Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5972

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
02-810510-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

: Onderzoek Kapel. Rechtbank heeft bestaan van een criminele organisatie bewezen geacht. Verdachte was daar lid van. Daarnaast veroordelingen voor diverse drugsfeiten. Schending van de redelijke termijn leidt tot korting in de straf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Amsterdam (rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Amsterdam)

Parketnummer: 02/810510-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 en 5 september 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Van IJzendoorn, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting van 5 september 2017 is het onderzoek gesloten.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

ALTHANS

hij

* in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 15 mei 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland

en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde perso(o)nen)), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij

* in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 15 mei 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland

en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde natuurlijke perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

(zaak 5: criminele organisatie)

2.

hij op of omstreeks 03 jan 2013 te Moergestel en/of Tilburg, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van

zijn mededader(s) met dat opzet

* die [benadeelde partij 1] (tegen zijn wil) in een auto vervoerd naar de woning aan de

[adres 1] te Tilburg en/of

* (vervolgens) die [benadeelde partij 1] (tegen zijn wil) de woning aan de [adres 1]

te Tilburg mee in genomen en/of

* (vervolgens) die [benadeelde partij 1] enige tijd vastgehouden in de woning/garage aan de

[adres 1] te Tilburg en/of

* die [benadeelde partij 1] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk

weergegeven - dat ze hem zouden afmaken en/of af/dood zouden schieten en/of

in het kanaal zouden dumpen, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 jan 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [benadeelde partij 1] ), meermalen, althans eenmaal heeft geslagen/gestompt (op

de rug en/of het been en/of in zijn maag), waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

EN/OF

hij op of omstreeks 03 jan 2013 te Moergestel en/of Tilburg, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kg, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(zaak 6)

3.

hij in of omstreeks de periode van 03 januari 2013 tot en met 30 januari 2013,

althans in of omstreeks de periode van 3 januari 2013 tot en met 7 april 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2]

en/of [benadeelde partij 3] en/of de echtgenote van [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van een partij hennep en/of hasj en/of amfetamine (speed), in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

* een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (uit zijn

broeksband) heeft getrokken/gehaald en/of (vervolgens) heeft getoond aan

en/of gericht op die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 2] opzettelijk dreigend de woorden

heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat ze zijn adres hebben

achterhaald en geen mededogen met zijn familie hebben en/of zijn familie

zullen neuken en/of dat hij tot donderdag de tijd heeft om (terug) te

betalen en/of dat hij maar eens moet kijken wat er met hem gaat gebeuren,

althans woorden van gelijke deigende aard of strekking en/of heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend bij de woning van die

[benadeelde partij 2] rondgehangen

en/of

* die [benadeelde partij 3] opzettelijk dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd

- zakelijk weergegeven - dat als dit zo doorgaat het alleen maar erger en

erger wordt en ze hem maar 1 kans geven en/of het zijn er 5 samen met je

dinges en je hebt tot 1500 uur de tijd en/of dat er niet meer gerekt kan

worden omdat het anders echt gaat escaleren, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

(zaak 6)

4.

hij in of omstreeks de perode van 31 december 2012 tot en met 7 januari 2013,

in elk geval op of omstreeks 4 januari 2013 te Tilburg, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van

categorie II en/of III, te weten een of meer revolver(s) en/of pisto(o)l(en),

en/of munitie van categorie II en/of III, te weten meerdere patronen,

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(zaak 6 en 7)

5.

hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2013 tot en met 9 maart 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten

het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 21.000 (XTC-)pillen, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA), zijnde MDMA en/of tenamfetamine

(MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(zaak 8)

6.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 28 februari

2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 3827 gram van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 28 februari

2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 3547

gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en/of

een hoeveelheid van ongeveer 11.000 gram, althans 3034 gram hasjiesj, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel

van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(zaak 9)

7.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2013

tot en met 27 juni 2013, in elk geval op of omstreeks 27 juni 2013 te

Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3]

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 210, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(zaak 10)

8.

hij op of omstreeks 22 april 2013 te Tilburg en/of Tegelen en/of elders in

Nederland en/of in Frankfurt en/of elders in Duitsland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6 kg hennep, in elk geval

een (grote) hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 22 april 2013 te Tilburg en/of Tegelen en/of elders in

Nederland en/of in Frankfurt en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2 kg amfetamine, althans een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

(zaak 11)

9.

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2013 tot en met 27 april 2013 te

Tilburg, althans in Nederland en/of in Duitsland ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 4]

te dwingen tot de afgifte van ongeveer 40.000 euro, althans een

groot geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe die [benadeelde partij 4] opzettelijk

dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik hak je kop af" en/of "mijn

geld moet je regelen en je krijgt daarvoor tot maandag tijd...o wee als je het

niet regelt ! Dan kom ik je daar te grazen nemen, [benadeelde partij 4] ! heb je het gehoord ?

Degene die mij in deze toestand brengt, degene die hier verantwoordelijk voor

is....." en/of "Jij beseft niet met wie je aan het dansen bent ! Niemand zal

je redden uit mijn klauwen ! Jij krijgt tot maandag tijd. Laten ze het met

mijn moeder doen als ik dat jou of jouw kinderen niet betaald zet als maandag

het geld niet klaar is !!!! Durf nog eens hier en daar een bericht achter te

laten van dat je er niets mee te maken hebt....als je dat doet kom ik je hoofd

eraf hakken ! Maak mijn geld gereed anders maak ik je kapot" en/of "ik heb

veel begrip getoond....ik hou er niet van om bij het huis van iemand langs te

gaan......dat is wat mij betreft heilig...ik weet overigens wel je

huis....deze maandag moet je ervoor zorgen dat het geld komt" en/of "mijn geld

moet maandag hier zijn en je neef gaat anders maandagnacht om 12 uur op

weg...dat je dat weet", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak 11)

10.

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] op of omstreeks 16 mei 2013

te Roosendaal ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf

A) om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of

meer goederen van zijn/hun gading (geld en/of drugs en/of andere voorwerpen)

geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 8]

en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of verdachte en/of zijn mededader(s), en

daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer

personen (wonende in een woning aan/nabij de [adres 2] ), te plegen met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

EN/OF

B) om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een of meer perso(o)n(en)

(wonende in een woning aan/nabij de [adres 2] ) te dwingen tot de afgifte

van een of meer goed(eren) van zijn/hun gading (geld en/of drugs en/of andere

voorwerpen), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of

verdachte en/of zijn mededader(s)

daartoe in een auto met een (geladen) revolver (merk: Rossi) en/of tie rips

en/of een (scream) masker en/of een (val)helm en/of en/of een rol duct-tape

en/of reservekleding naar/nabij die woning (aan/nabij de [adres 2] )

is/zijn gereden en/of meermalen, althans eenmaal voorbij die woning (aan/nabij

de [adres 2] ) is/zijn gereden en/of meermalen, althans eenmaal door die

straat (aan/nabij de [adres 2] ) is/zijn gereden, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode

van 7 mei 2013 tot en met 16 mei 2013 te Tilburg en/of Roosendaal, althans in

Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of

misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of

door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]

en/of [medeverdachte 10]

* gebeld en/of (vervolgens) gevraagd/verzocht of zij "ergens" aan mee zouden

willen doen en/of dat het "kant en klaar" zou zijn en/of dat er "papier" zou

liggen, althans woorden van deze strekking en/of

* gevraagd/verzocht (al dan niet tegen een vergoeding) om een overval/ripdeal

op een woning (aan/in de buurt van de [adres 2] te Roosendaal) te

plegen/uit te voeren en/of

* gevraagd/verzocht om zijn/ hun kleding (ten behoeve de te plegen

overval/ripdeal op die woning) aan te passen en/of

* een wapen (revolver merk Rossi) gegeven (ten behoeve van de te plegen

overval/ripdeal op die woning) en/of

* de woning (aan/in de buurt van de [adres 2] te Roosendaal) laten zien

die hij/zij (voornoemde [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] ) zou(den)

gaan/moeten overvallen

subsidiair: althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 mei 2013 te Roosendaal, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, ter voorbereiding van het misdrijf diefstal met geweld

en/of afpersing, opzettelijk voorwerpen (te weten een (geladen) revolver

(merk Rossi) en/of tie rips en/of een (val)helm en/of een (scream) masker

en/of een rol duct-tape en/of reservekleding) en/of vervoermiddelen (een auto:

merk Peugeot 407 met Bulgaars kenteken [kenteken 1] ) bestemd tot het begaan van

dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of

doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

meer subsidiair: althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] op of omstreeks 16 mei 2013

te Roosendaal ter voorbereiding van het misdrijf diefstal met geweld en/of

afpersing, opzettelijk voorwerpen (te weten een (geladen) revolver (merk

Rossi) en/of tie rips en/of een (val)helm en/of een (scream) masker en/of een

rol duct-tape en/of reservekleding) en/of vervoermiddelen (een auto: merk

Peugeot 407 met Bulgaars kenteken [kenteken 1] ) bestemd tot het begaan van dat

misdrijf, heeft/hebben verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of

doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad,

welk feit hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode

van 7 mei 2013 tot en met 16 mei 2013 te Tilburg en/of Roosendaal, althans in

Nederland, opzettelijk heeft/hebben uitgelokt door giften en/of beloften en/of

misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of

door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]

en/of [medeverdachte 10]

* gebeld en/of (vervolgens) gevraagd/verzocht of zij "ergens" aan mee zouden

willen doen en/of dat het "kant en klaar" zou zijn en/of dat er "papier" zou

liggen, althans woorden van deze strekking en/of

* gevraagd/verzocht (al dan niet tegen een vergoeding) om een overval/ripdeal

op een woning (aan/in de buurt van de [adres 2] te Roosendaal) te

plegen/uit te voeren en/of

* gevraagd/verzocht om zijn/ hun kleding (ten behoeve van de te plegen

overval/ripdeal op die woning) aan te passen en/of

* een wapen (revolver merk Rossi) gegeven (ten behoeve van de te plegen

overval/ripdeal op die woning) en/of

* de woning (aan/in de buurt van de [adres 2] te Roosendaal) laten zien

die hij/zij (voornoemde [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] ) zou(den)

gaan/moeten overvallen.

