Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6202

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
02-800459-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van strafbare voorbereidingshandelingen moord (artikel 46 Wetboek van Strafrecht).

In het dossier bevinden zich weliswaar aanwijzingen dat verdachte betrokken is bij de voorbereiding van een ernstig strafbaar feit, maar niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte was gericht op het voorbereiden van een moord. Op basis van het dossier is het voorgenomen doel dat verdachte voor ogen zou hebben onvoldoende geconcretiseerd en bepaalbaar, nu de omstandigheden waaronder verdachte is aangetroffen ook ruimte openlaten voor andere criminele doeleinden dan moord.

Wel volgt een bewezenverklaring voor het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie en voor de opzetheling van een auto en een kentekenplaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800459-17

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave,

raadsman mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 september 2017, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, ter zake dat:

feit 1

hij op of omstreeks 20 juni 2017 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord, opzettelijk

- een geladen vuurwapen en/of

- een (gestolen) personenauto en/of

- meerdere (verschillende, gestolen) kentekenplaten en/of

- een zwart jack en/of een zwarte baseballpet en/of

- een fles benzine

(alle) bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

feit 2

hij op of omstreeks 20 juni 2017 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, model 83, kaliber 7,65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten negen patronen (kaliber 7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op of omstreeks 20 juni 2017 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een personenauto (BMW) en en of meer kentekenplaten heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie stelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de voorbereiding van moord.

Op 20 juni 2017 te Waspik wordt verdachte ’s-nachts in een BMW aangetroffen, welke blijkt te zijn gestolen en waarvan één van de kentekenplaten is gestolen. Op de bijrijdersstoel wordt een doorgeladen vuurwapen aangetroffen en onder de bestuurdersstoel ligt een petfles van het Sloveense merk Cockta, die is gevuld met benzine. Daar komt bij dat verdachte een onaannemelijke en niet verifieerbare verklaring heeft gegeven over wat hij daar deed, voor wie hij dat deed en wat de afspraken waren met zijn opdrachtgevers. Wanneer deze voorbereidingsmiddelen in onderlinge samenhang worden beschouwd, kan het niet anders zijn dan dat deze zijn bestemd voor het misdrijf moord. De officier gaat er daarbij vanuit dat het gaat om voorbereiding van de moord op [slachtoffer] , waarmee de contouren van een op handen zijnde liquidatie zijn gegeven.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie acht ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat een op scherp staand vuurwapen met bijbehorende munitie in de BMW is aangetroffen, alsmede op het proces-verbaal van het bureau Wapens, Munitie en Explosieven.

Ten aanzien van feit 3

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van een auto, een BMW, en één kentekenplaat. De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op de aangifte van diefstal van de auto en van één kentekenplaat. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat het bestuurdersportier van de BMW is geforceerd en dat de bij de auto behorende spoiler van de auto is verwijderd. Daarnaast heeft verdachte, in opdracht van anderen, op de plaats van bestemming de kentekenplaten aan de voorzijde en aan de achterzijde verwisseld. Voornoemde feiten en omstandigheden, alsmede de wijze waarop verdachte gebruik heeft gemaakt van het voertuig, maken dat verdachte wist dat de BMW en de kentekenplaat waren gestolen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen bewijs voorhanden is voor het beramen van een moord door verdachte en dat de aangetroffen spullen ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. Nu niet kan worden aangetoond dat verdachte als doel een moord voor ogen had, kan ook geen sprake zijn van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen. Verdachte dient daarom van feit 1 te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

De verdediging stelt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie in de BMW voorhanden had en refereert zich ten aanzien van het bewijs aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 3

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling van de BMW. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist dat de auto van misdrijf afkomstig was, nu hij in het bezit was van de originele autosleutels en er geen aanwijzingen zijn waaruit verdachte heeft kunnen opmaken dat het om een gestolen personenauto gaat.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 20 juni 2017, omstreeks 03:00 uur, begeven verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich, naar aanleiding van een melding van een verdachte grijze auto, naar de [straatnaam 1] in Waspik. Getuigen hebben gezien dat een man twee keer is uitgestapt en 5 respectievelijk 15 minuten is weggeweest, terwijl de motor van de auto bleef draaien. Ter plaatse zien [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een grijze personenauto, te weten een BMW, in hun richting rijden en ze geven de auto een stopteken. De bestuurder van de BMW stopt en identificeert zich op verzoek van de verbalisanten als [verdachte] , zijnde verdachte.

