Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5955

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
02/812050-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Kapel. Hoewel zelf geen strafbare feiten gepleegd, wel veroordeeld als lid van een criminele organisatie. Schending van de redelijke termijn leidt tot korting in de straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Amsterdam (rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Amsterdam)

Parketnummer: 02/812050-12

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 september 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats] (Turkije)

wonende te [adres]

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5, 13 en 14 april en 24 mei 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Van IJzendoorn, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Tijdens de zitting van 4 september 2017 is het onderzoek gesloten.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van liquidaties, althans pogingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

ALTHANS

hij

* in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg

en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of in

Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde perso(o)nen)), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij

* in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg

en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of in

Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde natuurlijke perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van liquidaties, althans pogingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

(zaak 5: criminele organisatie)

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie. Hij gaat er daarbij van uit dat er sprake was van een criminele organisatie verdeeld over twee periodes. Ten aanzien van [verdachte] acht de officier van justitie bewezen dat hij heeft deelgenomen aan deze criminele organisatie in de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013. Van de deelname aan de tweede periode vordert hij vrijspraak. Hij gaat er daarbij vanuit dat de criminele organisatie als oogmerk had het plegen van strafbare feiten op het gebied van de Opiumwet. Om dat te verwezenlijken was een substantiële vorm van dreiging vereist waarbij de wapen- en geweldsfeiten, die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, een rol hebben gespeeld. Aldus is er tevens sprake van een oogmerk tot het plegen van afpersingen en bedreigingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit primair vrijspraak van het ten laste gelegde. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank of er sprake is geweest van een criminele organisatie. Verdachte kan evenwel niet als deelnemer van de criminele organisatie worden aangemerkt. Ten eerste omdat het vereiste dubbele opzet ontbreekt en ten tweede omdat hij op geen enkele wijze heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Verdachte had maar één oogmerk en dat was de verzorging van [mededader 1] . Verdachte wist dat [mededader 1] in verband met zijn verleden voor zijn veiligheid een wapen bij zich droeg maar verder was hij niet op de hoogte van de vermeende criminele activiteiten. De naam van verdachte komt enkel voor in zaaksdossier 1 en 6. Met betrekking tot zaak 1 wordt zijn naam genoemd door [mededader 8] , [mededader 9] en [mededader 10] . Daarbij moeten de verklaringen van [mededader 8] en [mededader 10] als onbetrouwbaar worden aangemerkt. Dat [mededader 9] van verdachte gehoord zou hebben dat [mededader 11] de schutter zou zijn geweest op [mededader 12] wijst niet op betrokkenheid van verdachte. Daar komt bij dat het tapgesprek op pagina A1479 onjuist is vertaald en gezien moet worden als “Je hebt toch geen kopzorgen”. Met betrekking tot zaak 6 komt verdachte pas in beeld na de bedreiging. Tot slot kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte namens [mededader 1] aan [mededader 2] zou hebben gevraagd [Potentieel slachtoffer] neer te schieten.

Subsidiair wordt vrijspraak bepleit van deelneming aan de criminele organisatie met het oogmerk op het plegen van drugsmisdrijven.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Criminele organisatie

Om te kunnen spreken van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is blijkens de jurisprudentie een aantal aspecten van belang.

Vereist is dat sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur en een bepaalde organisatiegraad, dat tot doel heeft het plegen van misdrijven. De deelnemers aan zo’n organisatie dienen niet ieder voor zich, maar in het verband van deze organisatie te participeren en dus te behoren tot de organisatie, zonder dat vereist is dat zij met alle personen in de organisatie samenwerken of alle personen in de organisatie kennen.

Het oogmerk van de criminele organisatie dient gericht te zijn op het plegen van misdrijven. Een betrokkene moet weten - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - dat de organisatie het plegen van misdrijven in zijn algemeenheid tot het oogmerk heeft. Betrokkene hoeft echter geen opzet te hebben gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Wetenschap van één of verscheidene concrete misdrijven is evenmin vereist.

Voor deelname aan de criminele organisatie is niet vereist dat een betrokkene deelneemt aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van een misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Dit betekent dat het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn voldoende kan zijn, zolang deze handelingen ertoe bijdragen dat het doel van de organisatie gerealiseerd kan worden. Daarbij geldt dat niet iedere bijdrage kan leiden tot het oordeel dat iemand deel uitmaakt van de organisatie. De bijdrage moet een zekere duur en intensiteit hebben.

Was er sprake van een criminele organisatie?

Voor de bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit (zaak 5) verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de aan dit vonnis gehechte bijlage bewijsmiddelen met betrekking tot zaak 5.

