Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:6085

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
AWB 16_9540
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO 2015. Dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/9540 WMO15

uitspraak van 26 september 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 oktober 2016 (bestreden besluit) van het college inzake huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 24 augustus 2017. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft diverse beperkingen die hem belemmeren bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Het college heeft hem vanaf 2012 hulp bij het huishouden in natura toegekend voor 6 uur per week.

Bij besluit van 15 februari 2015 heeft het college aangegeven dat eiser vanaf 15 juni 2015 in aanmerking komt voor huishoudelijke ondersteuning gericht op het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’.

Bij besluit van 17 juni 2015 (primair besluit) heeft het college eiser huishoudelijke ondersteuning toegekend over de periode vanaf 15 juni 2015 gericht op de resultaten ‘wonen in een schoon huis en/of beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding’. Dit besluit vervangt primair besluit 1.

Bij brief van 28 juli 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Eiser heeft bij brief van 29 september 2015 zijn bezwaar aangevuld.

Op 1 februari 2016 heeft de adviescommissie voor de bezwaarschriften Bergen op Zoom geadviseerd om eisers bezwaren gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen, waardoor de vorige indicatie van kracht wordt.

Bij het bestreden besluit heeft het college eisers bezwaren gegrond verklaard, het primaire besluit ingetrokken en aan eiser over de periode 15 juni 2015 tot en met 27 april 2017 tot nieuw beleid is vastgesteld per week 6 uur huishoudelijke hulp in natura toegekend. Ook is besloten om over de periode 15 juni 2015 tot 13 oktober 2016 extra ingekochte uren te vergoeden, uitgaande van de indicatie van 6 uur per week, tot een maximum van € 21,47 per uur. Eiser dient daartoe facturen en een kopie van zijn bankpas naar de gemeente te sturen.

Het college heeft de toekenning van huishoudelijke hulp nadien verlengd tot november 2017.

2. Eiser voert in beroep aan dat hem niet duidelijk is of de toegekende huishoudelijke hulp duurt tot 27 april 2017 of totdat nieuw beleid is vastgesteld. Ook is eisers huis als gevolg van de besluitvorming door het college vervuild. Het beroep is ook gericht tegen de weigering van het college om op eisers verzoeken en ingebrekestellingen van 5 januari 2016 en 2 maart 2016 (2 x) te besluiten. Volgens eiser is het college in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar een dwangsom van € 1.260,- verschuldigd. Eiser heeft bovendien bij brief van 5 januari 2016 het college gevraagd om vergoeding van gemaakte en te maken kosten ten gevolge van de procedure. Omdat het college hierop niet tijdig heeft beslist, heeft hij op 2 maart 2016 een ingebrekestelling gestuurd. Het college heeft hierop in het bestreden besluit niet gereageerd, zodat het ook hiervoor een dwangsom van € 1.260,- verschuldigd is. Eiser vraagt ook om vergoeding van de verschuldigde rente over de dwangsommen. Hij voert ook aan dat het beroep wegens schending van het fair playbeginsel gegrond moet worden verklaard omdat het college heeft verzuimd om alle stukken aan de rechtbank over te leggen en deels onleesbare stukken heeft overgelegd.

3. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat als een beschikking niet op tijd wordt genomen, het bestuursorgaan een dwangsom verschuldigd is voor elke dag dat het in gebreke is, maar voor ten hoogste 42 dagen.

In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het nemen van het besluit is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen

In artikel 4:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vaststelt binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

In artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan wel het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking, het niet aan een termijn is gebonden.

In het tweede lid is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

Procesbelang

4. De rechtbank is, anders dan het college, van oordeel dat eiser belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep door de rechtbank.

Allereerst omdat eiser stelt dat het college in het bestreden besluit niet heeft gereageerd op zijn verzoek in de brief van 5 januari 2016 om vergoeding van gemaakte en te maken kosten ten gevolge van de procedure.