(zaak 12)

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding is geldig.

3.2

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

3.3

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Feit 2

De verdediging bepleit partiele niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie namelijk voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving en de mishandeling. Dit vanwege de aan

[verdachte] verzonden sepotbrief van 24 januari 2013 die ziet op de aangifte van [benadeelde partij 1] . Er zijn hierna geen nieuwe bezwaren bekend geworden noch van een ingesteld opsporingsonderzoek noch van een machtiging van de rechter-commissaris daartoe.

[verdachte] mocht aldus gerechtvaardigd op de brief vertrouwen. Hij kan hierdoor dan ook niet opnieuw voor die feiten worden vervolgd.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zich met de brief van 24 januari 2013 die aan

[verdachte] is gestuurd geen situatie als bedoeld in artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering voordoet. Het Kapel-onderzoek is na deze brief blijven doorlopen waardoor er op enig moment nieuwe stukken aan het dossier zijn toegevoegd waaruit het nodige naar voren is gekomen, ook ten aanzien van [verdachte] . Die gang van zaken maakt dat [verdachte] er niet op mocht vertrouwen dat de zaak was afgedaan. Er is ook niet lichtvaardig tot vervolging overgegaan. Het verweer van de verdediging dient te worden verworpen.

De rechtbank overweegt dat er aan [verdachte] door de politie een brief is gezonden van 24 januari 2013 met daarin de mededeling dat [verdachte] niet zal worden vervolgd in verband met de aangifte van gijzeling/ontvoering van 3 januari 2013. Voorts wordt hierin medegedeeld dat de zaak hiermee is afgedaan, tenzij:

a) Op grond van nieuwe feiten en omstandigheden deze beslissing wordt herzien;

b) Het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als de benadeelde van het feit zich bij het Gerechtshof met succes beklaagt over de beslissing u niet te vervolgen.

De rechtbank merkt dit aan als een onvoorwaardelijke sepotbeslissing als bedoeld in artikel 255, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. Uit deze brief is voor [verdachte] af te leiden dat hij er in principe op mocht vertrouwen dat hij in het kader van de aangifte van de gijzeling/ontvoering van [benadeelde partij 1] niet zou worden vervolgd. De sepotbeslissing ziet naar het oordeel van de rechtbank op de gehele aangifte van [benadeelde partij 1] en dus ook op hetgeen dat door hem is verklaard over de mishandeling. [verdachte] zou enkel opnieuw vervolgd kunnen worden in het kader van deze aangifte wanneer hetgeen vermeld onder a dan wel b aan de orde zou komen. Met het gestelde onder a gaat de rechtbank ervan uit, dat daarmee wordt bedoeld het bekend worden van nieuwe bezwaren zoals bedoeld in artikel 255, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft bekeken wat er aan nieuwe stukken na deze sepotbrief aan het dossier is toegevoegd en waaruit de nieuwe bezwaren volgens de officier van justitie zouden bestaan. Zij concludeert dat er enkel afgeluisterde gesprekken zijn toegevoegd en zij is van oordeel dat daarin ten aanzien van [verdachte] geen nieuw belastend materiaal naar voren is gekomen met betrekking tot hetgeen waarvan aangifte door [benadeelde partij 1] is gedaan. Deze gesprekken kunnen aldus niet als nieuwe bezwaren worden aangemerkt. De officier van justitie kon op grond van deze nieuwe informatie niet tot een dagvaarding van [verdachte] komen hetgeen, nu dat wel is gedaan, een schending van het vertrouwensbeginsel oplevert. Daar komt nog bij dat als de gesprekken al als nieuwe bezwaren hadden kunnen worden aangemerkt de formaliteiten van artikel 255, derde en vierde lid van het Wetboek van Strafvordering daarbij niet in acht zijn genomen. Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het ten laste gelegde onder 2 primair en het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde onder 2 subsidiair. Dit betekent voor het hierna volgende dat de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging omtrent een eventuele bewezenverklaring van daarvan onbesproken kunnen blijven, nu de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van die ten laste gelegde feiten niet meer toekomt.

3.4

Schorsing van de vervolging

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, het onder 2 subsidiair tweede cumulatief/alternatief, 3, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 ten laste gelegde. Bij feit 1 acht hij bewezen deelneming aan een criminele organisatie verdeeld over twee periodes. Hij gaat er daarbij vanuit dat de criminele organisatie als oogmerk had het plegen van strafbare feiten op het gebied van de Opiumwet. Om dat te verwezenlijken was een substantiële vorm van dreiging vereist waarbij de wapen- en geweldsfeiten, die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, een rol hebben gespeeld. Aldus is er tevens sprake van een oogmerk tot het plegen van afpersingen en bedreigingen. Van het ten laste gelegde onder 4 vordert de officier van justitie vrijspraak.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging bepleit primair vrijspraak van dit feit wegens het onvoldoende vaststaan van het verband tussen de diverse feiten dat gesproken kan worden van een aantoonbaar gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen de verschillende verdachten. Subsidiair wordt vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van het leveren van een wezenlijke bijdrage door verdachte aan de organisatie. Meer subsidiair wordt aangevoerd dat er weliswaar legio tapgesprekken zijn die een rol van verdachte binnen de organisatie lijken te bevestigen maar dat hier nauwkeurig naar gekeken dient te worden. Zijn rol behelst in werkelijkheid immers minder dan dat hij aan de telefoon deed voorkomen.

Feit 2

Primair bepleit de verdediging vrijspraak van het aanwezig hebben van zes kilo hennep. Enkel door [benadeelde partij 1] is verklaard dat de hennep van [verdachte] zou zijn. Daarnaast is niet vastgesteld dat het daadwerkelijk hennep betrof, noch is de hoeveelheid vastgesteld. Subsidiair wordt gerefereerd aan de bewezenverklaring van een hoeveelheid hennep.

Feit 3

De verdediging bepleit vrijspraak van dit feit wegens gebrek aan (steun) bewijs en overtuiging. [benadeelde partij 2] heeft enkel aangifte gedaan van bedreiging en wel tegen [medeverdachte 3] . Uit de tapgesprekken tussen [benadeelde partij 2] en [verdachte] komt naar voren dat [verdachte] heeft bemiddeld om de handel van [medeverdachte 6] terug te krijgen maar niet dat er sprake is geweest van een bedreiging of afpersing. [benadeelde partij 3] en zijn vrouw hebben geen aangifte gedaan. Uit de tapgesprekken blijkt evenmin van een bedreiging of afpersing. Met betrekking tot het harde taalgebruik wordt opgemerkt dat dit hoort bij de wereld waarvan [verdachte] deel uit maakt en dat daarmee niet direct sprake is van een bedreiging of afpersing. Tot slot wordt benadrukt behoedzaam om te gaan met de waardering van tapgesprekken.

Feit 4

De verdediging bepleit vrijspraak van dit feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Feit 5

De verdediging voert ten aanzien van dit feit aan dat verdachte heeft bekend dat hij de auto heeft aangeschaft, de pillen in de auto heeft gestopt en de auto naar Turkije heeft gestuurd maar dat verdachte voor de export niet strafbaar meent te zijn nu hij zelf niet heeft gereden. Wel was hij ten tijde van het aantreffen van de pillen ook in Turkije.

Feit 6

De verdediging bepleit vrijspraak van dit feit. [medeverdachte 6] heeft bekend dat hij de aangetroffen drugs voor iemand in bewaring had. Gelet op het feit dat hij [verdachte] hierover in een telefoongesprek heeft ingelicht, kan dit niet van [verdachte] zijn geweest nu hij kennelijk geen weet had van die drugs. Dat [verdachte] vervolgens doet alsof de drugs van hem zijn getuigt dan ook eerder van grootspraak, zoals ook door [verdachte] zelf is verklaard, dan van wetenschap en beschikkingsmacht. Verder zijn de overige tapgesprekken te vaag. Daar komt bij dat het gelet op de inhoud van de tapgesprekken van [medeverdachte 7] onwaarschijnlijk is dat het daarin over dezelfde drugs gaat. Gelet op uitspraak van het gerechtshof Amsterdam dient behoedzaam met tapgesprekken te worden omgegaan.

Tot slot wordt aangevoerd dat de in de tenlastelegging opgenomen hoeveelheden niet kloppen met de gewogen nettogewichten.

Feit 7

Volgens de verdediging kan dit feit gelet op de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend worden bewezen. Van medeplegen is volgens verdachte geen sprake. Het was zijn hennepkwekerij en hij alleen was er verantwoordelijk voor.

Feit 8

Volgens de verdediging dient primair vrijspraak van dit feit te volgen nu niet objectief is vastgesteld dat er daadwerkelijk drugs in de tas zat. Subsidiair stelt de verdediging dat in de tapgesprekken niet over zes kilo maar over vijf kilo wordt gesproken waardoor de hoeveelheid van zes kilo niet bewezen kan worden. Tot slot voert de verdediging aan dat wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring van hennep komt, de rol van verdachte op grond van de stukken in het dossier is te bestempelen als medepleger. Daarbij wordt opgemerkt dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij veroordeeld mag worden voor zijn rol in de hennephandel.