Daarnaast verwijst de rechtbank in dit kader naar de bijlagen bewijsmiddelen met betrekking tot de zaken 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17. Deze zaken zijn aan zijn medeverdachten in het onderzoek Kapel ten laste gelegd en bewezenverklaard en deze zijn naar het oordeel van de rechtbank mede van belang voor de bewezenverklaring van zaak 5.

Uit de hiervoor vermelde bijlagen bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – volgt dat er sprake was van een samenwerkingsverband dat zich bezig hield met de handel in soft- en harddrugs. In het dossier zijn talloze taps opgenomen waaruit blijkt dat de diverse leden van het samenwerkingsverband -soms met elkaar, soms met derden- op grote schaal handelden in met name softdrugs. Daarnaast werden er hennepkwekerijen geëxploiteerd en ook werden soms harddrugs geëxporteerd. Daarbij werd geweld niet geschuwd om verdwenen drugs weer te achterhalen of om betalingen af te dwingen. De diverse leden van de organisatie beschikten over wapens om zo nodig te gebruiken en om zichzelf of andere leden van de organisatie te beschermen.

Dat er sprake is van een samenwerkingsverband blijkt met name op die momenten dat een lid van de criminele organisatie in de problemen kwam, als er transporten moesten worden gefinancierd, of als er geld bij elkaar moest worden gelegd om een kwekerij te bouwen. Op die momenten werd zichtbaar dat er geen sprake was van individuen die ieder voor zich strafbare feiten pleegden, maar dat dit in groepsverband gebeurde, waarbij hiërarchische lijnen en taken zichtbaar werden. Het feit dat een aantal van de deelnemers aan de criminele organisatie familie van elkaar zijn en dat het in de Turkse cultuur een vanzelfsprekendheid is elkaar te helpen en voor elkaar op te komen doet naar het oordeel van de rechtbank aan het vorenstaande niet af. Een crimineel samenwerkingsverband kan ook samenvallen of deels samenvallen met een familieverband.

In het dossier zijn daarvan voorbeelden te noemen, die zijn opgenomen in de bijlagen bewijsmiddelen. Zo is er na de aanhouding van [mededader 1] op 12 oktober 2012 -het moment dat er wapens werden aangetroffen in de woning aan de [adres 1] - druk telefoonverkeer tussen onder meer [mededader 2] , [mededader 4] en [mededader 5] .

Men vond het van belang dat [mededader 1] een goede advocaat zou krijgen. [mededader 3] heeft hiervoor financiële middelen ter beschikking gesteld en mensen in Turkije op de hoogte gesteld van de aanhouding van [mededader 1] . Daarnaast zijn er tapgesprekken waaruit volgt dat [mededader 2] “het wapen van de baas” op zich wil nemen, zodat [mededader 1] hiervoor geen straf hoeft te krijgen.

Een ander voorbeeld van deze samenwerking wordt gezien in zaak 6. De verdwenen drugs behoorden toe aan [mededader 6] en [mededader 5] , maar het was [mededader 2] die de regie in handen heeft genomen om de drugs terug te krijgen (zo heeft hij onder meer gezegd: “ik heb de jongeren voor de deur van [mededader 6] gezet, ik heb een aantal strategische stappen gedaan, een aantal dingen zijn weer teruggekomen, ik heb een vuurwapen naar [mededader 6] getrokken”). Via [mededader 3] werd toestemming gevraagd aan [mededader 1] om geweld te gebruiken en [mededader 1] gaf ten slotte aan dat er verder geen actie meer ondernomen hoefde te worden.

Ook zaak 8 geeft naar het oordeel van de rechtbank aan dat er sprake is van een samenwerkingsverband. [mededader 5] is degene die het drugstransport naar Turkije geregeld heeft. In Turkije werden de drugs onderschept, waarna [mededader 5] samen met [mededader 13] naar Turkije is gevlogen om orde op zaken te stellen. Toen hij in Turkije in de problemen kwam, werden [mededader 3] en Turkse contacten van [mededader 1] ingeschakeld om het probleem op te lossen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de tapgesprekken tussen [mededader 3] en zijn zoon [mededader 5] , waarin gezegd wordt: “zeg tegen die eerloze uit Istanbul als hij belt dat die neef van die broer uit Istanbul naar hen toe zal gaan en zij gaan het daar allemaal regelen (…) Jij weet toch heel goed dat wij in Istanbul hele grote zeggenschap hebben. De meester heeft al het nodige gedaan en nu worden ze daar door vrienden geholpen”.

