Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5984

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
BRE 17_1980
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag remigratievoorzieningen o.g.v. Remigratiewet.

Rechtbank volgt SVB niet in uitleg die zij aan Remigratiewet en –besluit geeft en is van oordeel dat rechtszekerheidsbeginsel zich daartegen verzet. Remigratievoorzieningen zijn toegekend bij besluit van 1 december 2015. Remigrant is overleden na de toekenningsbeslissing maar voordat hij is geremigreerd. Partner is rechthebbende geworden op het moment van het overlijden van remigrant; niet pas in geval overlijden heeft plaatsgevonden na remigratie.

Beroep gegrond. SVB moet nieuw besluit nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/1980 WET

uitspraak van 19 september 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. S. Cakal,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB; kantoor Leiden), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 maart 2017 (bestreden besluit) van de SVB inzake de afwijzing van de aanvraag voor remigratievoorzieningen ingevolge de Remigratiewet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 8 augustus 2017. Eiseres is niet verschenen. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij aanvraagformulier van 26 maart 2010 heeft wijlen [naam persoon1] (hierna: [naam persoon1] ) verzocht om remigratievoorzieningen op grond van de Remigratiewet. Bij besluit van 21 juni 2010 heeft de SVB die aanvraag toegewezen, waarbij is vermeld dat [naam persoon1] recht heeft op een basisvoorziening van € 2.830,-, alsmede op een remigratieuitkering van € 489,29 en een tegemoetkoming ziektekostenverzekering van € 102,09 bruto per maand. Bij besluit van 18 juli 2011 heeft de SVB het besluit van 21 juni 2010 ingetrokken, omdat [naam persoon1] niet binnen een jaar na de datum van het besluit is vertrokken.

Bij formulier van 23 oktober 2015 heeft [naam persoon1] opnieuw een aanvraag gedaan. Bij besluit van 1 december 2015 heeft de SVB die aanvraag toegewezen, waarbij is vermeld dat [naam persoon1] recht heeft op een remigratieuitkering van € 501,36 en een tegemoetkoming ziektekostenverzekering van € 102,09 bruto per maand. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt.

Op 10 april 2016 is [naam persoon1] overleden. Eiseres heeft de overlijdensakte aan de SVB verstrekt. Vervolgens heeft de SVB bij besluit van 20 april 2016 (primair besluit) dat eiseres kenbaar gemaakt de aanvraag voor de remigratievoorzieningen is afgewezen. De SVB heeft daarbij vermeld dat eiseres zelf een aanvraag voor remigratievoorzieningen kan indienen.

Eiseres heeft (mede namens haar overleden echtgenoot) bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft de SVB het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft aangevoerd dat de SVB met het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met de wet en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiverings-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien is het bestreden besluit in strijd met het reeds bij besluit van 1 december 2015 toegekende recht . Eiseres wijst in dat verband erop dat dat besluit niet is herroepen of ingetrokken.

3.1.

Ingevolge artikel 1, aanhef en sub h, van de Remigratiewet wordt onder een ‘remigrant’ verstaan: een persoon, bedoeld in artikel 2, die met de toepassing van deze wet voornemens is zijn rechtmatig hoofdverblijf in Nederland op te geven om te remigreren, dan wel is geremigreerd en sindsdien in een bestemmingsland is gevestigd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en sub g, van de Remigratiewet wordt onder ‘partner’ verstaan: de meeremigrerende echtgenoot, de meeremigrerende geregistreerde partner of de meeremigrerende ongehuwd meerderjarige, die geen bloedverwant in de eerste graad van de remigrant is, en met de remigrant een gezamenlijke huishouding voert waarbij betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, met dien verstande dat deze gezamenlijke huishouding uit niet meer dan twee meerderjarige personen bestaat

3.2.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Remigratiewet wordt aan een remigrant, die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2b, een periodieke uitkering verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland.

Aan een remigrant als bedoeld in het eerste lid, wordt op grond van artikel 4, tweede lid, van de Remigratiewet een tegemoetkoming verstrekt in de kosten van een door hem te sluiten verzekering tegen ziektekosten in het bestemmingsland, indien hij niet met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen of een door Nederland met een of meer andere staten gesloten verdrag inzake sociale zekerheid, recht kan doen gelden op verstrekkingen, die hem in beginsel ten laste van de middelen van het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in artikel 39 van de Zorgverzekeringswet, worden verleend.