Feit 9

De verdediging bepleit vrijspraak van dit feit wegens het ontbreken van de wederrechtelijke bevoordeling. Verdachte heeft getracht [benadeelde partij 4] te bewegen tot nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst, namelijk de betaling van een openstaande schuld omtrent een drugsdeal. Verwezen wordt naar de uitspraak van rechtbank Utrecht bekend onder ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4021. Dat dit een illegale transactie betrof doet daaraan niet af, waarvoor verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad bekend onder ECLI:NL:HR:2015:1786.

Feit 10

De verdediging refereert ten aanzien van dit feit aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de taps duidelijk blijkt dat [verdachte] een onderschikte positie had en dat de regie in handen was van [medeverdachte 3] en [naam 17] . Uit de taps valt af te leiden dat [verdachte] wist wat er moest gebeuren. Daar zou tevens uit afgeleid kunnen worden dat [verdachte] het wapen heeft geleverd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bijlagen bij dit vonnis.

Feit 2 (zaak 6)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 6 in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank het volgende vast.

Hennep

Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] (verder: [benadeelde partij 1] ) volgt dat hij een klus zou doen voor [verdachte] en [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6] ). Daarbij ging het volgens hem om het vervoeren van hennep naar Eindhoven. [benadeelde partij 1] heeft de hennep opgehaald bij de vader van [medeverdachte 6] alwaar [medeverdachte 6] zelf ook aanwezig was. Onderweg naar Eindhoven is de hennep geript. [benadeelde partij 1] heeft [medeverdachte 6] hierover opgebeld waarna [medeverdachte 6] samen met [verdachte] en nog een persoon hem op is gaan halen.

Met betrekking tot het verweer betreffende de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde partij 1] overweegt de rechtbank dat inderdaad is gebleken dat [benadeelde partij 1] niet op alle punten direct openheid van zaken heeft gegeven en dat hij op een aantal punten niet geheel conform de waarheid lijkt te hebben verklaard. Echter, zijn verklaring dat hij hennep vervoerde voor [medeverdachte 6] en [verdachte] wordt niet alleen ondersteund door het feit dat [benadeelde partij 1] na de rip door hen is opgehaald maar ook door de tapgesprekken waaronder het gesprek van 4 januari 2014 te 18.14 uur tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en het gesprek van 5 januari 2013 van 14.48 uur tussen [verdachte] en [naam 1] . Daaruit blijkt immers dat [medeverdachte 6] en [verdachte] beiden aangeven te zijn geript. Daar komt bij dat uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 6] zich beiden intensief hebben bemoeid met het terug halen van de hennep, hetgeen zonder enig eigen belang daarbij naar het oordeel van de rechtbank niet voor de hand ligt.

Aldus stelt de rechtbank vast dat [benadeelde partij 1] de hennep vervoerde voor [medeverdachte 6] en [verdachte] en dat [benadeelde partij 1] deze hennep van [medeverdachte 6] overhandigd heeft gekregen. Op grond van de verklaring van [benadeelde partij 1] , [verdachte] alsmede de tapgesprekken waaronder het gesprek van 4 januari 2013 te 14.52 uur tussen [medeverdachte 3] en [naam 2] , stelt zij voorts vast dat de door [benadeelde partij 1] te vervoeren hoeveelheid hennep minimaal zes kilo bedroeg. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen ongeveer zes kilo hennep aanwezig heeft gehad.

Feit 3 en 4 (zaak 6 en 7)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 6 en 7 in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 3 januari 2013 heeft er een rip plaatsgevonden van een partij hennep die, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, aan [verdachte] en [medeverdachte 6] toebehoorde. Op grond hiervan wordt het verweer dat [verdachte] enkel voor anderen bemiddeld zou hebben, reeds verworpen.

Bij die rip zouden [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] betrokken zijn geweest. Uit de diverse tapgesprekken, die in het dossier zijn gevoegd, blijkt dat naar aanleiding van die rip diverse gesprekken met [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of de vrouw van [benadeelde partij 3] zijn gevoerd door [verdachte] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] .

Door de verdediging is onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4251) het verweer gevoerd dat behoedzaam omgegaan dient te worden met het hanteren van tapgesprekken als bewijsmiddel. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het door de verdediging aangehaalde arrest blijkt dat voorzichtigheid dient te worden betracht in het geval wanneer de gesprekken niet voor één uitleg vatbaar zijn. In dat geval dient goed te worden gekeken te worden naar de inhoud en het onderlinge verband van die gesprekken en het verband met andere bewijsmiddelen. Daarbij kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken ter sprake komen, nog meer is gebleken. De rechtbank is daarover in casu van oordeel dat gelet op de verklaring van [benadeelde partij 1] , de aangifte van [benadeelde partij 2] , de verklaring van [naam 3] alsmede de verklaring van [verdachte] zelf, de in het bewijsmiddelenoverzicht aangehaalde tapgesprekken niet voor meerdere uitleg vatbaar zijn en zien op de geripte hennep en het terughalen daarvan.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat [medeverdachte 3] op 4 januari 2013 is gaan informeren naar [benadeelde partij 3] omdat hij gisteren iets zou hebben meegenomen en dat hij dit moet teruggeven omdat het anders een probleem wordt. Tegen ene [naam 2] heeft hij vervolgens gezegd dat hij [benadeelde partij 3] op moet bellen en hem moet zeggen dat het niet het werk van [medeverdachte 6] , [verdachte] ofzo is maar van [naam 4] en dat hij één uur heeft en zij anders langs komen en dat dit de enige waarschuwing is. Verder heeft [medeverdachte 3] in dit gesprek tegen die [naam 2] gezegd dat hij ze lekker op moet naaien op een panische toon zodat de flikker bang wordt. Hij moet verder zeggen dat als hij niet binnen het uur komt, ze naar hem komen, naar het adres dat ze hebben achterhaald en dat ze geen mededogen hebben met zijn moeder, vader, zus of wat dan ook en dat ze ze zullen neuken. Verder blijkt uit een aantal gesprekken tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] dat [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] heeft geïnstrueerd over wat hij moet doen en wat hij tegen [benadeelde partij 2] moet zeggen. Zo moet [medeverdachte 6] van [medeverdachte 3] tegen [benadeelde partij 2] zeggen dat de tijd nadert en dat hij ze niet meer tegen kan houden. [medeverdachte 6] moet er druk op zetten van [medeverdachte 3] . In de avond van 4 januari 2013 heeft [medeverdachte 3] zelf met [benadeelde partij 2] gesproken en heeft tegen hem gezegd dat hij [medeverdachte 6] niet meer hoeft te bellen omdat hij vanaf nu zijn gesprekspartner is. In dit gesprek wordt tevens een afspraak gemaakt om elkaar te treffen in [naam 5] .

Over deze ontmoeting die geresulteerd heeft in een aangifte van [benadeelde partij 2] , is door [benadeelde partij 2] verklaard dat hij [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 6] en [verdachte] zag binnenkomen. [benadeelde partij 2] wilde tegen [medeverdachte 3] vertellen dat hij niets met de ripdeal te maken had maar dat wilde hij niet horen. Toen de eigenaar aan de tafel kwam om te zeggen dat het rustiger moest, trok [medeverdachte 3] een vuurwapen uit zijn broeksband en liet dit zien aan degene die achterin het restaurant waren. Dat [medeverdachte 3] een vuurwapen naar [benadeelde partij 2] heeft getrokken volgt ook uit het OVC-gesprek 27 januari 2013.

Nadat [benadeelde partij 2] er op 5 januari 2013 vier heeft gegeven, heeft [medeverdachte 3] met [benadeelde partij 3] gesproken en hem gezegd dat wat er is gebracht niets is en dat als het zo doorgaat alleen maar erger en erger wordt en zij hem een kans geven.

Ook heeft [verdachte] zelf gesprekken met [benadeelde partij 2] gevoerd waarin hij o.a. op 7 januari 2013 heeft gezegd. Die vijf hoef je niet meer te brengen, kijk maar eens wat er met jou gaat gebeuren en dat er niet meer gerekt kan worden en het anders echt gaat escaleren. In een gesprek tussen hen op 8 januari 2013 zegt [benadeelde partij 2] tegen [verdachte] dat [medeverdachte 6] tegen hem heeft gezegd dat hij tot donderdag de tijd heeft en dat hij dan betaald moet hebben.

Afpersing [benadeelde partij 2] / [benadeelde partij 3] /vrouw van [benadeelde partij 3]

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . [medeverdachte 3] had hierin weliswaar een leidende positie maar hij deed dat voor [medeverdachte 6] en [verdachte] om hun hennep terug te verkrijgen. [medeverdachte 3] heeft op een dwingende wijze naar [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gehandeld door hen te bedreigen met geweld. Uit de tapgesprekken komt naar voren dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] bang moesten worden voor de gevolgen voor henzelf en hun familie als zij binnen een bepaalde tijd geen gehoor zouden geven aan hetgeen hen werd verzocht. [medeverdachte 6] en [verdachte] waren volledig van deze handelwijze op de hoogte en hebben zich hiertegen niet verzet of zich hiervan gedistantieerd. [medeverdachte 6] en [verdachte] hebben hierin bovendien ook zelf een rol gehad. Zo namen zij telkens contact op met [medeverdachte 3] over de stand van zaken en gaf [medeverdachte 3] hen instructies over hoe te handelen en wat te zeggen. Uit de contacten die zij hebben gehad met [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ook zij druk op deze personen hebben gezet om iets van hen gedaan te krijgen. Dat het door hen gebruikte taalgebruik gangbaar taalgebruik was in het milieu waarvan zij deel uitmaakten, doet aan de kwalificeerbaarheid daarvan als afpersing in strafrechtelijke zin niet af.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het afpersen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] teneinde de geripte hennep terug te verkrijgen.