De uitvoer van de 6 kilo hennep naar Duitsland (zaak 11) geeft eveneens een duidelijk beeld van de samenwerking. [mededader 5] is degene die in eerste instantie alles regelt, daarbij geholpen door zijn broer [mededader 5] . Op het moment dat het misgaat blijkt dat niet alleen [mededader 5] degene te zijn die zich er druk over maakt, maar ook [mededader 2] . Hij wordt ingeschakeld om druk uit te oefenen op [mededader 14] als de drugs niet betaald worden. In dit verband wijst de rechtbank tevens op een OVC-gesprek van 7 april 2013 waarin [mededader 2] zegt: “Bij alle zaken die [mededader 5] doet, ben ik partner, zelfs bij elke gram wiet die hij verkoopt, heb ik een aandeel. Want ik ben degene die voor jou de deur heeft geopend”. (..). [mededader 5] zei tegen mij: “Ik heb een plek gevonden, kom laten we wiet kweken”. “Is goed, laten we kweken” zei ik. Daarna heb ik gezegd: “Kerel luister, hiermee wordt het de 4e of 5e partij. Jij mag alles hebben, ik zal alleen compagnon zijn bij de plek ‘in het midden’. Al het overige mag jij hebben”. “Nee”, zei hij man, “nee, of we doen het samen of we doen niets.”

Nadat de hennepkwekerij in de woning aan de [adres 2] (zaak 13) door de politie was ontdekt, werd [mededader 4] hiervan op de hoogte gebracht en kwam men in de sportschool van [mededader 4] bij elkaar om dit te bespreken. Van strafrechtelijke betrokkenheid van [mededader 4] bij die kwekerij was tot dat moment niet gebleken. Uit OVC-gesprekken valt voorts af te leiden dat de betreffende kwekerij eerder geript is geweest, dat overleg werd gepleegd over de vraag of op die plek een nieuwe kwekerij moest komen, dat “[alias] de rechterhand was van [mededader 1] in de rolstoel” en dat, als men dat had geweten, de kwekerij niet geript was.

Als voorbeeld van een zaak waaruit blijkt dat de diverse leden elkaar te hulp schieten en samenwerken in de kwestie [plaatsnaam] [mededader 5] krijgt op een bruiloft een conflict met de familie [mededader 15] [mededader 5] en [mededader 3] , [mededader 2] en [mededader 6] komen met de familie [mededader 15] overeen dat de familie [mededader 15] een compensatie dient te betalen en dat een (drugs) schuld van [mededader 6] wordt kwijtgescholden. [mededader 1] wordt op de hoogte gehouden en hij stuurt [verdachte] om boodschappen over te brengen. Uit een OVC-gesprek d.d. 20 april 2013 blijkt tenslotte dat [verdachte] de volgende boodschap overbrengt: “laat [alias] het ijzer geven en laat [mededader 5] of [mededader 6] dan [Potentieel slachtoffer] gaan neerknallen”.

Dat er sprake is van een samenwerkingsverband blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook op het moment dat er “een breuk” ontstaat in de samenwerking. In december 2012 is er onenigheid ontstaan tussen [mededader 4] en [mededader 1] . [mededader 4] heeft kennelijk iets gedaan dat [mededader 1] niet zinde. [mededader 4] wilde daarna geen contact meer met [mededader 1] , hij nam geen contact meer met hem op en reageerde niet meer op berichten van [mededader 1] . [mededader 4] , zo volgt uit tap- en OVC-gesprekken, wilde zich terugtrekken uit de criminele activiteiten. Vervolgens hebben ook [mededader 2] en [mededader 3] ruzie gekregen met [mededader 1] . Er is duidelijk sprake van een vertrouwensbreuk. Deze vertrouwensbreuk heeft plaatsgevonden medio mei 2013. Na deze vertrouwensbreuk is de criminele organisatie zonder [mededader 1] en [verdachte] verder gegaan. Gebleken is dat ook [mededader 4] hierin uiteindelijk toch verder gaat. Degenen die in de voortgezette criminele organisatie de meeste zeggenschap hebben, zijn [mededader 3] , [mededader 2] en [mededader 4] . In een OVC-gesprek heeft [mededader 3] de voortzetting als volgt verwoord: “wat zeg ik tegen de meester? Wij drieën, [alias] ook, wij vormen een geheel. Tussen ons is er geen sprake van bedrog, niemand kan ons scheiden”.

Wie maakten deel uit van deze criminele organisatie ?