Bovendien heeft eiser aangevoerd dat bij het bestreden besluit niet is beslist over zijn verzoeken in de brieven van 5 januari en 2 maart 2016 tot het vaststellen van een dwangsom. De rechtbank voegt daaraan toe dat volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4682) van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb sprake is als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake als voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft, dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist en dat belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen. Als van een ingebrekestelling in deze betekenis sprake is, is het bestuursorgaan op grond van artikel 4:18, eerste lid, van de Awb verplicht om binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is hierover te beslissen. Dan is geen nader verzoek van de belanghebbende nodig. De rechtbank is van oordeel dat eisers brief van 5 januari 2016 wat betreft de inhoud als een ingebrekestelling in de hiervoor vermelde betekenis moet worden aangemerkt.

Ingetrokken beroepsgronden

5. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser ter zitting de beroepsgrond heeft ingetrokken dat bij het bestreden besluit de vergoeding van extra ingekochte uren niet voor de periode tot 13 oktober 2016 mogelijk had moeten worden gemaakt, maar tot en met 14 oktober 2016 omdat op die datum het bestreden besluit is verzonden.

Eiser heeft ter zitting ook de beroepsgrond ingetrokken dat de hoogte van de vergoeding die het college in het bestreden besluit in het vooruitzicht stelt, gebaseerd is op de pgb-regel, terwijl eiser alleen hulp in natura ontving.

De rechtbank laat daarom een oordeel over deze beroepsgronden achterwege. De rechtbank voegt hieraan ten overvloede toe dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij geen extra uren huishoudelijke hulp heeft ingekocht. Een vergoeding daarvan is daarom voor hem niet aan de orde, zodat een oordeel over die beroepsgronden voor eiser dus niet relevant is.

Fair playbeginsel

6. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroepsgrond over schending van het fair playbeginsel niet slaagt. Voor zover het college heeft nagelaten alle relevante stukken en leesbare stukken aan de rechtbank over te leggen, is eiser daardoor niet benadeeld. Hij heeft ter zitting namelijk erkend dat iedereen in deze procedure over dezelfde leesbare stukken beschikt.

Aantal toegekende uren huishoudelijke hulp

7. De rechtbank stelt vast dat eiser ter zitting voor het eerst heeft aangevoerd dat zijn huis als gevolg van de besluitvorming door het college is vervuild. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser stelt dat hem meer uren huishoudelijke hulp hadden moeten worden toegekend.

De rechtbank zal deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten de beoordeling laten. Eiser heeft deze grond pas ter zitting aangevoerd en het college heeft zich daardoor hierop niet kunnen voorbereiden en evenmin inhoudelijk hierop kunnen reageren.

Einddatum toekenning

8. De rechtbank overweegt over eisers beroepsgrond dat hem uit het bestreden besluit niet duidelijk wordt of de huishoudelijke hulp is toegekend tot 27 april 2017 of totdat het college nieuw beleid heeft vastgesteld het volgende.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting verklaard dat het inderdaad verwarrend is zoals de einddatum van de huishoudelijke hulp in het bestreden besluit geformuleerd is. Volgens de gemachtigde moest er nog nieuw beleid worden vastgesteld en kon de indicatie niet voor onbepaalde tijd worden toegekend. Daarom is ervoor gekozen om in het bestreden besluit als einddatum 27 april 2017 op te nemen. De rechtbank ziet in deze onduidelijkheid in het bestreden besluit geen aanleiding om er gevolgen aan te verbinden voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Eiser is er namelijk niet door benadeeld.

Weigering beslissing op verzoek 5 januari 2016

9. Eisers beroepsgrond dat het college bij het bestreden besluit niet heeft beslist op zijn verzoek van 5 januari 2016 om vergoeding van gemaakte en te maken kosten ten gevolge van de procedure, slaagt niet. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij hiermee bedoeld heeft dat het college de kosten om de vervuiling van zijn huis ongedaan te maken dient te vergoeden.