Zij rekent hem daarbij ook aan het tonen van het vuurwapen door [medeverdachte 3] aan [benadeelde partij 2] in [naam 5] . Gelet op het doel van de bijeenkomst, namelijk het ervoor zorgen dat [benadeelde partij 2] de geripte waar zou terug geven en het feit dat uit de tapgesprekken blijkt dat geweld dan wel bedreiging met geweld naar [benadeelde partij 2] niet geschuwd zou worden, maakt dat [verdachte] er rekening mee diende te houden dat een van zijn medeverdachten een wapen mee zou nemen.

De handelwijze van [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 6] is effectief geweest want alle hennep is terug gekomen en als boete c.q. extraatje zelfs een hoeveelheid speed. Blijkbaar was de handelwijze van verdachte en zijn medeverdachten ook voor de in de wereld van verdachte levende [benadeelde partij 2] dermate bedreigend dat hij zich genoodzaakt heeft gezien om aangifte te doen. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen ten aanzien van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . De afpersing van de vrouw van [benadeelde partij 3] acht de rechtbank onvoldoende bewezen. Zij spreekt verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrij.

Vuurwapen

Met betrekking tot het vuurwapen dat [medeverdachte 3] voor handen had tijdens de afspraak met [benadeelde partij 2] zijn geen concrete aanwijzingen in het dossier aanwezig dat verdachte daarover ook maar enige zeggenschap had zodat het voorhanden hebben daarvan ook aan hem verweten zou kunnen worden. De rechtbank spreekt verdachte derhalve daarvan vrij.

Feit 5 (zaak 8)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 8 stelt de rechtbank het volgende vast.

[verdachte] had contact met mensen in Turkije over het naar Turkije vervoeren van XTC-pillen. [verdachte] heeft samen met [naam 6] een personenauto, een Ford C-max met kenteken [kenteken 2] , in Duitsland gekocht. De auto is vervolgens op verzoek van [verdachte] door [naam 7] bij diens garage [naam 8] te Tilburg geprepareerd. [naam 7] heeft een ruimte in het dashboard gemaakt om daar pakketjes in te verstoppen. [verdachte] had contact met [naam 9] over het leveren van de XTC-pillen. Door tussenkomst van [naam 9] zijn XTC-pillen aan [verdachte] verstrekt. [verdachte] heeft [naam 10] gevraagd er één te testen. [medeverdachte 7] heeft geholpen met het in orde maken van de autopapieren en het verstoppen van de pakketjes in het dashboard van de auto. [verdachte] regelde de chauffeur, [naam 6] , om met de geprepareerde auto naar Turkije te rijden. [verdachte] zou met het vliegtuig naar Turkije gaan en [naam 6] aldaar opvangen. [naam 10] wist dat de auto was geprepareerd, immers [verdachte] heeft op 4 maart 2013 met [naam 10] besproken dat de pakketjes die ze samen hadden gedaan langer en smaller gemaakt moesten worden en ze bespraken welke garage de auto kon maken. Ook werd tijdens een observatie gezien dat [naam 10] op 2 maart 2013 met zijn knokkels meerdere keren op de bovenzijde van de gehele rechterhelft van het dashboard sloeg. [verdachte] en [naam 10] hebben de geprepareerde auto met daarin de drugs op 2 maart 2013 naar Kerpen, Duitsland gebracht, van waaruit [naam 6] de reis naar Turkije op zich heeft genomen. Op 7 maart 2013 is de auto vanuit Kerpen, Duitsland, via Oostenrijk, Slovenië, Kroatië, Servië en Bulgarije, naar Turkije gereden, alwaar de auto op 8 maart 2013 aankwam. Tijdens de reis naar Turkije onderhield [verdachte] contact met [naam 6] en met [naam 10] over het verloop van de reis. Vanaf de Turkse grens vond een gecontroleerde aflevering plaats. In Turkije heeft [naam 6] contact gehad met twee Turkse mannen. Op dat moment zijn zij aangehouden door de Turkse politie. Deze trof een hoeveelheid van 4,3 kilogram pillen bevattende MDMA, ongeveer 21.000 XTC-pillen, in een verborgen ruimte in het dashboard van de auto aan. Na de aanhouding van [naam 6] kon [verdachte] geen contact meer met hem krijgen, waardoor hij begreep dat er iets mis was gegaan. Hij is samen met [naam 10] naar Turkije gegaan om uit te zoeken wat er aan de hand was en om geld op te halen. Uit tapgesprekken blijkt dat niet alleen [verdachte] , maar ook [naam 10] een financieel belang bij het transport van de pillen had.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte als initiator kan worden gezien van het transport van de XTC-pillen. Hij heeft bekend de auto te hebben geregeld waarmee de pillen naar Turkije werden gebracht, de pillen te hebben geregeld en deze naar Turkije te hebben gestuurd. Tijdens het transport onderhield verdachte contact met de chauffeur over de voortgang ervan. Toen het transport mislukt bleek te zijn, is hij samen met [naam 10] naar Turkije gegaan om de zaak op te helderen en om geld te halen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 ten laste gelegde medeplegen van de uitvoer van ongeveer 21.000 XTC-pillen.

Feit 6 (zaak 9)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 9 stelt de rechtbank het volgende vast.

Amfetamine/hennep

In de woning aan de [adres 1] te Tilburg zijn bij een doorzoeking op 28 februari 2013 verdovende middelen gevonden. Het ging daarbij onder meer om een bruto/netto hoeveelheid amfetamine van 3.827/3.784 gram en om bruto/netto hoeveelheid hennep van 3.547/3.544 gram. Uit het tapgesprek van [naam 11] en [verdachte] blijkt dat er bij die doorzoeking ook verdovende middelen van [verdachte] zijn aangetroffen. Hierin wordt immers gesproken over de drie van [verdachte] . Dat er verdovende middelen van [verdachte] in de woning aan de [adres 1] lagen, blijkt niet alleen uit de bevestiging door hem in dit tapgesprek maar ook uit de verklaring van [medeverdachte 6] die heeft verklaard dat hij de verdovende middelen voor een ander in bewaring had. Voor het vaststellen van welk verdovend middel de betreffende drie betrof, baseert de rechtbank zich op het door [verdachte] verzonden sms-bericht waarin hij het heeft over het huis aan de [adres 1] waar er voor hem geknipt was. Naar het oordeel van de rechtbank duidt dit op hennep. De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de aangetroffen hennep van [verdachte] was. Zij gaat daarbij voor wat betreft de hoeveelheid uit van het in het tapgesprek genoemde aantal, te weten drie kilo. Ten aanzien van de aangetroffen amfetamine is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen te staan dat [verdachte] deze aanwezig heeft gehad. Zij zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Hasjiesj

Uit de tapgesprekken tussen [verdachte] , [medeverdachte 7] en ene [naam 12] blijkt onder meer naar het oordeel van de rechtbank dat [naam 12] op 26 februari 2013 vijf kilogram hash aan [verdachte] heeft verstrekt. Omdat [verdachte] op het moment dat [naam 12] de hash kwam afleveren niet thuis was, heeft [medeverdachte 7] deze in ontvangst genomen. Op 27 februari 2013 heeft [medeverdachte 7] nogmaals een hoeveelheid hash van [naam 12] voor [verdachte] in ontvangst genomen. Dit betrof een hoeveelheid van ongeveer zes kilogram. In de gesprekken van 27 februari 2013 wordt niet expliciet over hash gesproken maar uit het gesprek dat op die dag plaatsvond om 11.43 uur waarin gesproken wordt over een levering van de rest van de hoeveelheid die de vorige dag is geleverd, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het hier wederom om hash gaat.

Net als bij feit 2 wordt ook hier door de verdediging een beroep gedaan op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:4251) betreffende het behoedzaam omgaan van hanteren van tapgesprekken als bewijsmiddel.

Ten aanzien van de betreffende tapgesprekken is gebleken dat hierin expliciet over hash en over aantallen hash wordt gesproken. Gelet daarop in samenhang met het tijdsbestek waarin het een en ander heeft plaatsgevonden, zijn deze gesprekken naar het oordeel van de rechtbank slechts voor één uitleg vatbaar namelijk dat [verdachte] van [naam 12] in totaal elf kilo hash geleverd heeft gekregen. De tapgesprekken zijn aldus bruikbaar als bewijsmiddelen. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk elf kilogram hasjiesj aanwezig heeft gehad, zoals aan hem onder dit feit is ten laste gelegd.

Feit 7 (zaak 10)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 10 stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 27 juni 2013 werd in de woning van [verdachte] en [naam 13] aan de [adres 3] te Tilburg een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 210 hennepplanten. De hennepkwekerij was van [verdachte] en [medeverdachte 3] . [naam 13] was van het bestaan op de hoogte en heeft ermee ingestemd dat de hennepkwekerij in haar huis werd opgezet. Vanaf 18 maart 2013 werd de ruimte geschikt gemaakt voor het telen van hennepplanten. [naam 14] en [medeverdachte 7] hebben [verdachte] meegeholpen met het opbouwen van de kwekerij en het aanleveren van de daarvoor benodigde spullen, zoals een trafo en lampen. De stekjes werden door tussenkomst van [naam 15] geleverd.

Verdachte heeft dit feit bekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het telen van 210 hennepplanten.

Feit 8 (zaak 11)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 11 stelt de rechtbank het volgende vast.