Bij controle van de BMW blijkt dat de kentekenplaat met het kenteken [kenteken 1] , die aan de voorzijde van de BMW is bevestigd, met elastiekjes over een andere kentekenplaat met het kenteken [kenteken 2] is bevestigd. Ook aan de achterzijde van de BMW is een kentekenplaat met het kenteken [kenteken 3] met elastiekjes bevestigd over een andere kentekenplaat met het kenteken [kenteken 2] . De kentekenplaat met kenteken [kenteken 3] staat als gestolen geregistreerd.

Verbalisant [verbalisamt 3] ziet op de bijrijdersstoel, onder een zwarte jas een en een zwarte baseballpet, een gedeelte van de loop van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. [verbalisamt 3] ziet dat het op een vuurwapen gelijkend voorwerp vanaf de bestuurdersstoel voor inzet gereed is. Verdachte is hierop aangehouden ter zake van de Wet wapens en munitie. Het wapen is onderzocht door het bureau Wapens, Munitie en Explosieven. Het betreft een vuurwapen, te weten een (op scherp staand) pistool, merk CZ, model 83, kaliber 7.65 mm, als bedoeld in categorie III van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen verkeert in goede staat van onderhoud, functioneert naar behoren en is direct voor gebruik geschikt. Daarnaast zijn in de houder van het pistool negen patronen van het kaliber 7.65 mm aangetroffen.

De personenauto is nader onderzocht. In het voertuig is onder de bestuurdersstoel, in een blauwe plastic zak, een anderhalve liter fles van het Sloveense merk Cockta gevuld met benzine aangetroffen. Voorts wordt geconstateerd dat het slot aan de bestuurderszijde schade heeft en dat er krassen en scheuren in en op het slot zitten. Na controle van het chassisnummer [chassisnummer] van de BMW blijkt dat de BMW staat geregistreerd als gestolen en dat op 21 maart 2017 aangifte is gedaan van diefstal van deze personenauto.

Uit onderzoek aan het navigatiesysteem in de BMW blijkt dat het meest recente adres

dat in het navigatiesysteem is ingevoerd het adres [adres 1] te Waspik betreft. In dit kader is een onderzoek ingesteld naar dit adres en naar de nabij gelegen woningen. Hieruit is het adres [adres 3] te Waspik naar voren gekomen. Op dit adres woont [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft antecedenten op het gebied van productie en handel in harddrugs, alsmede op het gebied van wapenbezit. Naar voren is gekomen dat eind 2016 in de richting van [slachtoffer] bedreigingen zijn geuit, waarbij een vuurwapen op het hoofd van [slachtoffer] is gezet. [slachtoffer] rijdt in een zware Peugeot, model 107 en rijdt daarmee via de [straatnaam 2] in Waspik langs het kapelletje van en naar zijn werk.

Getuige [getuige] verklaart dat verdachte bij hem in de woning, gelegen aan de [adres 2] te Nijmegen, heeft verbleven. Verdachte zou tien dagen bij hem in de woning verblijven, maar dit is verlengd. Verdachte zou daarna weer terug naar Bosnië gaan.