Indien de remigrant en, voor zover van toepassing, zijn partner en hun kinderen niet binnen een termijn van zes maanden na de datum van de beschikking tot toekenning van de voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn geremigreerd, kan de beschikking op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Remigratiewet geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, tenzij de remigrant of zijn partner van de overschrijding van die termijn redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

In artikel 2b, eerste lid, van de Remigratiewet is – voor zover relevant – bepaald dat de remigrant, om voor de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen:

  1. voor 1 januari 2025 een aanvraag dient in te dienen bij de SVB;

  2. […];

3.3.

Artikel 5, tweede lid, van de Remigratiewet bepaalt dat, indien de remigrant een partner heeft en hij of zijn partner overlijdt, de langstlevende een recht verkrijgt op de remigratievoorzieningen als ware hij een alleenstaande remigrant.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Remigratiebesluit gaat het recht op de remigratievoorzieningen in op de eerste dag na die van vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Remigratiebesluit vervalt het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in de artikelen 4 en 11, eerste lid, van de wet, met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van het Remigratiebesluit vervalt het recht op de remigratievoorzieningen, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet, met ingang van de eerste dag van de tweede maand, volgende op de maand van overlijden van de remigrant of zijn partner.

Artikel 8, vierde lid, van het Remigratiebesluit bepaalt dat na een overlijden als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid de nog verschuldigde remigratievoorzieningen worden verstrekt aan achtereenvolgens:

  1. de partner of de remigrant;

  2. indien deze er niet zijn: de kinderen of

  3. indien deze er niet zijn: de persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank uit billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt of komen, mits deze binnen zes maanden na het overlijden een daartoe strekkend verzoek bij de Sociale verzekeringsbank heeft of hebben ingediend.

4. Bij het bestreden besluit heeft de SVB het primaire besluit in stand gelaten. De SVB heeft daartoe – onder meer – overwogen dat er geen algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

De rechtbank volgt de SVB daarin niet. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat het bestreden besluit niet te verenigen is met het eerder op 1 december 2015 toegekende recht. De SVB heeft op 1 december 2015 op de aanvraag van [naam persoon1] van 23 oktober 2015 beslist. Daarmee was de behandeling van de aanvraag afgedaan. Er is niet gebleken dat er een nieuwe aanvraag op naam van [naam persoon1] is gedaan. De SVB was daarom niet bevoegd om nogmaals op diens eerdere aanvraag te beslissen, laat staan om een andersluidend (nadeliger) besluit op de aanvraag te nemen. Dat betekent dat het primaire besluit bij het bestreden besluit ten onrechte in stand is gelaten. De SVB had dit moeten herroepen.

Het beroep dient reeds daarom gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna beoordelen welke consequenties aan de gegrondverklaring van het beroep moeten worden verbonden.

5. De SVB heeft ter zitting toegelicht dat zij met het bestreden besluit heeft bedoeld om het toekenningsbesluit van 1 december 2015 in te trekken en dat de in het bestreden besluit vermelde wettelijke grondslag in haar optiek correct is.

Vast staat dat [naam persoon1] op 10 april 2016 is overleden en dat hij op dat moment nog niet geremigreerd was. Op het moment van overlijden verbleef hij met eiseres in Turkije.

De SVB stelt zich op het standpunt dat, nu het recht op de remigratievoorzieningen op grond van artikel 7, eerste lid, van het Remigratiebesluit pas ingaat op de eerste dag na vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland, en [naam persoon1] op het moment van overlijden feitelijk nog niet was geremigreerd, het recht op de remigratievoorzieningen van rechtswege niet is ingegaan. De SVB meent dat zij onder de gegeven omstandigheden bevoegd is om tot intrekking van het toekenningsbesluit over te gaan.

De rechtbank volgt de SVB niet in de uitleg die zij aan de Remigratiewet en het –besluit geeft en is van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel zich daartegen verzet. In de tekst van de wet en het besluit en de toelichtingen daarop kan de rechtbank ook geen steun voor die uitleg vinden.