In april 2013 heeft [verdachte] contact met [benadeelde partij 4] in Duitsland over de levering van vijf kilo weed. De weed is aan [verdachte] en [medeverdachte 3] geleverd, waarbij [naam 15] voor [verdachte] garant heeft gestaan. [benadeelde partij 4] heeft [verdachte] laten weten dat het geld klaarligt. [medeverdachte 7] heeft [naam 16] bereid gevonden om tegen betaling de weed in zijn auto, een Audi A6 met Duits kenteken VER-LI30, naar Duitsland te brengen.

Op 22 april 2013 hebben [verdachte] en [medeverdachte 7] een sporttas met weed in de kofferruimte van hun Mini Cooper met kenteken [kenteken 3] gelegd. Ze zijn vanuit Tilburg naar Venlo gereden en [naam 16] is achter hen aangereden. Bij Venlo/Tegelen zijn ze naar Mac Donalds gegaan, alwaar [medeverdachte 7] op de parkeerplaats de tas met weed uit de Mini heeft gehaald en in de kofferbak van de Audi van [naam 16] heeft gelegd. Vervolgens zijn beide auto’s achter elkaar aan naar Frankfurt am Main/Duitsland gereden. Daar zijn ze gestopt op een parkeerplaats bij een sportschool. De tas werd uit de kofferbak van de Audi gehaald en aan een Turkse man overgedragen. In de tas zat een hoeveelheid van ongeveer 6 kilogram weed. De man heeft de weed meegenomen, maar de betaling is uitgebleven. [naam 15] is boos geworden, omdat hij borg stond en hieraan een schuld zou overhouden. [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn op 26 april 2013 naar Duitsland gegaan om te proberen het geld te krijgen. Ze hebben doodsbedreigingen geuit richting [benadeelde partij 4] om hem te dwingen tot de afgifte van geld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte een wezenlijke bijdrage geleverd aan de uitvoer van de weed naar Duitsland. In de hieronder vermelde tapgesprekken spreekt [verdachte] zelf over zes Amcik/zes stuks Haze, die hij heeft gegeven.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer zes kilogram hennep, wettig en overtuigend bewezen.

Naast deze hoeveelheid weed heeft [verdachte] twee kilogram amfetamine naar Duitsland laten brengen. De rechtbank baseert dit oordeel op de gesprekken die [verdachte] met [benadeelde partij 4] op 23 en 27 april heeft gevoerd. Op 23 april 2013 om 12.05 uur heeft [verdachte] tegen [benadeelde partij 4] gezegd dat hij zes Amcik en twee stuks Pep heeft gegeven. In het gesprek dat op dezelfde dag om 18.23 uur met [benadeelde partij 4] plaatsvond, heeft [verdachte] gezegd dat hij tegen de man die de tas kwam ophalen heeft gezegd dat het om zes stuks Haze en twee van die andere ging. Tenslotte blijkt uit de berekening die hij op 27 april 2013 aan [benadeelde partij 4] voorhield, dat het naast zes stuks ook nog om ‘1 a 2 dingetjes’ ging. Nu uit het dossier is niet gebleken dat de medeverdachten van de aanwezigheid van de amfetamine bij het transport op de hoogte waren, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] deze amfetamine alleen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Feit 9 (zaak 11)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 11 stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 3] samen naar Duitsland zijn gegaan om te proberen hun geld van de onder feit 8 bewezenverklaarde export van verdovende middelen in handen te krijgen. Op 27 april 2013 heeft [verdachte] contact opgenomen met [benadeelde partij 4] om druk op hem uit te oefenen. Hierbij uitte hij bedreigingen, waaronder: “Maak mij niet woest, anders kom ik daarheen. Ik hak je kop af” en “Niemand zal je redden uit mijn klauwen, je krijgt tot maandag de tijd”. Toen dat niet voldoende bleek te helpen, heeft [medeverdachte 3] met instemming van [verdachte] bedreigingen naar [benadeelde partij 4] geuit om hem tot betalen te dwingen.

Volgens de verdediging kan geen sprake zijn van afpersing, omdat het oogmerk van zichzelf wederrechtelijk bevoordelen niet kan worden bewezen. Het ging slechts om vereffening van een openstaande schuld, omdat verdachte verdovende middelen had geleverd en in ruil daarvoor recht had op geld.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In het door de verdediging aangehaalde arrest (ECLI:NL:HR:2015:1786) heeft de Hoge Raad het oordeel van het Hof, inhoudende dat de bezitter van een goed, ongeacht de vraag of hij tevens eigenaar daarvan is, kan worden aangemerkt als degene aan wie het goed toebehoort in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht, bevestigd. Daarbij is het niet van belang of het een illegaal goed is van een zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, dan wel dat het enkele aanwezig hebben van dat goed reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de stelling van de verdediging, dat de verdovende middelen aan verdachte toebehoorden, zolang de tegenprestatie – het betalen van een geldsom – niet is verricht, dan ook niet juist.

De sporttas met verdovende middelen behoorde vanaf het moment dat deze op 26 april 2013 in Duitsland aan een Turkse man werd overhandigd, aan deze Turkse man toe, in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht. Hij kon er als heer en meester over beschikken. Gelet daarop kunnen de handelingen van verdachte worden gekwalificeerd als afpersingshandelingen.

De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de verdediging.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing van [benadeelde partij 4] van ongeveer 40.000 euro.

Feit 10 (zaak 12)

Op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 12 stelt de rechtbank het volgende vast.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken vanaf 7 mei 2013 bleek dat [medeverdachte 3] en [verdachte] een gewapende overval of een ripdeal wilden laten uitvoeren door twee of drie Bulgaren. [medeverdachte 3] heeft Bulgaren benaderd c.q. laten benaderen en hen gevraagd deze ripdeal te plegen.

De politie zag dat [medeverdachte 3] en [verdachte] op 14 mei 2013 in een theehuis te Tilburg drie mannen ontmoetten die kort daarna in een grijze Peugeot met Bulgaars kenteken [kenteken 1] stapten en wegreden. Op 16 mei 2013 reed [verdachte] naar een parkeerterrein aan de Rucphensebaan te Roosendaal. Aldaar stapte hij in de eerder geobserveerde grijze Peugeot met Bulgaars kenteken [kenteken 1] , waarin zich drie inzittenden bevonden. De auto reed door diverse straten in Roosendaal, waaronder tweemaal – met geringe snelheid – door de [adres 2] . Hierna stapte [verdachte] op het parkeerterrein aan de Rucphensebaan te Roosendaal weer uit de auto en vertrok. Hij liet [medeverdachte 3] telefonisch weten dat hij het adres had laten zien, dat ze er twee keer waren langsgereden en dat hij het toevertrouwde had gegeven. Ook zei hij: “zij aan het werk, ze gaan nu naar binnen”. Enkele minuten nadat [verdachte] uit de grijze Peugeot was gestapt, hield de politie de inzittenden van deze auto, zijnde [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] , aan. [medeverdachte 9] droeg een geladen revolver, merk Rossi, in een elastische band om zijn middel. Het wapen was geladen met vier patronen van het merk Sellier & Bellot en één patroon van het merk Remington-Peters. In de auto trof de politie voorts onder meer tie rips, een scream masker, een valhelm, een rol duct-tape en reservekleding aan. In het navigatiesysteem dat zich in de auto bevond was als meest recente bestemming het adres [adres 2] te Roosendaal ingevoerd.

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij samen met één of meer ander(en) [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] heeft uitgelokt om een woningoverval of “ripdeal” te plegen. Van uitlokking is sprake als iemand een ander heeft aangezet tot het begaan van een strafbaar feit waarvoor de uitgelokte zelf kan worden gestraft. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is onder meer vereist dat één of meer uitlokkingsmiddelen zijn gebruikt. Deze uitlokkingsmiddelen zijn in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht limitatief omschreven. In het onderhavige geval zijn als uitlokkingsmiddelen in de tenlastelegging als verfeitelijking opgenomen het benaderen van [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] (al dan niet tegen een vergoeding) om een overval of ripdeal te plegen, het hen vragen hun kleding ten behoeve van die overval of ripdeal aan te passen, het verstrekken van een geladen wapen en het tonen van het te overvallen of rippen adres. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze verfeitelijkingen als uitlokkingsmiddelen worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] het te overvallen dan wel te rippen adres aan [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] heeft getoond. Ook zou hij op dat moment het “toevertrouwde” aan hen hebben overhandigd. De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat daarmee het wapen werd bedoeld. Nu naar het oordeel van de rechtbank ook aan de overige vereisten voor uitlokking is voldaan acht zij daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 16 mei 2013 te Tilburg en Roosendaal schuldig heeft gemaakt aan de uitlokking van diefstal met geweld en/of afpersing.

Feit 1 (zaak 5)

Criminele organisatie

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang.

Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad, dat tot doel heeft het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren en dus te behoren tot de organisatie, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Het oogmerk van de criminele organisatie dient gericht te zijn op het plegen van misdrijven. Een betrokkene moet weten - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.

Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Dit betekent dat het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn voldoende kan zijn, zolang deze handelingen ertoe bijdragen dat het doel van de organisatie gerealiseerd kan worden. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Was er sprake van een criminele organisatie?

Voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit 1 (zaak 5) verwijst de rechtbank allereerst naar de aan dit vonnis gehechte bijlage bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 5.

Daarnaast verwijst de rechtbank in dit kader naar de bijlagen bewijsmiddelen met betrekking tot de zaken 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17. Deze zaken zijn aan verdachte dan wel zijn medeverdachten in het onderzoek Kapel ten laste gelegd en bewezenverklaard en deze zijn naar het oordeel van de rechtbank mede van belang voor de bewezenverklaring van zaak 5.

