Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:611

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
5287814 AZ VERZ 16-169, 5290146 AZ VERZ 16-170, 5290559 AZ VERZ 16-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

‘WWZ. Werknemer wordt op staande voet ontslagen, onder meer omdat zij werkgever verwijt dat sprake is van seksuele intimidatie. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd. In verband met het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst wordt de werkgever op de voet van artikel 7:646 lid 12 BW in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat geen sprake was van seksuele intimidatie. Werkgever slaagt niet in het bewijs. De arbeidsovereenkomst wordt desalniettemin ontbonden op de g-grond onder toekenning van een billijke vergoeding aan werknemer.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/645
AR 2017/695
AR-Updates.nl 2017-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Breda

zaak/rolnr.: 5287814 AZ VERZ 16-169, 5290146 AZ VERZ 16-170, 5290559 AZ VERZ 16-171

Beschikking d.d. 25 januari 2017

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

verzoekende partij en verwerende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. Ö Sarac, advocaat te Rotterdam,

tegen

[verweerster]

gevestigd te [woonplaats] ,

verwerende partij en verzoekende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. D. Feddes, advocaat te Alphen aan den Rijn.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoekster] en [verweerster] .

1 Het verdere procesverloop

Inzake het verzoek en het tegenverzoek

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de beschikking van 21 september 2016. Na die beschikking is door [verzoekster] en [verweerster] op 5 oktober 2016 en op 2 november 2016 een akte genomen.

2 De verdere beoordeling

Inzake het verzoek

2.1

In haar beschikking van 21 september 2016 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 19 juli 2016 niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag op staande voet ex artikel 7:671 juncto 7:681 lid 1 BW zal worden toegewezen.

2.2

In de akte van 5 oktober 2016 verzoekt [verweerster] de kantonrechter om daarop terug te komen. Zij voert aan dat de gronden die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd gezamenlijk dienden te worden bezien en niet afzonderlijk.

2.3

Voornoemde beslissing is aan te merken als een eindbeslissing nu deze uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is gegeven. In beginsel kan hierop in de verdere loop van het geding niet meer worden teruggekomen en kan een gegeven eindbeslissing slechts worden bestreden door aanwending van een rechtsmiddel, in dit geval het instellen van hoger beroep. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

2.4

Gelet op hetgeen onder 5.5 van voornoemde beschikking is overwogen en gelet op het tijdsverloop tussen de eerste drie verwijten die [verweerster] aan [verzoekster] maakt (verzuim van lessen, onterechte betichting van seksuele intimidatie en het niet verlenen van medewerking aan het plan van aanpak) en het vierde verwijt dat volgens [verweerster] de emmer deed overlopen (het niet verschijnen op een afspraak bij het UWV), is de kantonrechter van oordeel dat deze verwijten ook in onderling verband geen ontslag op staande voet rechtvaardigen.

2.5

Dit betekent dat het een noch het ander kan leiden tot het oordeel dat de aangevochten beslissing in het de tussenbeschikking berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Voor het overige geldt dat het leerstuk van het terugkomen op een bindende eindbeslissing niet is bedoeld om een partij, nadat is gebleken dat het aanvankelijk door hem gevoerde verweer onvoldoende is bevonden alsnog in de gelegenheid te stellen dit nader toe te lichten of te onderbouwen. De kantonrechter volhardt dan ook in hetgeen in de tussenbeschikking is overwogen en zal voortbouwen op de daarin vervatte eindbeslissingen.

2.6

[verweerster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [verzoekster] . De proceskosten worden begroot op € 479,00 (€ 400,00 gemachtigdensalaris en € 79,00 griffierecht).

