Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5909

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
12-08-2019
Zaaknummer
AWB 16_4332
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:3141, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Wetsverwijzingen
Wet vervoer binnenvaart 5
Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Voor de EER en Zwitserland relevante tekst)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/4332 tot en met BRE 16/4334

uitspraak van 13 september 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2011 tot en met 2013 aanslagen inkomstenbelasting en premievolksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 3 juni 2016 de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 6 juli 2016, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. De inspecteur heeft drie verweerschriften ingediend. Op 6 juni 2017 heeft verweerder een aanvulling op de verweerschriften ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017 te Breda.

Namens belanghebbende is verschenen de gemachtigde [gemachtigde] . De inspecteur heeft zich laten vertegenwoordigen door [inspecteur] .

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende, geboren op 24 december 1975, heeft de Nederlandse nationaliteit en was in de onderhavige jaren woonachtig in Nederland. In die jaren werkte hij in loondienst bij [BV 1] ( [BV 1] ), gevestigd te Luxemburg, op een binnenvaartschip, het [het schip] (hierna: het schip). Het schip is eigendom van mevrouw

[persoon A] ( [persoon A] ) te [Plaats X] en [BV 2] ( [BV 2] ) te [Plaats B] . Het schip staat geregistreerd in Nederland.

2.2.

Voor het schip is op 4 september 2009 aan [persoon A] als eigenaar van het schip een verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet vervoer binnenvaart, dat het schip behoort tot de Rijnvaart in de zin van artikel 2, derde lid, van de Herziene Rijnvaartakte (hierna: Rijnvaartverklaring). Op de Rijnvaartverklaring is [BV 2] als exploitant vermeld.

2.3.

De Luxemburgse autoriteiten hebben aan belanghebbende met dagtekening 22 februari 2006 een E-101 verklaring afgegeven. In een door de inspecteur op 6 juni 2017 overgelegd nader stuk van de bevoegde autoriteit te Luxemburg staat vermeld dat de aan belang-hebbende afgegeven E-101 verklaring vanaf 1 januari 2007 geen rechtskracht meer heeft.

2.4.

In het hiervoor vermelde nadere stuk vermeldt de inspecteur voorts dat de Svb op

17 augustus 2016 een A1-verklaring (de A1-verklaring) heeft afgegeven met betrekking tot de onderhavige jaren.

2.5.

Belanghebbende heeft voor de jaren 2011 tot en met 2013 aangiften IB/PVV gedaan naar belastbare inkomens van respectievelijk € 32.906, € 38.056 en € 39.151. In de aangiften heeft belanghebbende aftrek ter voorkoming van dubbele belasting gevraagd en verzocht om vrijstelling van PVV.

2.6.

De inspecteur heeft op 14 november 2014 (2011), 19 mei 2015 (2012) en 26 november 2015 (2013) de onderhavige aanslagen opgelegd waarbij hij de door belanghebbende in zijn aangiften gevraagde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en geclaimde vrijstellingen van PVV voor de respectievelijke jaren niet heeft verleend. De aanslagen zijn opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 29.483 (2011), € 34.366 (2012) en € 35.369 (2013).

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende in de onderhavige jaren in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en vermindering van de aanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2013 in die zin dat geen premies volksverzekeringen worden ingehouden. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Vast staat dat belanghebbende in de onderhavige jaren in Nederland woonde, de Nederlandse nationaliteit had, in die jaren in dienstbetrekking was bij een Luxemburgse werkgever en hij zijn beroepsarbeid verrichtte aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart is gebruikt en dat was voorzien van een Rijnvaartverklaring.

4.2.

Op 11 februari 2011 is door de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland een overeenkomst gesloten krachtens artikel 16, eerste lid, van de Verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, StCrt. 2011/3397 (de Rijnvarendenovereenkomst). De Rijnvarendenovereenkomst geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2010.

4.3.

Gegeven de onder 2.1. en 2.2. vastgestelde feiten en omstandigheden is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een Rijnvarende in de zin van de Rijnvarendenovereenkomst. Dit betekent dat de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende met inachtneming van artikel 16 van Verordening (EG) 883/2004 op grond van de Rijnvarendenovereenkomst moet worden vastgesteld.

4.4.

Op grond van artikel 1, onderdeel c, en artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is belanghebbende premieplichtig in het land waar de zetel van de exploitant van het schip is gevestigd. Als exploitant in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de Rijnvarendenovereenkomst, geldt de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip. Voor de vaststelling van de exploitant is in beginsel de Rijnvarendenverklaring maatgevend.

4.5.

Nu niet in geschil is dat het schip waarop belanghebbende werkzaam was werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming, is in beginsel de Nederlandse wetgeving de toepasselijke wetgeving.

4.6.

Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende met betrekking tot het onder 2.3 vermelde nadere stuk verklaard dat het de vraag is of de E-101 verklaring is teruggenomen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het al of niet van toepassing zijn van een dergelijke verklaring nog in geschil is.

4.7.

Op 15 augustus 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) uitspraak (de uitspraak) gedaan (ECLI:NL:GHARL:2017:6785) in een met het onderhavige beroep vergelijkbare zaak (met dien verstande dat de uitspraak van het Hof betrekking heeft op het aanslagjaar 2006). De rechtbank zal hieronder, mede onder verwijzing naar de uitspraak, het geschil puntsgewijs beoordelen.