[mededader 1] moet worden gezien als de leider van de criminele organisatie. Hij heeft gebruik gemaakt van de naam die hij had opgebouwd in Turkije als lid van een gewelddadige, criminele familie. Hij kwam in februari 2010 naar België en kwam op enig moment in contact met [mededader 3] . Deze heeft hem tijdelijk aan woonruimte geholpen door zijn vakantiehuisje in [plaatsnaam 1] ter beschikking te stellen. Daarna zwierf [mededader 1] rond, verbleef regelmatig in Antwerpen en reisde naar het buitenland, waaronder Griekenland. Uit het dossier volgt voorts dat [mededader 1] opdrachten heeft gegeven aan de diverse leden van de organisatie en zich op de hoogte heeft laten houden van wat zich afspeelde. In het dossier zijn tal van tapgesprekken waarin hij [mededader 2] , [mededader 3] en in mindere mate [mededader 4] opdrachten geeft, hij verontwaardigd reageert als ze niet meteen antwoorden of komen. Hij gebruikt [verdachte] vaak als boodschapper. Hij heeft in ieder geval opdracht gegeven [mededader 12] neer te schieten. Naar alle waarschijnlijkheid hield dat verband met een mislukte drugsdeal.

[mededader 3] handelde in hennep. Daarvan zijn de leveringen aan [mededader 16] een voorbeeld, hoewel die niet afzonderlijk ten laste zijn gelegd. Ook was hij betrokken bij de exploitatie van hennepkwekerijen. Hij had daarnaast een bemiddelende, aansturende rol in de criminele organisatie. Dit blijkt onder meer uit zijn betrokkenheid bij zaken 6 en 8. In die zaken kan hij weliswaar niet als medepleger of medeplichtige worden aangemerkt, maar hij heeft wel degelijk een inbreng van betekenis. Hij heeft voorts geld ter beschikking gesteld voor de advocaat van [mededader 1] . Tevens heeft hij zijn vakantiehuis ter beschikking gesteld aan [mededader 1] en hem opgehaald van vliegvelden in Duitsland of België.

[mededader 4] stelde zijn sportschool ter beschikking voor bijeenkomsten van leden van de criminele organisatie. Diverse leden kwamen daar bij elkaar om informatie uit te wisselen en zaken te bespreken. [mededader 4] komt uit de tap- en OVC-gesprekken naar voren als iemand die anderen aanstuurde, adviseerde, geld leende, hulp bood of bemiddelde. Zijn directe betrokkenheid bij de diverse strafbare feiten is moeilijk vast te stellen in die zin dat hij niet veroordeeld kan worden omdat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Hij heeft echter wel degelijk een faciliterende en bemiddelende rol in de organisatie. De tapgesprekken waarin hij iedereen vertelt dat hij uit de business stapt, zeggen in dit verband genoeg. Hij had meerdere wapens in zijn woning ten behoeve van de criminele organisatie en hij had een wapen onder zijn kussen liggen omdat hij bang was. Daarnaast gaf [mededader 4] waar nodig instructies over de afhandeling van incidenten, waarbij hij geweldshandelingen niet schuwde. Hij spreekt in dit verband onder meer tegen [mededader 2] over martelen, vingers afsnijden en tegen [mededader 6] over het in elkaar slaan van [mededader 17] en ook spreekt [mededader 4] over het opblazen of onder de grond begraven van mensen.

[mededader 2] was degene binnen de criminele organisatie die geweld niet schuwde. Hij nam het voortouw bij het terughalen van de in januari 2013 gestolen 6 kilogram hennep (zaak 6). Ook bij de geripte wiet in Duitsland (zaak 11) is hij degene die wordt ingeschakeld om druk te zetten alsnog geld te betalen. In zaak 12, de geplande overval/ripdeal waarbij drie Bulgaren worden ingeschakeld, heeft hij ook een prominente rol. Hij heeft binnen het samenwerkingsverband zeggenschap. Hij laat [mededader 5] en [mededader 6] weten niet gediend te zijn van het feit dat ze geld vergokken en daarmee transacties op het spel zetten. Een voorbeeld daarvan is een telefoongesprek op 8 april 2013 waarin hij [mededader 5] van repliek dient nadat hij van [mededader 13] heeft gehoord dat hij weer geld heeft vergokt.

Dat [mededader 2] hoger in rangorde stond, blijkt onder meer uit een gesprek dat hij op 15 april 2014 heeft gevoerd met [mededader 6] waarin hij onder meer heeft gezegd: “Wij hebben hem ons woord gegeven op basis van ons vertrouwen op jouw woord. Breng ons niet in een situatie dat we ons niet aan ons woord kunnen houden omdat jij zo nodig een paar centjes meer moet verdienen. Als je het nog niet hebt geregeld moet je het maar met verlies afgeven…”. Tevens was [mededader 2] in het bezit van wapens.