Bij verdachte en in de auto is geen telefoon aangetroffen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in Nederland was om werk te zoeken. In Nijmegen heeft verdachte, één of twee dagen na zijn aankomst, twee Marokkaanse mannen ontmoet waarvan er één een beetje zijn taal sprak. Zij hebben werk voor verdachte, waarbij verdachte een man die in een zwarte Peugeot rijdt, moet volgen om zodoende te achterhalen waar deze man naartoe gaat. Volgens verdachte gaven deze mannen hem de opdracht om bij het kapelletje in Waspik te gaan staan, omdat de man daar in zijn Peugeot voorbij zou rijden. De mannen hebben aan verdachte eenmaal een foto op de telefoon getoond van de man die verdachte moest volgen. Het zou een man zijn die crimineel was. De Peugeot zou zwart zijn, maar verdachte weet niet welk type het was. De mannen hebben de BMW aan verdachte beschikbaar gesteld, die verdachte op een parkeerplaats in Nijmegen kon ophalen als hij de man zou gaan observeren. De auto was open en de sleutels lagen in de auto. Het adres was al ingetoetst in het navigatiesysteem. Ook de kentekenplaten en de fles benzine lagen al in de auto. Ter plaatse (in Waspik) moest verdachte de kentekenplaten verwisselen, omdat de te volgen man anders de BMW zou herkennen. Het vuurwapen bevond zich in de auto zodat verdachte, in het geval hij zich bedreigd zou voelen, hiermee in de lucht kan schieten.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij slechts eenmaal contact met zijn opdrachtgevers heeft gehad, dat hij de auto steeds terug heeft gezet op de parkeerplaats, dat hij zijn bevindingen op een papiertje schreef en dat er de keer erna, als hij de auto weer ophaalde,
€ 50,- in de auto lag en de auto was volgetankt. Verdachte is daar 4 á 5 keer geweest en heeft de man 2 keer gezien. Verdachte beschikt niet over gegevens van zijn opdrachtgevers en er zijn geen afspraken gemaakt over hoe vaak of wanneer verdachte zou moeten posten.

Feit 1: voorbereidingshandelingen

Ingevolge artikel 46 Wetboek van Strafrecht is er sprake van strafbare voorbereiding wanneer de dader opzettelijk middelen verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft, bestemd tot het begaan van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld.

In de rechtspraak zijn criteria ontwikkeld om vast te stellen of er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen- en middelen. Er moet worden beoordeeld of de voorbereidingsmiddelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk bestemd zijn tot het begaan van een misdrijf, zoals bedoeld in artikel 46, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit de rechtspraak volgt dat een drietal criteria maatgevend is om te bepalen of een voorwerp ‘kennelijk is bestemd’ tot het begaan van het beoogde misdrijf, te weten:

  1. De uiterlijke verschijningsvorm van de voorbereidingsmiddelen;

  2. Het gebruik daarvan;

  3. Het ‘misdadige’ doel dat verdachte met het gebruik voor ogen had.

Dit betekent dat niet alleen de aard en het gebruik van het voorwerp op zichzelf doorslaggevend is, maar dat ook de intentie van verdachte meeweegt bij het bewijs van de kennelijke bestemming. Het opzet is hierin gelegen dat er moet worden vastgesteld dat verdachte de voorwerpen overeenkomstig de kennelijke bestemming wilde gebruiken.

De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in de nacht van 20 juni 2017 in een gestolen BMW voorzien van valse kentekenplaten bevindt met onder handbereik een geladen en gebruiksklaar vuurwapen. Onder de bestuurdersstoel bevindt zich een anderhalve liter fles gevuld met benzine. Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat de aangetroffen voorwerpen naar hun uiterlijke verschijningsvorm en gebruik dienstig kunnen zijn voor een misdadig doel.

Verdachte heeft weliswaar een verklaring gegeven voor wat hij op dat tijdstip in Waspik deed, maar deze verklaring is alles behalve concreet en verifieerbaar. Zo beschikte verdachte naar zijn zeggen niet over gegevens van zijn opdrachtgevers en zijn er geen afspraken gemaakt over hoe vaak, wanneer en met welk (concreet) doel verdachte de persoon in kwestie zou moeten volgen. Evenmin zou verdachte weten wie deze persoon was en waar hij woonde. Er zou aan hem slechts eenmaal een foto zijn getoond. Daarnaast zou hij weten dat deze man in een zwarte Peugeot rijdt, maar ook van deze Peugeot waren bij verdachte volgens hem geen gegevens bekend. Bovendien heeft verdachte geen verklaring gegeven voor het feit waarom hij een geladen en gebruiksklaar wapen binnen handbereik had liggen terwijl hij alleen maar een adres zou behoeven te achterhalen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook ongeloofwaardig.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de aanwezigheid van verdachte aldaar, op dat moment en onder de gegeven omstandigheden niet kan worden verklaard door andere dan criminele motieven.