Uit de hiervoor vermelde bijlagen bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – volgt dat er sprake was van een samenwerkingsverband dat zich bezig hield met de handel in soft- en harddrugs. In het dossier zijn talloze taps opgenomen waaruit blijkt dat de diverse leden van het samenwerkingsverband -soms met elkaar, soms met derden- op grote schaal handelden in met name softdrugs. Daarnaast werden er hennepkwekerijen geëxploiteerd en ook werden soms harddrugs geëxporteerd. Daarbij werd geweld niet geschuwd om verdwenen drugs weer te achterhalen of om betalingen af te dwingen. De diverse leden van de organisatie beschikten over wapens om zo nodig te gebruiken en om zichzelf of andere leden van de organisatie te beschermen.

Dat er sprake is van een samenwerkingsverband blijkt met name op die momenten dat een lid van de criminele organisatie in de problemen kwam, als er transporten moesten worden gefinancierd, of als er geld bij elkaar moest worden gelegd om een kwekerij te bouwen. Op die momenten werd zichtbaar dat er geen sprake was van individuen die ieder voor zich strafbare feiten pleegden, maar dat dit in groepsverband gebeurde, waarbij hiërarchische lijnen en taken zichtbaar werden. Het feit dat een aantal van de deelnemers aan de criminele organisatie familie van elkaar zijn en dat het in de Turkse cultuur een vanzelfsprekendheid is elkaar te helpen en voor elkaar op te komen doet naar het oordeel van de rechtbank aan het vorenstaande niet af. Een crimineel samenwerkingsverband kan ook samenvallen of deels samenvallen met een familieverband.

In het dossier zijn daarvan voorbeelden te noemen, die zijn opgenomen in de bijlagen bewijsmiddelen. Zo is er na de aanhouding van [medeverdachte 1] op 12 oktober 2012 -het moment dat er wapens werden aangetroffen in de woning aan de [adres 4] in Tilburg- druk telefoonverkeer tussen onder meer [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [verdachte] .

Men vond het van belang dat [medeverdachte 1] een goede advocaat zou krijgen. [medeverdachte 4] heeft hiervoor financiële middelen ter beschikking gesteld en mensen in Turkije op de hoogte gesteld van de aanhouding van [medeverdachte 1] . Daarnaast zijn er tapgesprekken waaruit volgt dat [medeverdachte 3] “het wapen van de baas” op zich wil nemen, zodat [medeverdachte 1] hiervoor geen straf hoeft te krijgen.

Een ander voorbeeld van deze samenwerking wordt gezien in zaak 6. De verdwenen drugs behoorden toe aan [medeverdachte 6] en [verdachte] , maar het was [medeverdachte 3] die de regie in handen heeft genomen om de drugs terug te krijgen (zo heeft hij onder meer gezegd: “ik heb de jongeren voor de deur van [benadeelde partij 2] gezet, ik heb een aantal strategische stappen gedaan, een aantal dingen zijn weer teruggekomen, ik heb een vuurwapen naar [benadeelde partij 2] getrokken”). Via [medeverdachte 4] werd toestemming gevraagd aan [medeverdachte 1] om geweld te gebruiken en [medeverdachte 1] gaf ten slotte aan dat er verder geen actie meer ondernomen hoefde te worden.

Ook zaak 8 geeft naar het oordeel van de rechtbank aan dat er sprake is van een samenwerkingsverband. [verdachte] is degene die het drugstransport naar Turkije geregeld heeft. In Turkije werden de drugs onderschept, waarna [verdachte] samen met

[naam 10] naar Turkije is gevlogen om orde op zaken te stellen. Toen hij in Turkije in de problemen kwam, werden [medeverdachte 4] en Turkse contacten van [medeverdachte 1] ingeschakeld om het probleem op te lossen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de tapgesprekken tussen [medeverdachte 4] en zijn zoon [medeverdachte 7] , waarin gezegd wordt: “zeg tegen die eerloze uit Istanbul als hij belt dat die neef van die broer uit Istanbul naar hen toe zal gaan en zij gaan het daar allemaal regelen (…) Jij weet toch heel goed dat wij in Istanbul hele grote zeggenschap hebben. De meester heeft al het nodige gedaan en nu worden ze daar door vrienden geholpen”.

De uitvoer van de 6 kilo hennep naar Duitsland (zaak 11) geeft eveneens een duidelijk beeld van de samenwerking. [verdachte] is degene die in eerste instantie alles regelt, daarbij geholpen door zijn broer [medeverdachte 7] . Op het moment dat het misgaat blijkt dat niet alleen [verdachte] degene te zijn die zich er druk over maakt, maar ook [medeverdachte 3] . Hij wordt ingeschakeld om druk uit te oefenen op [benadeelde partij 4] als de drugs niet betaald worden. In dit verband wijst de rechtbank tevens op een OVC-gesprek van 7 april 2013 waarin [medeverdachte 3] zegt: “Bij alle zaken die [verdachte] doet, ben ik partner, zelfs bij elke gram wiet die hij verkoopt, heb ik een aandeel. Want ik ben degene die voor jou de deur heeft geopend”. (..). [verdachte] zei tegen mij: “Ik heb een plek gevonden, kom laten we wiet kweken”. “Is goed, laten we kweken” zei ik. Daarna heb ik gezegd: “Kerel luister, hiermee wordt het de 4e of 5e partij. Jij mag alles hebben, ik zal alleen compagnon zijn bij de plek ‘in het midden’. Al het overige mag jij hebben”. “Nee”, zei hij man, “nee, of we doen het samen of we doen niets.”

Nadat de hennepkwekerij in de woning aan de [adres 5] te Tilburg (zaak 13) door de politie was ontdekt, werd [medeverdachte 5] hiervan op de hoogte gebracht en kwam men in de sportschool van [medeverdachte 5] bij elkaar om dit te bespreken. Van strafrechtelijke betrokkenheid van [medeverdachte 5] bij die kwekerij was tot dat moment niet gebleken. Uit OVC-gesprekken valt voorts af te leiden dat de betreffende kwekerij eerder geript is geweest, dat overleg werd gepleegd over de vraag of op die plek een nieuwe kwekerij moest komen, dat “[naam 4] de rechterhand was van [medeverdachte 1] in de rolstoel” en dat, als men dat had geweten, de kwekerij niet geript was.

Als voorbeeld van een zaak waaruit blijkt dat de diverse leden elkaar te hulp schieten en samenwerken in de kwestie Netersel: [verdachte] krijgt op een bruiloft een conflict met de familie [naam 18] . [verdachte] en [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] komen met de familie [naam 18] overeen dat de familie [naam 18] een compensatie dient te betalen en dat een (drugs) schuld van [medeverdachte 6] wordt kwijtgescholden. [medeverdachte 1] wordt op de hoogte gehouden en hij stuurt [medeverdachte 2] om boodschappen over te brengen. Uit een OVC-gesprek d.d. 20 april 2013 blijkt tenslotte dat [medeverdachte 2] de volgende boodschap overbrengt: “laat [naam 4] het ijzer geven en laat [verdachte] of [medeverdachte 6] dan [naam 19] gaan neerknallen”.

Dat er sprake is van een samenwerkingsverband blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook op het moment dat er “een breuk” ontstaat in de samenwerking. In december 2012 is er onenigheid ontstaan tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] heeft kennelijk iets gedaan dat [medeverdachte 1] niet zinde. [medeverdachte 5] wilde daarna geen contact meer met [medeverdachte 1] , hij nam geen contact meer met hem op en reageerde niet meer op berichten van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 5] , zo volgt uit tap- en OVC-gesprekken, wilde zich terugtrekken uit de criminele activiteiten. Vervolgens hebben ook [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] ruzie gekregen met [medeverdachte 1] . Er is duidelijk sprake van een vertrouwensbreuk. Deze vertrouwensbreuk heeft plaatsgevonden medio mei 2013. Na deze vertrouwensbreuk is de criminele organisatie zonder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verder gegaan. Gebleken is dat ook [medeverdachte 5] hierin uiteindelijk toch verder gaat. Degenen die in de voortgezette criminele organisatie de meeste zeggenschap hebben, zijn [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . In een OVC-gesprek heeft [medeverdachte 4] de voortzetting als volgt verwoord: “wat zeg ik tegen de meester? Wij drieën, [naam 4] ook, wij vormen een geheel. Tussen ons is er geen sprake van bedrog, niemand kan ons scheiden”.

Wie maakten deel uit van deze criminele organisatie ?

[medeverdachte 1] moet worden gezien als de leider van de criminele organisatie. Hij heeft gebruik gemaakt van de naam die hij had opgebouwd in Turkije als lid van een gewelddadige, criminele familie. Hij kwam in februari 2010 naar België en kwam op enig moment in contact met [medeverdachte 4] . Deze heeft hem tijdelijk aan woonruimte geholpen door zijn vakantiehuisje in Vessem ter beschikking te stellen. Daarna zwierf [medeverdachte 1] rond, verbleef regelmatig in Antwerpen en reisde naar het buitenland, waaronder Griekenland. Uit het dossier volgt voorts dat [medeverdachte 1] opdrachten heeft gegeven aan de diverse leden van de organisatie en zich op de hoogte heeft laten houden van wat zich afspeelde. In het dossier zijn tal van tapgesprekken waarin hij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en in mindere mate [medeverdachte 5] opdrachten geeft, hij verontwaardigd reageert als ze niet meteen antwoorden of komen. Hij gebruikt [medeverdachte 2] vaak als boodschapper. Hij heeft in ieder geval opdracht gegeven [benadeelde partij 5] neer te schieten. Naar alle waarschijnlijkheid hield dat verband met een mislukte drugsdeal.