[mededader 5] was actief in de handel in en export van soft- en harddrugs. Dat blijkt alleen al uit de hoeveelheid afzonderlijke feiten die bij hem bewezen zijn verklaard. Hij had een prominente rol bij het geld verzamelen voor [mededader 1] na diens aanhouding in oktober 2012. Verder werkte hij samen met o.a. [mededader 6] en zijn broer [mededader 5] . Bij problemen in de handel viel hij terug op de criminele organisatie. Zo is gebleken dat hij daarbij meerdere malen [mededader 2] heeft ingeschakeld.

[mededader 6] was met name actief in de het opzetten van hennepkwekerijen en de daaruit volgende hennephandel. Hij viel op de criminele organisatie terug als er problemen waren of als hij geld nodig had. Hij werkte samen met [mededader 5] . Zijn hennepkwekerijen in [plaatsnaam 3] kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan de organisatie worden gelinkt.

[mededader 5] hielp met name zijn broer [mededader 5] met (kleine) klusjes, eenmaal in de rol van medepleger, soms in de rol van medeplichtige en soms waren de handelingen an sich niet strafbaar. Hij verrichtte hand- en spandiensten bij de bouw van de kwekerij bij zijn broer thuis, nam drugs voor hem in ontvangst, regelde autopapieren, hielp met het verstoppen van drugs.

[verdachte] was de persoonlijke verzorger van [mededader 1] . Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat hij zelf actief strafbare handelingen heeft gepleegd. Wel heeft hij [mededader 1] daartoe in staat gesteld. Niet alleen door hem overal naar toe te brengen, maar ook door boodschappen over te brengen van [mededader 1] aan andere leden van de criminele organisatie. Uit tapgesprekken blijkt dat de vriendin van [verdachte] vindt dat hij teveel voor [mededader 1] doet en ze dat maar vreemd vindt. Hij heeft een rol gespeeld bij het wegbrengen van [mededader 11] in de nacht na de poging tot moord op [mededader 12] , alsmede bij de bedreiging van [mededader 18]

Dat bij sommige leden van de criminele organisatie weinig tot geen afzonderlijke strafbare feiten ten laste zijn gelegd en/of bewezen zijn verklaard doet aan hun rol niet af. Juist de -op zich zelf wellicht onschuldige- feitelijke handelingen maakten dat andere leden hun criminele activiteiten konden ontplooien. Het verrichten van hand- en spandiensten kan daarom in crimineel verband strafbaar zijn en dat is het in deze zaak ook geweest. Gelet op de duur en de intensiteit van de ondersteunende activiteiten is er sprake van strafwaardig handelen.

Dat tussen een aantal leden ook sprake is van een familierelatie maakt, zoals gezegd, niet dat zij niet als leden van deze criminele organisatie kunnen aangemerkt.

De rol van verdachte [verdachte] heeft de rechtbank onder meer gebaseerd op een aantal verklaringen die door de verdediging als onbetrouwbaar zijn bestempeld. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen.

Verklaring [mededader 8]

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er in de verklaringen van [mededader 8] tegenstrijdigheden te vinden zijn. Deze tegenstrijdigheden zijn naar haar oordeel echter niet van dien aard dat de volledige verklaringen als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. De verklaringen worden bovendien op diverse punten ondersteund door andere, zowel objectieve als subjectieve, bewijsmiddelen. Zo blijkt voor wat betreft de objectieve bewijsmiddelen uit het dossier dat [mededader 8] inderdaad op 11 september 2012 omstreeks 00.40 uur sms-berichten heeft ontvangen van [mededader 19] , dat hij omstreeks 02.00 uur is aangehouden met een BMW waarbij een tweede persoon in zijn voertuig is waargenomen, dat hij die nacht bij zijn broer is geweest en dat hij op 11 september 2012 contact heeft gehad met een Grieks telefoonnummer dat bij [mededader 1] in gebruik was. Voor wat betreft de subjectieve bewijsmiddelen wordt de verklaring van [mededader 8] ondersteund door onder meer de verklaring van [medeader 20] , [mededader 9] en [mededader 10] . De rechtbank acht de verklaringen van [mededader 8] dan ook bruikbaar voor het bewijs en verwerpt het verweer van de verdediging.