Bevoegdheid

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 57 en 58 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 11, eerste lid, van de AWR, heffingsbevoegdheid heeft. Anders dan belanghebbende heeft aangevoerd, is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter zake van de premievaststelling niet het bevoegde orgaan om de toepasselijke wetgeving te bepalen.

De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof in de uitspraak in rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen. De rechtbank maakt die overweging tot de hare.

E-101 verklaring

4.9.

Belanghebbende stelt dat aan hem een E-101 verklaring is afgegeven waarin staat dat hij sociaal verzekerd is in Luxemburg en dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie van 10 februari 2000, C202/79 (Fitzwilliam Executive Search) een lidstaat de juistheid van deze verklaring niet in twijfel mag trekken. De inspecteur dient deze E-101 verklaring dan ook te volgen. Belanghebbende verwijst dienaangaande tevens naar het door de

E-101 verklaring opgewekte vertrouwen.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan hem afgegeven E-101 verklaring is verstrekt in het kader van het Rijnvarendenverdrag. Voorts is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende zich in het kader van de E-101 verklaring niet kan beroepen op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof in de uitspraak in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 heeft overwogen. De rechtbank maakt die overwegingen tot de hare.

A1-verklaring

4.11

Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat volgens artikel 19, lid 2, van Verordening 987/2009 de A1-verklaring alleen op verzoek van de betrokkene of de werkgever kan worden versterkt en dat daarmee een mogelijkheid om een A1-verklaring te verstrekken op grond van een verzoek van de Belastingdienst niet is gegeven.

4.12.

De rechtbank gaat voorbij aan deze grond. De vraag of de A1-verklaring ten onrechte zou zijn afgegeven kan niet in de onderhavige procedure betreffende een geschil tussen de belastinginspecteur en belanghebbende aan de orde worden gesteld. Een geschil over de A1-verklaring dient tegen de Svb te worden ingesteld. Belanghebbende heeft die procedure ook gestart. Een dergelijk beroep heeft echter geen schorsende werking, zodat in de onderhavige procedure de A1-verklaring jegens eiser vooralsnog rechtens voor juist moet worden gehouden, zowel wat betreft de inhoud ervan als de wijze van totstandkoming.

4.13.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of andere instanties in

Nederland, waaronder de Belastingdienst, gebonden zijn aan de Al-verklaring zoals die met

betrekking tot de onderhavige jaren is afgeven door de Svb.

4.14.

Uit de tekst van artikel 5 van Verordening (EG) 987/2009 en de rechtspraak

daarover ((van het Hof van Justitie EU (vgl. HvJ EU 10 februari 2000, C-2002/97

(Fitzwilliam), HvJ EU 30 maart 2000, nr. C-178/97 (B. Banks e.a.), HvJ EU van 26 januari

2006 C-2/05 (Herbosch Kiere NV)) en van de Hoge Raad (vgl. Hoge Raad 2$ maart 2001,

ECLI:NL:HR:2001:ABO987) volgt dat de ontvangende lidstaat van de Europese Unie

gebonden is aan de verklaring van de andere lidstaat.

4.15.

In deze procedure gaat het echter om de vraag of andere instanties van de lidstaat

van afgifte gebonden zijn aan de verklaring. De rechtbank ziet geen aanleiding de

A1-verklaring in een geval als het onderhavige niet bindend te achten voor de instanties van de lidstaat van afgifte. De Verordening (EG) 987/2009 verzet zich daar niet tegen en het is

onwenselijk dat de betrokkenen (te weten enerzijds de werknemer, maar ook verweerder/de

belastingrechter en anderzijds de SVB/de algemene bestuursrechter) worden belast met twee

procedures over in wezen één en hetzelfde geschil. Ook zou zich dan het gevaar voordoen

dat de twee (rechterlijke) procedures zouden leiden tot verschillende (rechterlijke)

beslissingen inzake hetzelfde geschil.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dan ook dat voor de onderhavige jaren op belanghebbende de Nederlandse sociale wetgeving van toepassing is.

4.17.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de inspecteur in de aanslagen terecht geen vrijstelling van premie volksverzekeringen heeft verleend. Wat overigens nog is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.18.

Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

4.19.

Belanghebbende heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van

10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011: BO5046, BO5080 en BO5087). De rechtbank stelt vast dat partijen het met elkaar eens zijn dat vorenbedoelde termijn met betrekking tot het jaar 2011 respectievelijk 2012, telkens in de bezwaarfase, is overschreden en dat belanghebbende om die reden recht heeft op een bedrag van € 1.000 respectievelijk € 500. Gelet hierop zal de rechtbank de inspecteur veroordelen tot betaling van een vergoeding van immateriële schade aan de zijde van belanghebbende van € 1.500.

5 Proceskosten

4.20.

Nu de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding zal toekennen, komt belanghebbende ook in aanmerking voor de vergoeding van het griffierecht op de voet van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en voor vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb aangezien belanghebbende zich in beroep heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde (vlg. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660).

4.21.

Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 495 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en met een wegingsfactor van 0,5 voor het gewicht van de zaak). Het gewicht van de zaak is gesteld op 0,5 (licht), omdat de proceskostenvergoeding alleen betrekking heeft op het toekennen van een immateriële schadevergoeding

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 1.500.

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 495;

- draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van € 46 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 13 september 2017 door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.