De vaststelling dat verdachte erop uit is geweest om een misdrijf te plegen en zich daarbij heeft opgehouden in de omgeving van de woning van [slachtoffer] , terwijl hij zich heeft voorzien van een geladen vuurwapen, een gestolen (vlucht)auto met valse kentekenplaten en benzine, brengt echter op zichzelf nog niet mee dat de criminele motieven waren gelegen in het ombrengen van die [slachtoffer] .

Hoewel uit de stukken volgt dat [slachtoffer] op enig moment in het verleden is bedreigd, de navigatie in de gestolen BMW was ingesteld op het adres van de buren van [slachtoffer] , [slachtoffer] in een zwarte Peugeot rijdt en via de [straatnaam 2] in Waspik langs het kapelletje van en naar zijn werk rijdt, vormen ook deze aanwijzingen onvoldoende grond voor de conclusie dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte van plan was [slachtoffer] op 20 juni 2017 te liquideren. Het dossier bevat ook geen andere concretere aanknopingspunten in de zin van bijvoorbeeld tapgesprekken of telefoonverkeer die in die richting wijzen. Daar komt bij dat [slachtoffer] ook niet weet wie hem om het leven zou willen brengen en om welke reden.

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier weliswaar aanwijzingen bevinden dat verdachte betrokken is bij de voorbereiding van een ernstig strafbaar feit, maar dat op grond hiervan niet kan worden vastgesteld dat het opzet van verdachte was gericht op het voorbereiden van een moord. Hoewel de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij de man slechts moest volgen om een adres te achterhalen volstrekt ongeloofwaardig acht en zij geen enkele twijfel heeft over de criminele intenties van verdachte, is het voorgenomen doel dat verdachte voor ogen zou hebben op basis van het dossier onvoldoende geconcretiseerd en bepaalbaar, nu de omstandigheden waaronder verdachte is aangetroffen ook ruimte openlaten voor andere criminele doeleinden dan moord.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen aan verdachte onder 1 ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Feit 2: het voorhanden hebben van een wapen met bijbehorende munitie

Op 20 juni 2017 te Waspik wordt op de bijrijdersstoel van een grijze BMW, waarvan verdachte de bestuurder is, een geladen wapen aangetroffen en in beslag genomen.1

Het wapen is onderzocht door het bureau Wapens, Munitie en Explosieven. Het betreft een (op scherp staand) centraalvuur pistool van het merk CZ, model 83, kaliber 7.65 mm, te weten een wapen als bedoeld in categorie III van de Wet wapens en munitie. Het vuurwapen verkeert in goede staat van onderhoud, functioneert naar behoren en is direct voor gebruik geschikt. Daarnaast zijn bij het pistool negen centraalvuur eenheidspatronen van het kaliber 7.65 mm aangetroffen. Deze munitie is geschikt voor vuurwapens als bedoeld in categorie III.2

De rechtbank is op basis van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een wapen, te weten een pistool van het merk CZ, model 83, kaliber 7.65 mm dat op de bijrijdersstoel in de BMW is aangetroffen, met bijbehorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Feit 3: opzetheling

Op 21 maart 2017 te Herten, gemeente Roermond, is een personenauto weggenomen, te weten een grijze BMW 5er Reihe met het Belgische kenteken [kenteken 4] .3

Op 20 juni 2017 te Waspik wordt verdachte als bestuurder aangetroffen in een grijze BMW. Aan de voorzijde van de auto bevindt zich een kentekenplaat met het kenteken [kenteken 1] . Deze kentekenplaat is met elastiekjes over een andere kentekenplaat met het kenteken [kenteken 2] bevestigd. Ook aan de achterzijde van de auto bevindt zich een kentekenplaat met het kenteken [kenteken 3] , die met elastiekjes is bevestigd over een andere kentekenplaat met het kenteken [kenteken 2] .4 De kentekenplaat met kenteken [kenteken 3] blijkt tussen 9 en 10 juni 2017 in Drunen te zijn gestolen.5

