] geuite bezwaren ter zake de pachtduur ondervangen. De omstandigheid dat [eiser] , anders dan tussen partijen is overeengekomen, een levenslange pachtduur wenst is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico dient te blijven, nu partijen dit niet zijn overeengekomen.

3.7.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de feiten en omstandigheden als gesteld in de dagvaarding vordering sub I niet kunnen dragen, zodat deze behoort te worden afgewezen.

Rekening en verantwoording

3.8.

Hetzelfde geldt voor vordering sub II strekkende tot onder meer een veroordeling van [gedaagde] tot het afleggen van rekening en verantwoording ter zake de door hem gedane financiële handelingen met opgave van de personen met wie regelingen zijn getroffen en aan wie betalingen zijn gedaan en wat de regelingen inhouden. Immers, niet is komen vast te staan dat tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan uit hoofde waarvan [gedaagde] gehouden zou zijn tot het doen van rekening en verantwoording ter zake de door hem gevoerde onderhandelingen, gesprekken en regelingen met een aantal schuldeisers van [eiser] . Daar komt bij dat uit de verklaringen van [eiser] volgt dat hij aanwezig is geweest bij een aantal gesprekken, zodat hij hiervan op de hoogte wordt verondersteld. Verder volgt uit de door [eiser] afgelegde getuigenverklaring dat hem bekend is dat [gedaagde] een bedrag van € 160.000,-- aan schuldeisers van [eiser] heeft betaald, alsmede dat [gedaagde] ter zake hiervan aan zijn rekenplicht heeft voldaan middels een overzicht op een kladblaadje. Hoewel [eiser] betoogt dat een aantal schuldeisers niet, dan wel niet volledig zijn betaald door [gedaagde] , blijkt uit de gedingstukken geenszins dat een aantal schuldeisers het niet eens zijn met de getroffen betalingsregelingen. Daarnaast geldt dat [eiser] ter comparitiezitting heeft verklaard dat hij bankrekeningafschriften van de “en/of rekening” bij de bank heeft opgevraagd, zodat [eiser] op deze wijze bekend wordt verondersteld met het verloop van mutaties op voormelde rekening; overigens dient het er voor gehouden te worden dat [eiser] die evengoed als [gedaagde] toegang had tot de “en/of rekening”, zich tijdens de afwikkeling van diverse schulden door kennisname van het verloop van de mutaties zich op de hoogte had kunnen stellen van hetgeen hij thans van [gedaagde] verlangt. Verder heeft [gedaagde] als prod. 4 bij CvA een zogeheten rapport van feitelijke bevindingen, opgesteld door zijn accountant, inzake de geldstromen tussen partijen overgelegd waarin is gespecificeerd welke betalingen aan schuldeisers van [eiser] zijn verricht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een grond voor toewijzing voor vordering sub II ontbreekt.

Verklaring voor recht

3.9.

Vordering sub III dient eveneens te worden afgewezen vanwege een ondeugdelijke feitelijke grondslag. Ter zake van deze vordering volstaat [eiser] in de dagvaarding met de argumentatie dat [gedaagde] een ongegronde vordering op [eiser] heeft geconstrueerd. Volgens [eiser] pretendeert [gedaagde] ten onrechte vorderingen en facturen ter zake in het verleden door [gedaagde] ten behoeve van [eiser] uitgevoerde werkzaamheden, nu partijen in het verleden over en weer werkzaamheden met gesloten beurzen hebben verricht. Een gespecificeerde onderbouwing van de vorderingen en facturen van [gedaagde] is niet gegeven door [eiser] , zodat vordering sub III reeds hierom dient te worden afgewezen.

Vordering tot terugbetaling

3.10.