Vast staat dat [naam persoon1] – de oorspronkelijke ‘remigrant’ in de zin van de Remigratiewet – de aanvraag heeft gedaan. In het aanvraagformulier is vermeld dat de aanvraag mede namens eiseres – de ‘partner’ in de zin van de Remigratiewet – wordt ingediend. Uit het aanvraagformulier blijkt dat zij sinds 7 maart 1979 met elkaar gehuwd zijn. Dat is niet in geschil.

Artikel 7, eerste lid, van het Remigratiebesluit bepaalt weliswaar dat het recht op remigratievoorzieningen ingaat op de eerste dag na vertrek van de remigrant naar het bestemmingsland, maar dat recht is eerder – in dit geval bij besluit van 1 december 2015 – toegekend. Dat toekenningsbesluit is op rechtsgevolg gericht en daaraan kunnen rechten worden ontleend.

De rechtbank wijst op het bepaalde in artikel 5, tweede lid van de wet, waarin is bepaald dat de partner van de remigrant na overlijden van de remigrant een recht op remigratievoorzieningen verkrijgt, als ware hij alleenstaand remigrant. Omdat een remigrant ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de wet al als remigrant wordt aangeduid, wanneer hij nog – slechts – voornemens is te remigreren naar het land van herkomst, wijst deze formulering van artikel 5, tweede lid, erop dat die partner “rechthebbende” wordt bij het overlijden van de (oorspronkelijke) remigrant; niet dat dat pas, zoals de SVB ter zitting heeft betoogd, het geval kan zijn indien dat overlijden heeft plaatsgevonden na de remigratie van de oorspronkelijk remigrant en nadat het recht in het land van (re)migratie tot uitbetaling kan komen. De woorden “als ware hij” in die tekst wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat alleen de precieze omvang van het recht nog wordt aangepast naar het recht dan een alleenstaande kan verkrijgen.

De toekenning aan [naam persoon1] heeft ertoe geleid dat eiseres en [naam persoon1] hun remigratie hebben voorbereid en gesteld en aannemelijk is dat zij daarvoor zowel in Nederland als in Turkije verplichtingen zijn aangegaan en ook kosten hebben gemaakt. Het intrekken van het toekenningsbesluit heeft dan ook tot gevolg dat eiseres ook materieel in een nadeliger positie is komen te verkeren terwijl ter zitting desgevraagd door de SVB is gesteld dat het aan eiseres geboden alternatief (dat zij zelf een nieuwe aanvraag kan doen) hoogstwaarschijnlijk niet tot een positieve beslissing kan leiden omdat zij al is geremigreerd en zij ook overigens niet zelfstandig aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een remigratievergoeding zal kunnen voldoen.

Niet kan worden gesteld dat er grond was voor intrekking van het toekenningsbesluit, op de grond dat [naam persoon1] door het overlijden niet meer aan de eis van de Remigratiewet kon voldoen om binnen zes maanden na de toekenningsbeschikking te remigreren. Weliswaar eist artikel 4, vijfde lid, van de Remigratiewet dat de remigrant binnen een termijn van zes maanden na het toekenningsbesluit (met zijn partner) remigreert, maar dit artikel bevat ook een hardheidsclausule. De SVB zal daarom ook moeten beoordelen in hoeverre eiseres redelijkerwijs kan worden verweten dat zij, dan wel haar overleden echtgenoot, niet binnen de gestelde termijn is geremigreerd. Gelet op het feit dat [naam persoon1] kort voor het verlopen van de termijn van zes maanden is overleden en eiseres al heeft aangevoerd dat zij daarna, alvorens daadwerkelijk te remigreren, voor korte duur naar Nederland is teruggekeerd om in verband met het overlijden “van alles” te regelen, is voorstelbaar dat het niet tijdige vertrek haar niet wordt tegengeworpen.

6. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Evenmin ziet de rechtbank ruimte om zelf in de zaak te voorzien. Het is de rechtbank duidelijk dat het overlijden van [naam persoon1] gevolgen heeft voor de toegekende remigratievoorzieningen (bijvoorbeeld de omzetting naar remigratievoorzieningen voor een alleenstaande) en de SVB zal bij een nieuwe heroverweging van het primaire besluit (deugdelijk gemotiveerd) moeten beoordelen wat die gevolgen zijn. De SVB zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

8. De rechtbank zal de SVB veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de SVB op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de SVB op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de SVB in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.