Inzake het tegenverzoek

2.7

Ten aanzien van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft de kantonrechter overwogen dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verzoekster] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt en dat het opzegverbod niet aan ontbinding in de weg staat. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat het feit dat [verzoekster] geen medewerking heeft verleend aan het opstellen van een plan van aanpak niet – ook – kan leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst alsmede dat het feit dat [verzoekster] bovenmatig heeft verzuimd om de lessen van haar opleiding bij te wonen en het feit dat zij op 14 juli 2016 niet is verschenen op een afspraak bij het UWV, niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoekster] of dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Tot slot heeft de kantonrechter [verweerster] opgedragen om te bewijzen dat geen sprake is geweest van seksuele intimidatie. [verzoekster] is in de gelegenheid gesteld om de verklaring van de SOB-er te overleggen.

2.8

Bij akte van 5 oktober 2016 heeft [verzoekster] een e-mail van 5 september 2016 overgelegd van [naam 1] . Deze schrijft: ‘(…) [voornaam] heeft op 7 januari 2016 met mij zeer kort gesproken over seksuele intimidatie en het verdraaien van de feiten door de werkgever. Gezien het onderwerp en de interne procedure, heb ik [voornaam] direct doorverwezen naar de maatschappelijk werkster van het Kellebeek College (…).

2.9

Bij akte van 5 oktober 2016 heeft [verweerster] aangevoerd dat de gedragingen van [verzoekster] ook hier gezamenlijk dienen te worden bezien en niet afzonderlijk dienen te worden beoordeeld en dat het niet mee werken aan re-integratieverplichtingen gelet op jurisprudentie een redelijke grond kan opleveren voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Duidelijk is dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, hetgeen ter zitting ook nog eens is bevestigd.

Voorts voert [verweerster] in die akte aan dat geen sprake is van geweest van seksuele intimidatie door [naam 2] . In dat verband wordt de authenticiteit van de whatsapp berichten betwist, alsmede dat [naam 2] avances richting [verzoekster] heeft gemaakt, of dat hij haar aangerand zou hebben. Voor zover opmerkingen zijn gemaakt of berichten zijn gestuurd, waren deze vergelijkbaar met opmerkingen die [verzoekster] maakte of reacties daarop zonder dat hij hierbij ooit een seksuele bedoeling heeft gehad. [verzoekster] heeft niet of onvoldoende aangevoerd dat zij in haar waarde is aangetast of gekwetst. Artikel 7:646 lid 12 BW is niet van toepassing op de vraag of een voldragen redelijke grond voor ontbinding bestaat. [verzoekster] heeft daaraan namelijk geen rechtsgevolg verbonden. Uit een rekeningafschrift volgt dat [naam 2] op de dag van de vermeende aanranding op excursie was met enkele cliënten, aldus [verweerster] .

2.10

[verzoekster] voert daarop in haar akte van 2 november 2016 aan dat uit de gedragingen en de manier waarop [verweerster] na het incident met haar is omgegaan volgt dat het incident wel degelijk heeft plaatsgevonden. [verzoekster] verwijst naar de oproep op 1 januari 2016 om te komen werken en de werkzaamheden die toen door haar verricht dienden te worden, alsmede de hogere huur en alle middelen die zijn ingezet om haar te ontslaan. [verweerster] heeft haar zorgplicht jegens [verzoekster] geschonden door geen goed arbeidsomstandighedenbeleid te voeren. Uit de berichten volgt dat ze afwijzend reageert omdat ze in haar waardigheid is aangetast. [verzoekster] is door de bedrijfsarts volledig arbeidsongeschikt verklaard als gevolg van de traumatische ervaring. Re-integratie in het tweede spoor wordt geadviseerd maar daaraan wordt door [verweerster] geen uitvoering gegeven aldus [verzoekster] .

2.11

Bij haar akte van 2 november 2016 heeft [verweerster] een e-mail van 28 oktober 2016 van [naam 3] , zedenrechercheur, overgelegd. Zij schrijft: ‘(…) Het is inderdaad zo dat er voor de Officier van Justitie destijds te weinig feiten en omstandigheden waren om [naam 2] als verdachte aan te merken. In het kader van hoor- en wederhoor is [naam 2] uitgenodigd voor verhoor en hij kreeg de rol als getuige. (…)’. Voorts voert [verweerster] aan dat niet uit de verklaring van [naam 1] volgt dat hij [verzoekster] heeft geadviseerd om aangifte te doen of dat zij de vermeende aanranding op 29 december 2015 met hem heeft besproken. Ook trekt [verweerster] de juistheid van de verklaring in twijfel. Tot slot voert [verweerster] aan dat voldoende grond voor ontbinding aanwezig is en dat herplaatsing niet mogelijk is.