[medeverdachte 4] handelde in hennep. Daarvan zijn de leveringen aan [naam 20] een voorbeeld, hoewel die niet afzonderlijk ten laste zijn gelegd. Ook was hij betrokken bij de exploitatie van hennepkwekerijen. Hij had daarnaast een bemiddelende, aansturende rol in de criminele organisatie. Dit blijkt onder meer uit zijn betrokkenheid bij zaken 6 en 8. In die zaken kan hij weliswaar niet als medepleger of medeplichtige worden aangemerkt, maar hij heeft wel degelijk een inbreng van betekenis. Hij heeft voorts geld ter beschikking gesteld voor de advocaat van [medeverdachte 1] . Tevens heeft hij zijn vakantiehuis ter beschikking gesteld aan [medeverdachte 1] en hem opgehaald van vliegvelden in Duitsland of België.

[medeverdachte 5] stelde zijn sportschool ter beschikking voor bijeenkomsten van leden van de criminele organisatie. Diverse leden kwamen daar bij elkaar om informatie uit te wisselen en zaken te bespreken. [medeverdachte 5] komt uit de tap- en OVC-gesprekken naar voren als iemand die anderen aanstuurde, adviseerde, geld leende, hulp bood of bemiddelde. Zijn directe betrokkenheid bij de diverse strafbare feiten is moeilijk vast te stellen in die zin dat hij niet veroordeeld kan worden omdat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Hij heeft echter wel degelijk een faciliterende en bemiddelende rol in de organisatie. De tapgesprekken waarin hij iedereen vertelt dat hij uit de business stapt, zeggen in dit verband genoeg. Hij had meerdere wapens in zijn woning ten behoeve van de criminele organisatie en hij had een wapen onder zijn kussen liggen omdat hij bang was. Daarnaast gaf [medeverdachte 5] waar nodig instructies over de afhandeling van incidenten, waarbij hij geweldshandelingen niet schuwde. Hij spreekt in dit verband onder meer tegen [medeverdachte 3] over martelen, vingers afsnijden en tegen [medeverdachte 6] over het in elkaar slaan van [naam 12] en ook spreekt [medeverdachte 5] over het opblazen of onder de grond begraven van mensen.

[medeverdachte 3] was degene binnen de criminele organisatie die geweld niet schuwde. Hij nam het voortouw bij het terughalen van de in januari 2013 gestolen 6 kilogram hennep (zaak 6). Ook bij de geripte wiet in Duitsland (zaak 11) is hij degene die wordt ingeschakeld om druk te zetten alsnog geld te betalen. In zaak 12, de geplande overval/ripdeal waarbij drie Bulgaren worden ingeschakeld, heeft hij ook een prominente rol. Hij heeft binnen het samenwerkingsverband zeggenschap. Hij laat [verdachte] en [medeverdachte 6] weten niet gediend te zijn van het feit dat ze geld vergokken en daarmee transacties op het spel zetten. Een voorbeeld daarvan is een telefoongesprek op 8 april 2013 waarin hij [verdachte] van repliek dient nadat hij van [naam 10] heeft gehoord dat hij weer geld heeft vergokt.

Dat [medeverdachte 3] hoger in rangorde stond, blijkt onder meer uit een gesprek dat hij op 15 april 2014 heeft gevoerd met [medeverdachte 6] waarin hij onder meer heeft gezegd: “Wij hebben hem ons woord gegeven op basis van ons vertrouwen op jouw woord. Breng ons niet in een situatie dat we ons niet aan ons woord kunnen houden omdat jij zo nodig een paar centjes meer moet verdienen. Als je het nog niet hebt geregeld moet je het maar met verlies afgeven…”. Tevens was [medeverdachte 3] in het bezit van wapens.

[verdachte] was actief in de handel in en export van soft- en harddrugs. Dat blijkt alleen al uit de hoeveelheid afzonderlijke feiten die bij hem bewezen zijn verklaard. Hij had een prominente rol bij het geld verzamelen voor [medeverdachte 1] na diens aanhouding in oktober 2012. Verder werkte hij samen met o.a. [medeverdachte 6] en zijn broer [medeverdachte 7] . Bij problemen in de handel viel hij terug op de criminele organisatie. Zo is gebleken dat hij daarbij meerdere malen [medeverdachte 3] heeft ingeschakeld.

[medeverdachte 6] was met name actief in de het opzetten van hennepkwekerijen en de daaruit volgende hennephandel. Hij viel op de criminele organisatie terug als er problemen waren of als hij geld nodig had. Hij werkte samen met [verdachte] . Zijn hennepkwekerijen in Silvolde kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de organisatie worden gelinkt.

[medeverdachte 7] hielp met name zijn broer [verdachte] met (kleine) klusjes, eenmaal in de rol van medepleger, soms in de rol van medeplichtige en soms waren de handelingen an sich niet strafbaar. Hij verrichtte hand- en spandiensten bij de bouw van de kwekerij bij zijn broer thuis, nam drugs voor hem in ontvangst, regelde autopapieren, hielp met het verstoppen van drugs.

[medeverdachte 2] was de persoonlijke verzorger van [medeverdachte 1] . Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat hij zelf actief strafbare handelingen heeft gepleegd. Wel heeft hij [medeverdachte 1] daartoe in staat gesteld. Niet alleen door hem overal naar toe te brengen, maar ook door boodschappen over te brengen van [medeverdachte 1] aan andere leden van de criminele organisatie. Uit tapgesprekken blijkt dat de vriendin van [medeverdachte 2] vindt dat hij teveel voor [medeverdachte 1] doet en ze dat maar vreemd vindt. Hij heeft een rol gespeeld bij het wegbrengen van [medeverdachte 11] in de nacht na de poging tot moord op [benadeelde partij 5] , alsmede bij de bedreiging van [naam 21] .

Dat bij sommige leden van de criminele organisatie weinig tot geen afzonderlijke strafbare feiten ten laste zijn gelegd en/of bewezen zijn verklaard doet aan hun rol niet af. Juist de -op zich zelf wellicht onschuldige- feitelijke handelingen maakten dat andere leden hun criminele activiteiten konden ontplooien. Het verrichten van hand- en spandiensten kan daarom in crimineel verband strafbaar zijn en dat is het in deze zaak ook geweest. Gelet op de duur en de intensiteit van de ondersteunende activiteiten is er sprake van strafwaardig handelen.

Dat tussen een aantal leden ook sprake is van een familierelatie maakt, zoals gezegd, niet dat zij niet als leden van deze criminele organisatie kunnen aangemerkt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periodes opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of I [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]

en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

ALTHANS

hij

* in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 15 mei 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland

en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde perso(o)nen)), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet en andere misdrijven, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij

* in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 15 mei 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland

en/of in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde natuurlijke perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven, namelijk

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

(zaak 5: criminele organisatie)

2.

hij op of omstreeks 03 jan 2013 te Moergestel en/of Tilburg, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd

en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van

zijn mededader(s) met dat opzet

* die [benadeelde partij 1] (tegen zijn wil) in een auto vervoerd naar de woning aan de

[adres 1] te Tilburg en/of

* (vervolgens) die [benadeelde partij 1] (tegen zijn wil) de woning aan de [adres 1]

te Tilburg mee in genomen en/of

* (vervolgens) die [benadeelde partij 1] enige tijd vastgehouden in de woning/garage aan de

[adres 1] te Tilburg en/of

* die [benadeelde partij 1] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk

weergegeven - dat ze hem zouden afmaken en/of af/dood zouden schieten en/of

in het kanaal zouden dumpen, althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 jan 2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te

weten [benadeelde partij 1] ), meermalen, althans eenmaal heeft geslagen/gestompt (op

de rug en/of het been en/of in zijn maag), waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

EN/OF

hij op of omstreeks 03 jan 2013 te Moergestel en/of Tilburg, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kg, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(zaak 6)

3.

hij in of omstreeks de periode van 03 januari 2013 tot en met 30 januari 2013,

althans in of omstreeks de periode van 3 januari 2013 tot en met 7 april 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2]

en/of [benadeelde partij 3] en/of de echtgenote van [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van een partij hennep en/of hasj en/of amfetamine (speed), in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

* een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (uit zijn

broeksband) heeft getrokken/gehaald en/of (vervolgens) heeft getoond aan

en/of gericht op die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 2] opzettelijk dreigend de woorden

heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat ze zijn adres hebben

achterhaald en geen mededogen met zijn familie hebben en/of zijn familie

zullen neuken en/of dat hij tot donderdag de tijd heeft om (terug) te

betalen en/of dat hij maar eens moet kijken wat er met hem gaat gebeuren,

althans woorden van gelijke deigende aard of strekking en/of heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk dreigend bij de woning van die

[benadeelde partij 2] rondgehangen

en/of

* die [benadeelde partij 3] opzettelijk dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd

- zakelijk weergegeven - dat als dit zo doorgaat het alleen maar erger en

erger wordt en ze hem maar 1 kans geven en/of het zijn er 5 samen met je

dinges en je hebt tot 1500 uur de tijd en/of dat er niet meer gerekt kan

worden omdat het anders echt gaat escaleren, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

(zaak 6)

5.

hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2013 tot en met 9 maart 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Duitsland en/of in Turkije tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten

het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 21.000 (XTC-)pillen, in

elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA), zijnde MDMA en/of tenamfetamine

(MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet,

in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(zaak 8)

6.