Vordering sub IV strekt tot een veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] terug te betalen de bedragen die hij “zal blijken onterecht te hebben ontvangen van [gedaagde] ”. Uit de kluwen van stellingen van [eiser] valt niet helder te ontwaren welke feiten hij aan deze vordering ten grondslag legt. Voor zover [eiser] aan deze vordering ten grondslag legt dat [gedaagde] ten onrechte op voorhand pachtpenningen is gaan declareren, terwijl partijen hebben afgesproken dat [eiser] de eerste twee jaar geen pachtpenningen verschuldigd zou zijn, alsmede dat [gedaagde] in strijd met de tussen partijen gemaakte pachtafspraken alle ruilverkavelingslasten heeft gekapitaliseerd tot een bedrag van € 10.000,-- en deze ten laste van [eiser] heeft gebracht, geldt dat deze stellingen - in het licht van het door [gedaagde] gevoerde verweer - geenszins geconcretiseerd zijn en met stukken zijn onderbouwd. Bij gebreke van het stellen van een concrete (feitelijke) grondslag en onderbouwing wordt deze vordering dan ook afgewezen.

Ontbinding/vernietiging van de overeenkomst van geldlening met hypotheek

3.11.

De als vordering sub V gevorderde ontbinding/vernietiging van de overeenkomst van geldlening met hypotheek komt evenmin voor toewijzing in aanmerking. In dit verband betoogt [eiser] dat hij zich door [gedaagde] heeft laten overhalen om voormelde overeenkomst in de overeengekomen vorm te sluiten omdat het hem niet duidelijk dat [gedaagde] bezig was met het innemen van zijn bedrijf. Daarnaast voert [eiser] aan dat de aanvankelijk door [gedaagde] aan hem geleende bedragen in geen verhouding tot de geclaimde hypotheekruimte van € 370.000,--. Gelet hierop kan de akte van geldlening met hypotheek volgens [eiser] niet in stand blijven.

3.11.1.

Gelijk in dit vonnis ter zake de door [eiser] gestelde dwaling en misbruik van omstandigheden is overwogen, kan geenszins worden geconcludeerd dat sprake is geweest van dwaling, noch van enig ander wilsgebrek dat zou moeten leiden tot vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Met in de deze procedure door [eiser] getrokken conclusie dat [gedaagde] met de bedoeling om het bedrijf van [eiser] in handen te krijgen de betreffende overeenkomst is aangegaan, komt - gezien het bepaalde in de artikelen 6:228 BW en 3:44 BW - aan hem geen succesvol beroep op enig wilsgebrek toe, nu een wilsgebrek aanwezig dient te zijn bij het aangaan van de overeen-komst. Zulks is echter gesteld noch gebleken. Het betoog van [eiser] dat sprake is van een disproportie tussen de aanvankelijk door [gedaagde] aan hem geleend bedrag van
€ 70.000,-- en het door [eiser] verstrekte hypotheek tot een bedrag van € 370.000,-- leidt evenmin tot een succesvol beroep op ontbinding of vernietiging van de bewuste overeenkomst van geldlening. Deze omstandigheid kwalificeert op zichzelf niet tot een tekortkoming die of wilsgebrek dat zou moeten leiden tot respectievelijk ontbinding of vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening. Daar komt bij dat [gedaagde] ter comparitiezitting onweersproken heeft verklaard dat gebleken is dat de schuldenlast van [eiser] méér dan € 225.000,-- bedroeg, alsmede de eigen verklaring van [eiser] dat zijn schuld aan [gedaagde] ongeveer € 160.000,-- bedraagt. Gelet hierop wordt niet ingezien dat de door [gedaagde] bedongen zekerheid in de vorm van een hypotheek disproportioneel of onredelijk is te achten. Het verwijt van [eiser] inhoudende dat [gedaagde] met zijn handelwijze het aan hem geleende bedrag ten behoeve van zichzelf heeft aangewend is niet gebaseerd op feiten maar op niet gefundeerde speculaties van [eiser] . Ook hetgeen overigens door [eiser] in dit verband is gesteld, legt onvoldoende gewicht in de schaal om het oordeel te wettigen dat sprake is van een tekortkoming of wilsgebrek leidend tot ontbinding of vernietiging van de bewuste overeenkomst.

Conclusie

3.12.

Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

3.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, welke kosten aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op een bedrag van € 904,00 aan salaris advocaat (2 x tarief II (onbepaalde waarde) ad € 452,-) en
€ 287,-- aan griffierecht, in totaal aldus € 1.191,--.

De verzochte nakosten en wettelijke rente zullen - als inhoudelijk onbetwist - worden toegewezen als in het dictum vermeld.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op een bedrag van € 1.191,00 te vermeerderen met nakosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 20 september 2017.