De gemachtigde van het college heeft ter zitting gesteld dat het college eisers brief van 5 januari 2016 pas op 19 oktober 2016, dus nadat het bestreden besluit is genomen, heeft ontvangen. Dit blijkt uit de poststempel op het afschrift van de brief dat het college aan de rechtbank heeft overgelegd.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college deze brief al eerder heeft ontvangen. Het bewijs van PostNL dat eiser op 6 januari 2016 een aangetekende brief naar het postbusadres van het college heeft verzonden is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Uit dat bewijs kan immers niet worden afgeleid dat het college de brief van 5 januari 2016 heeft ontvangen voordat het bestreden besluit werd genomen. Hieruit volgt dat niet gezegd kan worden dat het college bij het bestreden besluit heeft geweigerd te beslissen op eisers verzoek van 5 januari 2016.

Beroep tegen niet tijdig nemen van een dwangsombesluit

10. De rechtbank begrijpt uit wat eiser op pagina 3 van het aanvullend beroepschrift van 11 augustus 2017 heeft aangevoerd en wat eiser ter zitting heeft verklaard, dat hij ook beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de dwangsom die hij heeft gevraagd in verband met het te laat beslissen op het bezwaarschrift.

Dit beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiser heeft, zoals hij ter zitting heeft verklaard, het college namelijk niet aangemaand om daarover te beslissen. Een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb ontbreekt dus. De rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.

Weigering dwangsommen vast te stellen

11. De rechtbank overweegt over eisers beroepsgrond dat het college bij het bestreden besluit heeft geweigerd dwangsommen vast te stellen het volgende.

Eiser heeft daarover aangevoerd dat hij het college bij brieven van 5 januari en 2 maart 2016 heeft gemaand om te beslissen op het bezwaar. Bovendien heeft eiser naar eigen zeggen het college bij een andere brief van 2 maart 2016 gemaand om te beslissen over zijn verzoek van 5 januari 2016 om vergoeding van gemaakte en te maken kosten ten gevolge van de procedure.

De rechtbank is van oordeel dat eisers brief van 5 januari 2016 als een ingebrekestelling kan worden aangemerkt, zoals in rechtsoverweging 4. is overwogen. Zij heeft echter in rechtsoverweging 9. overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college deze brief heeft ontvangen vóórdat het bestreden besluit werd genomen. De rechtbank is ook van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college de brieven van 2 maart 2016 heeft ontvangen voordat het bestreden besluit werd genomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom terecht bij het bestreden besluit geen dwangsommen vastgesteld.

De rechtbank wijst er ten overvloede op dat het college bij brief van 15 augustus 2017 aan de rechtbank heeft laten weten:

“Ons college is bereid om een positief besluit te nemen inzake de verbeurde dwangsommen. Indien de heer [naam eiser] ons college daarom schriftelijk verzoekt, zullen wij de maximale verbeurde dwangsom op € 1.260,- vaststellen wegens het niet tijdig besluiten op zijn bezwaarschrift.”

Ter zitting heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat eiser over deze dwangsom geen verzoek meer hoeft in te dienen, omdat het college hierover alsnog ambtshalve een besluit zal nemen. De rechtbank vertrouwt erop dat het college hier gevolg aan zal geven.

Wettelijke rente

12. Eiser heeft onder andere in zijn aanvullend beroepschrift van 11 augustus 2017 (pagina 3) aan de rechtbank gevraagd om het college te veroordelen tot vergoeding van de verschuldigde rente over de dwangsommen.

De rechtbank is van oordeel dat, omdat het college bij het bestreden besluit geen dwangsommen hoefde vast te stellen, het geen vergoeding van wettelijke rente verschuldigd is. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

Conclusie

13. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de dwangsom, die eiser heeft gevraagd in verband met het te laat beslissen op het bezwaarschrift, zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor het overige zal het beroep ongegrond worden verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit over de dwangsom, die eiser heeft gevraagd in verband met het te laat beslissen op het bezwaarschrift, niet

ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.