2.12

Onder verwijzing naar 2.3 en 2.5 van deze beschikking overweegt de kantonrechter dat zij ook ten aanzien van dit verzoek zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat de door [verweerster] aangevoerde omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoekster] of dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerster] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich tussen 12 april en 19 juli 2016 omstandigheden hebben voorgedaan die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen wegens het niet meewerken aan haar re-integratieverplichtingen terwijl reeds een loonsanctie was opgelegd. Niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] met opzet niet bij het UWV is verschenen op 14 juli 2016 terwijl gesteld noch gebleken is dat door [verweerster] bij [verzoekster] alsnog is aangedrongen op de realisatie van een plan van aanpak.

2.13

In haar beschikking van 21 september 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat [verzoekster] naar haar oordeel het vermoeden van seksuele intimidatie voldoende aannemelijk heeft gemaakt en op de voet van artikel 7:646 lid 12 BW is [verweerster] opgedragen te bewijzen dat geen sprake was van seksuele intimidatie. In dat bewijs is [verweerster] niet geslaagd. [verweerster] heeft de stellingen die zij eerder heeft geponeerd herhaald. De kantonrechter heeft daarop echter reeds geoordeeld. Het enige nieuwe verweer van [verweerster] luidt dat [naam 2] op de dag van de vermeende aanranding afwezig was in verband met een uitje. Het door [verweerster] in het geding gebrachte bankafschrift is naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende om die stelling te ondersteunen. Immers niet valt uit te sluiten dat de transacties op die dag door een ander dan van [naam 2] zijn verricht.

2.14

Nu [verweerster] niet is geslaagd in het leveren van bewijs van haar stelling is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake is van verwijtbaar handelen door [verzoekster] . [verzoekster] heeft door het overleggen van de verklaring van [naam 1] het vermoeden van seksuele intimidatie door [naam 2] versterkt. Dit handelen van de werkgever levert naar het oordeel van de kantonrechter een verstoorde arbeidsverhouding op die zodanig is dat een einde aan de arbeidsovereenkomst dient te komen.

2.15

De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:672 BW ontbinden per 1 maart 2017. Nu de arbeidsovereenkomst minder dan 24 maanden heeft geduurd heeft [verzoekster] geen recht op een transitievergoeding.

2.16

De vraag die resteert luidt of aan [verzoekster] een billijke vergoeding dient te worden toegewezen. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds).(zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen doet deze situatie zich hier voor. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding om een billijke vergoeding van € 2.000,00 bruto toe te kennen.

2.17

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal [verweerster] gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

2.18

De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde. Deze worden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 400,00 aan gemachtigdensalaris.

3 De beslissing

De kantonrechter:

inzake het verzoek:

3.1

vernietigt het op 19 juli 2016 gegeven ontslag op staande voet;

3.2

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] vaststelt op € 479,00, waaronder € 400,00 aan gemachtigdensalaris;

inzake het tegenverzoek:

3.3

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verweerster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [verzoekster] , zal lopen tot en met 15 februari 2017;

Voor het geval [verweerster] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

3.4

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2017;

3.5

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 2.000,00;

3.6

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] vaststelt op € 400,00 aan gemachtigdensalaris;

Voor het geval [verweerster] het verzoek binnen die termijn intrekt:

3.7

veroordeelt [verweerster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] vaststelt op € 400,00 aan gemachtigdensalaris;

inzake het verzoek en het tegenverzoek:

3.8

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.9

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.N.E. Meyboom, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2017 in tegenwoordigheid van mr. N.E.J.M. Stoof als griffier.