Verklaring [mededader 10]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [mededader 10] onbetrouwbaar is omdat zij pas een jaar na dato over de vermeende bedreiging door [mededader 1] heeft verklaard waarbij [verdachte] behulpzaam zou zijn geweest.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

[mededader 10] heeft op 17 februari 2014 de verklaring afgelegd dat zij door [mededader 1] is bedreigd. Aan de hand van een tweetal op 27 februari 2014 door de politie aan [mededader 10] voorgehouden telefoongesprekken is achterhaald dat deze bedreiging heeft plaatsgevonden op 27 september 2012. Deze telefoongesprekken zouden volgens [mededader 10] immers op de dag van de bedreiging hebben plaatsgevonden. De verklaring van [mededader 10] over de bedreiging door [mededader 1] is aldus ruim anderhalf jaar na dato afgelegd. Het zou zo kunnen zijn, zoals de verdediging heeft gesteld, dat zij deze verklaring heeft afgelegd naar aanleiding van het bezoek van 13 februari 2014 aan haar broer die vastzit in Italië wegens een mislukt drugstranport waar [mededader 1] blijkens het dossier betrokkenheid bij zou hebben (hetgeen overigens niet aan hem is ten laste gelegd) en waarbij zij samen afspraken zouden hebben gemaakt over wat te verklaren. De rechtbank ziet daarvoor echter geen aanwijzingen. Gelet op hetgeen er met haar toenmalige ex-partner is voorgevallen, ziet zij eerder aanwijzingen voor de redenering dat [mededader 10] uit angst al die tijd niet naar de politie heeft durven gaan en pas na het bezoek aan haar broer heeft gedurfd daarover te verklaren. De rechtbank acht hierbij van belang dat haar verklaring omtrent de bedreiging door [mededader 1] wordt ondersteund door het telefoongesprek van 27 september 2012 te 15.39 uur. In dit gesprek vraagt [mededader 10] aan haar moeder waar [naam zoon] , haar zoon, is. Moeder antwoordt hierop dat [naam zoon] slaapt. [mededader 10] zegt vervolgens dat zij goed op [naam zoon] moet letten en dat zij voor nu alleen maar dit kan zeggen. De rechtbank acht het informeren door [mededader 10] bij haar moeder over waar haar zoon is en de mededeling dat zij goed op hem moet letten een aanwijzing dat zij zich bedreigd voelde. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [mededader 10] betrouwbaar en aldus bruikbaar voor het bewijs. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Verklaringen [mededader 9]

De verdediging heeft aangevoerd dat [mededader 9] wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat hij heeft gehoord met betrekking tot de schutter van het schietincident aan de [straatnaam] te Tilburg. Echter zelfs als het klopt dat [mededader 9] van [verdachte] heeft vernomen dat [mededader 11] de schutter is geweest, dan kunnen de verklaringen van [mededader 9] niet belastend kunnen worden uitgelegd voor [verdachte] .

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Op 26 februari 2014 heeft [mededader 9] zijn eerste verklaring bij de politie afgelegd. Hierin heeft hij verklaard dat [voornaam] [mededader 11] in de nacht van 11 op 12 september 2012 bij hem aan de deur heeft gestaan. Hij was donker gekleed, hij had een tas bij zich en hij wilde bij hem blijven slapen. In deze verklaring heeft hij ook verklaard dat [verdachte] aan hem in de week van de schietpartij heeft verteld dat [mededader 11] op [voornaam 2] [mededader 12] heeft geschoten. Hij heeft hierover verklaard dat hij op het moment dat hij dat hoorde, dacht: “Kut”. Dit omdat hij hier niets mee te maken wilde hebben.

Later, namelijk op 6 maart 2014, is [mededader 9] naar de politie gegaan omdat hij zijn verklaring nog eens wilde doorlezen. Hij wilde weten wat hij precies had verklaard over de mensen waarover hij had verklaard uit angst voor de gevolgen. Verder heeft hij bij deze gelegenheid verklaard dat hij van [verdachte] had gehoord dat de groepering van [mededader 2] , [mededader 1] , [mededader 3] en [verdachte] boos op hem was.

Op 6 november 2015 en 12 januari 2016 is [mededader 9] door de rechter-commissaris gehoord. Daar heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij heeft verklaard dat [verdachte] hem heeft verteld dat [mededader 11] op [mededader 12] heeft geschoten. Hij zou het uit roddels hebben vernomen. [verdachte] had tijdens het bezoek aan hem gevraagd waarom hij zo bij de politie had verklaard. [mededader 9] heeft hierop geantwoord dat hij dat niet wist. Daarna is [verdachte] weggegaan. [mededader 9] had de indruk dat ze boos op hem waren. [verdachte] was wel redelijk boos, dat zag hij aan zijn gezichtsuitdrukking.