Bij onderzoek van de BMW is door de verbalisanten geconstateerd dat deze BMW voor diefstal gesignaleerd staat. Daarnaast wordt in en op het slot aan de bestuurderszijde schade geconstateerd. Ook op de klep van de kofferbak aan achterzijde van de BMW wordt schade opgemerkt en zijn lijmresten aangetroffen. Uit de aangifte van [aangever 1] blijkt dat achter op de BMW een spoiler hoort te zitten. De verbalisanten constateren dat zich op de kofferbak aan de achterzijde van de BMW geen spoiler meer bevindt.6

Verdachte heeft verklaard dat hij met de BMW, welke bij de COOP supermarkt te Nijmegen stond geparkeerd, meermalen naar Waspik is gereden. De auto was altijd open en de sleutels lagen in de auto net als het geladen wapen. Wanneer hij bij het kapelletje in Waspik arriveerde, moest hij de kentekenplaten, welke in de achterbak van de auto lagen, aan de voorzijde en aan de achterzijde over de andere kentekenplaten bevestigen. Wanneer verdachte weer terug naar Nijmegen reed, moest hij de kentekenplaten er weer af halen. Vervolgens moest verdachte de auto achterlaten op de parkeerplaats bij de COOP supermarkt te Nijmegen.7

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Deze vraag wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord.

Vaststaat dat de BMW en de kentekenplaat met het kenteken [kenteken 3] zijn gestolen. Daarnaast is verdachte als bestuurder in het gestolen voertuig aangetroffen. Ook staat vast dat het slot van de BMW aan de bestuurderszijde is geforceerd en zijn op de kofferbak lijmresten aangetroffen op de plaats waar de spoiler van het voertuig heeft gezeten.

Nu verdachte naar zijn zeggen meerdere keren gebruik heeft gemaakt van de auto, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte de schade aan het slot en de klep van de kofferbak moet hebben gezien. Daar komt bij dat uit de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte de auto tot zijn beschikking heeft gekregen en heeft gebruikt, reeds kan worden afgeleid dat verdachte wist dat de auto van misdrijf afkomstig was. De verklaring van verdachte dat hij dit niet wist en dat hij er anders nooit in zou hebben gereden, acht de rechtbank gelet op voornoemde omstandigheden dan ook volstrekt onaannemelijk. Gelet op het gebruik van de gestolen kentekenplaat in samenhang bezien met het gebruik van de auto heeft verdachte ten minste de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook deze kentekenplaat van misdrijf afkomstig was.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetheling van de BMW en een kentekenplaat.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 2

hij op of omstreeks 20 juni 2017 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk CZ, model 83, kaliber 7,65 mm), en/of munitie van categorie III, te weten negen patronen (kaliber 7,65 mm), voorhanden heeft gehad;

feit 3

hij op of omstreeks 20 juni 2017 te Waspik, gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een personenauto (BMW) en een of meer kentekenplaaten heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de LOVS-richtlijnen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf uit de Wet wapens en munitie, door een doorgeladen en schietklaar vuurwapen onder dubieuze omstandigheden voorhanden te hebben. Hij heeft zich met dit vuurwapen in de nacht op de openbare weg begeven. Het wapen lag bovendien gebruiksklaar onder handbereik. Dat verdachte hierbij een criminele intentie had, ligt voor de hand. Door aldus te handelen is een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen ontstaan. Dit misdrijf heeft in hoge mate een gevaarzettend karakter. Alleen al dit feit rechtvaardigt een gevangenisstraf van enige duur.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan opzetheling van een BMW en een kentekenplaat. Ook dit is een ernstig feit, omdat wordt geprofiteerd van een misdrijf dat door een ander is begaan.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, legt zij een

lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden.

7 Het beslag

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen het onder 2 tenlastegelegde feit is begaan.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 57, 91 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

feit 3: Opzetheling, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 1 en 2.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vliegenberg, voorzitter, mr. Dekker en mr. Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Koster, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 september 2017.

De griffier en mr. Vliegenberg zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-20171445516 (onderzoek Lamia) van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 288. Het proces-verbaal van bevindingen, p. 101.

2 Het proces-verbaal betreffende een pistool en munitie van het bureau Wapens, Munitie en Explosieven, p. 217-218.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 207.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 97.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 212.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 120 en de bij het proces-verbaal van bevindingen behorende bijlagen (foto’s), p. 129 en p. 133-134.

7 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 8 september 2017 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 57-59.