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 28 februari

2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 3827 gram van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde

lid van artikel 3a van die wet;

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2013 tot en met 28 februari

2013 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 30003547

gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en/of

een hoeveelheid van ongeveer 11.000 gram, althans 3034 gram hasjiesj, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel

van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj en/of hennep (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(zaak 9)

7.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2013

tot en met 27 juni 2013, in elk geval op of omstreeks 27 juni 2013 te

Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 3] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 210, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep,zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(zaak 10)

8.

hij op of omstreeks 22 april 2013 te Tilburg en/of Tegelen en/of elders in

Nederland en/of in Frankfurt en/of elders in Duitsland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6 kg hennep, in elk geval

een (grote) hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 22 april 2013 te Tilburg en/of Tegelen en/of elders in

Nederland en/of in Frankfurt en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het

grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2 kg amfetamine, althans een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; , dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I

(zaak 11)

9.

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2013 tot en met op 27 april 2013 te

Tilburg, althans in Nederland en/of in Duitsland ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 4]

te dwingen tot de afgifte van ongeveer 40.000 euro, althans een

groot geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), daartoe die [benadeelde partij 4] opzettelijk

dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik hak je kop af" en/of "mijn

geld moet je regelen en je krijgt daarvoor tot maandag tijd...o wee als je het

niet regelt ! Dan kom ik je daar te grazen nemen, [benadeelde partij 4] ! heb je het gehoord ?

Degene die mij in deze toestand brengt, degene die hier verantwoordelijk voor

is....." en/of "Jij beseft niet met wie je aan het dansen bent ! Niemand zal

je redden uit mijn klauwen ! Jij krijgt tot maandag tijd. Laten ze het met

mijn moeder doen als ik dat jou of jouw kinderen niet betaald zet als maandag

het geld niet klaar is !!!! Durf nog eens hier en daar een bericht achter te

laten van dat je er niets mee te maken hebt....als je dat doet kom ik je hoofd

eraf hakken ! Maak mijn geld gereed anders maak ik je kapot" en/of "ik heb

veel begrip getoond....ik hou er niet van om bij het huis van iemand langs te

gaan......dat is wat mij betreft heilig...ik weet overigens wel je

huis....deze maandag moet je ervoor zorgen dat het geld komt" en/of "mijn

geld moet maandag hier zijn en je neef gaat anders maandagnacht om 12 uur op

weg...dat je dat weet", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak 11)

10.

[medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] op of omstreeks 16 mei 2013

te Roosendaal ter uitvoering van het door hem/hun voorgenomen misdrijf

A) om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of

meer goederen van zijn/hun gading (geld en/of drugs en/of andere voorwerpen)

geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 8]

en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of verdachte en/of zijn mededader(s), en

daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen

en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een of meer

personen (wonende in een woning aan/nabij de [adres 2] ), te plegen met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

EN/OF

B) om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een of meer perso(o)n(en)

(wonende in een woning aan/nabij de [adres 2] ) te dwingen tot de afgifte

van een of meer goed(eren) van zijn/hun gading (geld en/of drugs en/of andere

voorwerpen), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of

verdachte en/of zijn mededader(s)

daartoe in een auto met een (geladen) revolver (merk: Rossi) en/of tie rips

en/of een (scream) masker en/of een (val)helm en/of en/of een rol duct-tape

en/of reservekleding naar/nabij die woning (aan/nabij de [adres 2] )

is/zijn gereden en/of meermalen, althans eenmaal voorbij die woning (aan/nabij

de [adres 2] ) is/zijn gereden en/of meermalen, althans eenmaal door die

straat (aan/nabij de [adres 2] ) is/zijn gereden, terwijl de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welk feit hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode

van 7 mei 2013 tot en met 16 mei 2013 te Tilburg en/of Roosendaal, althans in

Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of

misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of

door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]

en/of [medeverdachte 10]

* gebeld en/of (vervolgens) gevraagd/verzocht of zij "ergens" aan mee zouden

willen doen en/of dat het "kant en klaar" zou zijn en/of dat er "papier" zou

liggen, althans woorden van deze strekking en/of

* gevraagd/verzocht (al dan niet tegen een vergoeding) om een overval/ripdeal

op een woning (aan/in de buurt van de [adres 2] te Roosendaal) te

plegen/uit te voeren en/of

* gevraagd/verzocht om zijn/ hun kleding (ten behoeve de te plegen

overval/ripdeal op die woning) aan te passen en/of

* een wapen (revolver merk Rossi) gegeven (ten behoeve van de te plegen

overval/ripdeal op die woning) en/of

* de woning (aan/in de buurt van de [adres 2] te Roosendaal) laten zien

die hij/zij (voornoemde [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] ) zou(den)

gaan/moeten overvallen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van voorarrest. Gelet op de duur van de eis vordert hij tevens de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt met betrekking tot de eis van de officier van justitie dat oplegging van een gevangenisstraf geaccepteerd zal worden maar dat deze wel een matiging verdient. Allereerst vanwege de gevoerde bewijsverweren maar ook dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast dient acht geslagen te worden op de “vibe” die rondom [medeverdachte 1] hing toen hij zich in Tilburg had gevestigd. Vanuit opportunisme heeft verdachte zich voor wat betreft zijn gedragingen en beslissingen laten leiden en geprobeerd daarin een graantje mee te pikken. Daarbij heeft hij geprobeerd zich groter voor te doen dan dat hij in werkelijkheid was. Verder dient rekening gehouden te worden met de omstandigheid dat verdachte in Turkije voor het XTC-transport tot een gevangenisstraf van twaalf jaar is veroordeeld. Tot slot wordt voor wat betreft de schadelijkheid van drugs voor de volksgezondheid de nuance gemaakt dat alcohol als schadepost in de maatschappij nog altijd bovenaan staat.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Hierin werd gedurende een langere periode gehandeld in met name softdrugs maar ook in harddrugs waarbij tevens sprake was van export naar het buitenland. Daarnaast werden er hennepkwekerijen geëxploiteerd. De organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] . Met uitzondering van [medeverdachte 1] kenden alle deelnemers elkaar reeds vóór het ontstaan van de criminele organisatie uit de Tilburgse Turkse gemeenschap. Zij zijn familie en/of vrienden van elkaar.

[medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van bijna een jaar leiding gegeven aan deze organisatie. Na deze periode is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] enerzijds en de overige deelnemers en is de criminele organisatie vervolgens zonder hen verder gegaan tot 1 oktober 2013, de dag van de aanhouding. [verdachte] was met name actief in de hennephandel. Maar hij hield zich ook bezig met de export van XTC en amfetamine. Dit blijkt ook uit de overige bewezenverklaarde feiten. Hij viel met name terug op de criminele organisatie bij ontstane problemen.

Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid. Maar ook het criminele circuit waarvan deel wordt uitgemaakt. Andere vormen van criminaliteit worden door de deelnemers immers niet geschuwd zoals het door middel van geweld achterhalen van geripte drugs of het afdwingen van betalingen, zo ook door [verdachte] blijkens de overige bewezen verklaarde feiten. Diverse leden van de organisatie beschikten ook over wapens om zo nodig te gebruiken en om zichzelf of andere leden van de organisatie te beschermen.

Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij.

Gebleken is dat verdachte zich naast de deelname aan de criminele organisatie schuldig heeft gemaakt aan diverse drugsfeiten waaronder het telen, de export en het voorhanden hebben van hennep alsmede de export en het voorhanden hebben van XTC en amfetamine. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan drugsgerelateerde afpersingen en uitlokking van een woningoverval. De ernst van dergelijke feiten is reeds hiervoor aan de orde gekomen bij de bespreking van de criminele organisatie.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Tevens blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Op dergelijke feiten past, gelet op het voorgaande, de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht alsmede de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat verdachte op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De Hoge Raad heeft hierover in zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) bepaald dat wat betreft de berechting in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden zijn volgens de Hoge Raad gelegen in:

  1. De ingewikkeldheid van de zaak: Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of andere zaken tegen de verdachte;

  2. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop;

  3. De (voortvarendheid van de) wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Voor de aanvang van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte dient onder meer als een dergelijke handeling te worden aangemerkt, hetgeen de rechtbank ook hier als uitgangspunt zal nemen.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachte in het omvangrijke onderzoek Kapel waarin in totaal 28 personen als verdachten zijn aangemerkt, op 1 oktober 2013 in verzekering is gesteld waardoor de redelijke termijn in beginsel zou verstrijken op 1 oktober 2015. De inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting was aanvankelijk gepland in mei, juni en juli 2016, met naar verwachting een eindvonnis in september 2016. Op dat moment liep de termijn waarbinnen berechting plaats dient te vinden derhalve langer dan twee jaar. Gelet op de hierboven met name onder a) genoemde bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgeweken kan worden van het uitgangspunt van de duur van de redelijke berechting, beoordeelt de rechtbank die langere duur tot dat moment niet als een overschrijding van de redelijke termijn.

Echter, door omstandigheden die niet aan de verdediging zijn te wijten, is die geplande behandeling een jaar uitgesteld en heeft deze uiteindelijk plaatsgevonden in april, mei en juni 2017. Naar aanleiding daarvan doet de rechtbank heden, 18 september 2017, een einduitspraak, eveneens een jaar na de eerder geplande uitspraakdatum. De ontstane vertraging door het uitstel van de behandeling met de hiervoor omschreven periode beoordeeld de rechtbank wel als een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank is rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van oordeel dat in deze zaak een korting van zes maanden moet worden toegepast.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van acht en een half jaar met aftrek van voorarrest passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst. Ter zitting is door de officier van justitie verzocht om de schorsing op te heffen. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf wijst de rechtbank het verzoek toe.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 46, 47, 57, 91, 140, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10, 11, 13 en 14 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het primair onder 2 en het eerste cumulatief/alternatief onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

feit 2 subsidiair: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3: Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 5: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 6: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 7: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 8: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 9: Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 10 subsidiair: Medeplegen van uitlokking van diefstal met geweld en/of afpersing.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Kouwenhoven en mr. Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 september 2017.