Hoewel [mededader 9] enkel in zijn eerste verklaring heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat [mededader 11] [mededader 12] had beschoten en in zijn volgende verklaringen daarop terug is gekomen, houdt de rechtbank [mededader 9] toch aan zijn eerste verklaring. Dit omdat deze verklaring het dichtst bij het tijdstip van het voorval ligt waardoor er de minste kans op beïnvloeding is geweest en deze aldus het meest waarheidsgetrouw is. Uit deze verklaring blijkt ook dat [mededader 9] erg bang was en gezegd heeft dat hij hoopte dat hij geen spijt zou krijgen van zijn verklaring. Ten aanzien van de latere verklaringen is gebleken dat [mededader 9] bezoek van [verdachte] heeft gehad. Daarover heeft hij verklaard dat hij het gevoel had dat de groepering waaronder [verdachte] boos op hem was. Nu gebleken is dat [mededader 9] erg bang was voor de gevolgen van zijn eerste verklaring en de ommezwaai in zijn verklaringen gelegen is ná het bezoek van [verdachte] , gaat de rechtbank er vanuit dat [mededader 9] uit angst zijn verklaring op dit punt heeft aangepast. Zij hecht derhalve geen geloof aan de later afgelegde verklaring van [mededader 9] dat hij uit roddels vernomen heeft dat [mededader 11] op [mededader 12] heeft geschoten en laat deze buiten beschouwing. Het informeren door [verdachte] bij [mededader 9] naar zijn verklaring over hetgeen heeft plaatsgevonden in de nacht van 11 op 12 september 2012 acht zij een typische activiteit van een loopjongen. Naar haar oordeel wilde hij daarmee immers de stand van zaken opmaken naar het eventuele risico dat de betrokkenen van de schietpartij door de politie opgepakt zouden worden. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Het tapgesprek waaraan door zowel de officier van justitie als de verdediging wordt gerefereerd wordt niet door de rechtbank als bewijsmiddel gebezigd waardoor het verweer op dat punt onbesproken kan blijven.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 1 oktober 2013

te Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7] heeft

deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van een

aantal/genoemde natuurlijke personen), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van liquidaties, althans pogingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

ALTHANS

hij

* in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg

en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of in

Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde perso(o)nen)), welke organisatie tot oogmerk had het

plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde

en vijfde lid en/of 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en/of

vijfde lid van de Opiumwet en andere misdrijven, namelijk

- het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen en/of het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van

(telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) plegen van strafbare voorbereidingshandelingen (zoals genoemd

in artikel 10A, eerste lid Opiumwet) betreffende/ten aanzien van (een)

middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet en/of

- het (telkens) in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen

en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren

en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van (grote hoeveelheden) hennep en/of hash en/of

- het (telkens) opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

en/of hash

EN/OF

hij

* in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 15 mei 2013 te Tilburg

en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of in

Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 3]

en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 7]

en/of

* in of omstreeks de periode van 16 mei 2013 tot en met 1 oktober 2013 te

Tilburg en/of elders in Nederland en/of in Belgie en/of in Duitsland en/of

in Turkije tezamen en in vereniging met [mededader 1]

heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband van

een aantal/genoemde natuurlijke perso(o)n(en)), welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van liquidaties, althans pogingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van afpersing(en) en/of diefstal(len) met geweld en/of

voorbereidingshandelingen daartoe en/of

- het (telkens) plegen van bedreigingen en/of

- het bezit/voorhanden hebben en/of dragen en/of vervoeren en/of de

invoer en/of uitvoer van wapens (zoals genoemd in de Wet Wapens en Munitie)

(zonder vergunning/consent)

(zaak 5: criminele organisatie)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest en waarvan vijftien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Als bijzondere voorwaarde vordert hij aan verdachte op te leggen een contactverbod met [mededader 1] . Hij houdt daarbij rekening met de ondersteunende rol van verdachte die hij had in de criminele organisatie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien het primair gevoerde bewijsverweer niet wordt gevolgd, bepleit de verdediging de strafeis te matigen en daarbij voorts rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Weliswaar zijn er door de verdediging onderzoekswensen ingediend maar daarmee is reeds rekening gehouden bij het vaststellen van de betreffende termijn van twee jaar. De opgelopen vertragingen vallen dan ook volledig, althans voor het overgrote deel, onder de verantwoording van de autoriteiten. Verzocht wordt een strafvermindering van meer dan tien procent toe te passen. De geëiste bijzondere voorwaarde wordt uitermate ridicuul geacht. Na de aanhouding van verdachte bijna vier jaar geleden, zijn er geen contacten met politie en justitie meer geweest met uitzondering van een belediging waarvan verdachte in hoger beroep is vrijgesproken. In al die tijd heeft er contact tussen [mededader 1] en verdachte plaatsgevonden. Verdachte wil [mededader 1] ondersteunen bij zijn handicap. De verdediging verzoekt deze bijzondere voorwaarde dan ook niet over te nemen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Hierin werd gedurende een langere periode gehandeld in met name softdrugs maar ook in harddrugs waarbij tevens sprake was van export naar het buitenland. Daarnaast werden er hennepkwekerijen geëxploiteerd. De organisatie bestond uit een aantal personen die in wisselende samenstelling hebben geopereerd. Dit betroffen [mededader 1] , [verdachte] , [mededader 4] , [mededader 3] , [mededader 5] , [mededader 7] , [mededader 2] en [mededader 6] . Met uitzondering van [mededader 1] kenden alle deelnemers elkaar reeds vóór het ontstaan van de criminele organisatie uit de Tilburgse Turkse gemeenschap. Zij zijn familie en/of vrienden van elkaar.

[mededader 1] heeft gedurende een periode van bijna een jaar leiding gegeven aan deze organisatie. Na deze periode is er een vertrouwensbreuk ontstaan tussen [mededader 1] en [verdachte] en de overige deelnemers, en is de criminele organisatie vervolgens zonder hen verder gegaan tot 1 oktober 2013, de dag van de aanhouding. [verdachte] was niet alleen de persoonlijke verzorger van [mededader 1] maar hij ondersteunde en faciliteerde hem ook in zijn functie als leider van de criminele organisatie. Zo bracht hij boodschappen over naar andere leden van de criminele organisatie en heeft hij een rol gespeeld bij het wegvoeren van [mededader 11] na de poging tot moord op [mededader 12] en de bedreiging van [voornaam 3] [mededader 10] .

Door deel te nemen aan een dergelijke organisatie hebben verdachte en zijn medeverdachten geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel in drugs met zich meebrengt. Niet alleen op het gebied van de effecten van het gebruik van verdovende middelen voor de volksgezondheid. Maar ook het criminele circuit waarvan deel wordt uitgemaakt. Andere vormen van criminaliteit worden door de deelnemers immers niet geschuwd zoals het door middel van geweld achterhalen van geripte drugs of het afdwingen van betalingen. Diverse leden van de organisatie beschikten ook over wapens om zo nodig te gebruiken en om zichzelf of andere leden van de organisatie te beschermen.

Criminele organisaties als deze hebben bovendien een ontwrichtend effect op de rechtsorde, door de interne normen en omgangsvormen die worden gehanteerd, en door de winsten die dergelijke organisaties maken en die op enig moment weer in de bovenwereld geïnvesteerd worden. Op deze wijze vindt vermenging van de (illegale) onderwereld met de (legale) bovenwereld plaats. Dit werkt ontwrichtend en ondermijnend voor de maatschappij.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte, waarop geen onherroepelijke veroordelingen staan.

Op een dergelijk feit past, gelet op het voorgaande alsmede de straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank tevens gelet op het feit dat verdachte op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De Hoge Raad heeft hierover in zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN: BD2578) bepaald dat wat betreft de berechting in eerste aanleg als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden zijn volgens de Hoge Raad gelegen in:

  1. De ingewikkeldheid van de zaak: Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of andere zaken tegen de verdachte;

  2. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop;

  3. De (voortvarendheid van de) wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Voor de aanvang van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte dient onder meer als een dergelijke handeling te worden aangemerkt, hetgeen de rechtbank ook hier als uitgangspunt zal nemen.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachte in het omvangrijke onderzoek Kapel waarin in totaal 28 personen als verdachten zijn aangemerkt, op 1 oktober 2013 in verzekering is gesteld waardoor de redelijke termijn in beginsel zou verstrijken op 1 oktober 2015. De inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting was aanvankelijk gepland in mei, juni en juli 2016, met naar verwachting een eindvonnis in september 2016. Op dat moment liep de termijn waarbinnen berechting plaats dient te vinden derhalve langer dan twee jaar. Gelet op de hierboven met name onder a) genoemde bijzondere omstandigheden op grond waarvan afgeweken kan worden van het uitgangspunt van de duur van de redelijke berechting, beoordeelt de rechtbank die langere duur tot dat moment niet als een overschrijding van de redelijke termijn.

Echter, door omstandigheden die niet aan de verdediging zijn te wijten, is die geplande behandeling een jaar uitgesteld en heeft deze uiteindelijk plaatsgevonden in april, mei en juni 2017. Naar aanleiding daarvan doet de rechtbank heden, 18 september 2017, een einduitspraak, eveneens een jaar na de eerder geplande uitspraakdatum. De ontstane vertraging door het uitstel van de behandeling met de hiervoor omschreven periode beoordeeld de rechtbank wel als een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank is rekening houdend met alle feiten en omstandigheden van oordeel dat in deze zaak een korting van 3 maanden op de voornoemde straf moet worden toegepast.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één jaar en negen maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Kouwenhoven en
mr. Van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 september 2017.