Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5805

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 7573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 5.2 van de Wet IB 2001; forfaitaire rendementsheffing box 3 jaar 2015. Belanghebbende bezit onder andere bank- en spaartegoeden. Belanghebbende voert in de kern aan dat spaarders en beleggers ten onrechte hetzelfde worden behandeld en dat de wetgever voor spaarders een ander systeem had kunnen en moeten kiezen om zijn doelstellingen te behalen.

De rechtbank oordeelt dat de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2015 niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De keuze om spaarders en beleggers gelijk te behandelen in box 3 ligt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft.

Voorts oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een individuele buitensporige zware last bij belanghebbende. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 5.2, geldigheid: 2017-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-10-2017
FutD 2017-2569

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/7573

uitspraak van 6 september 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.086 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.001 (aanslagnummer: [aanslagnummer] .H.56.01; hierna de aanslag).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 augustus 2016 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 20 september 2016, ontvangen bij de rechtbank op 21 september 2016, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

Belanghebbende heeft brieven van 19 oktober 2016 en 2 november 2016 ingediend. De inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017 te Breda. Een overzicht van de verschenen personen en het verhandelde ter zitting is vastgelegd in een proces-verbaal waarvan een afschrift gelijktijdig met een afschrift van deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is getrouwd en woont in het onderhavige jaar samen met haar echtgenoot [de man] .

2.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte IB/PVV (hierna: de aangifte) gedaan. Volgens de aangifte is de samenstelling van de bezittingen en de waarde daarvan op 1 januari 2015 als volgt:
- bank- en spaartegoeden € 145.926

De aangegeven rendementsgrondslag bedraagt ná aftrek van het heffingvrije vermogen € 75.030, dat volledig aan belanghebbende is toegerekend.

Ter zake van de eigen woning van belanghebbende (WOZ-waarde € 204.000) is per saldo geen belastbaar inkomen aangegeven als gevolg van een aftrek wegens geen eigenwoningschuld.

2.3.

De inspecteur heeft de aanslag conform de aangifte opgelegd. De verschuldigde IB over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: de box 3-heffing) bedraagt € 900.

2.4.

Belanghebbende heeft over het jaar 2015 voor een bedrag van € 1.493 aan rentebaten uit bank- en spaartegoeden genoten.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de box 3-heffing geheel of gedeeltelijk achterwege dient te blijven omdat de box 3-regelgeving onrechtmatig is, en of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding. Naar de rechtbank begrijpt is voorts in geschil of ter zake van de uitspraak op bezwaar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag en toekenning van een schadevergoeding. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek om een schadevergoeding.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.0.

De rechtbank stelt voorop dat zij in deze procedure enkel een inhoudelijk oordeel kan geven over de aanslag over het onderhavige jaar. In deze procedure kan daarom niet geoordeeld worden of belanghebbende recht heeft op vermindering van de aanslagen van voorgaande jaren of om schadevergoeding met betrekking tot die jaren. Evenmin kan worden geoordeeld over de voorlopige aanslag over een volgend jaar, zoals ook ter zitting door de rechtbank is aangegeven.

Wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 5.1 van de Wet IB 2001 is belastbaar inkomen uit sparen en beleggen het voordeel uit sparen en beleggen verminderd met de persoonsgebonden aftrek.

4.2.

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt, op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag uit sparen en beleggen voor zover de grondslag sparen en beleggen aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

4.3.

Op grond van artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de rendementsgrondslag de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.

Jurisprudentie

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174 (betreffende het jaar 2010), 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177 (hierna het arrest BNB 2016/177) en 25 november 2016, nr. 16/02255, ECLI:NL:HR:2016:2662 (betreffende het jaar 2011) geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van box 3 (zie 4.1 tot en met 4.3) als zodanig niet in strijd is met artikel 1 EP in de desbetreffende jaren.

In het arrest BNB 2016/177 is onder meer het volgende overwogen:

“2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.

2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan (…) niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.

2.5.1.

De onderhavige procedure betreft de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011. In het zojuist genoemde arrest BNB 2015/174 inzake de heffing van inkomstenbelasting voor het jaar 2010 was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers toen niet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.

2.5.2.

Anders dan het middel betoogt is voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting – in dit geval de woning – structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Het middel dat slechts het negatieve rendement van de woning in aanmerking neemt, faalt derhalve; nog daargelaten dat wegens het eigen gebruik van een woning voor de heffing van inkomstenbelasting de economische huurwaarde van die woning als inkomsten in natura van oudsher tot de belastbare inkomsten uit vermogen wordt gerekend en er geen reden is daarover anders te oordelen ten aanzien van de inkomsten uit sparen en beleggen onder de Wet IB 2001.”

4.5.

Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 11 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:67 (hierna: Rb-uitspraak) op basis van de in die zaak aangevoerde gegevens geoordeeld dat de heffing van 30% over een forfaitair rendement van 4% over (ook) spaartegoeden niet in algemene zin in strijd is met artikel 1 EP in het jaar 2013. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“4.6.2. Belanghebbende bestrijdt in het algemeen dat de box 3-heffing over spaartegoeden uitgaande van een forfaitair rendement van 4% verenigbaar is met artikel 1 EP in het onderhavige jaar. Nu niet in geschil is dat de box 3-heffing in elk geval aanvankelijk wel verenigbaar was met artikel 1 EP, brengt deze algemene stellingname mee dat de rechtbank moet beoordelen of de (belasting)wetgever niet de vereiste ‘fair balance’ in acht heeft genomen door de box 3-regelgeving – waaronder het forfaitaire rendement van 4% – niet aan te passen voor het onderhavige jaar 2013 (of vanaf een eerder jaar). Nu wijzigingen in de belastingwetgeving in de regel tot stand plegen te komen uiterlijk in de loop van het jaar vóór het jaar waarin de wijziging voor het eerst van toepassing wordt, dient deze beoordeling in dit geval plaats te vinden uiterlijk naar de toestand eind 2012. Gelet op het arrest BNB 2016/177 is bij die beoordeling van belang of toen duidelijk moest zijn dat “het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar” was.

4.6.3.

Belanghebbende legt sterk de nadruk op de hoogte van de heffing over spaartegoeden in relatie tot de op spaartegoeden behaalde en te behalen rendementen. De rechtbank is van oordeel dat dit om twee redenen een onjuist perspectief is, in aanmerking genomen dat het hier niet gaat om de vraag of in belanghebbendes specifieke individuele geval sprake is van een buitensporige last maar de vraag aan de orde is of in het algemeen de box 3-heffing over spaartegoeden in strijd is met artikel 1 EP.
Ten eerste wordt bij box 3-heffing niet gedifferentieerd tussen de verschillende vormen van bezittingen: er wordt uitgegaan van één ongedifferentieerd forfaitair rendementspercentage van 4 ongeacht de soort bezittingen van een belastingplichtige. Die keuze van de wetgever – die gebaseerd is op het oogpunt van eenvoud en om belastingontwijking zoveel mogelijk te voorkomen (Kamerstukken II, 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 38) – is niet van redelijke grond ontbloot. Tegen deze achtergrond past het niet om bij de onderhavige beoordeling van de box 3-regelgeving een eenzijdige focus te leggen op één soort bezitting, hier spaartegoeden. Steun hiervoor vindt de rechtbank ook in de eerste zin van rov. 2.5.2 van het arrest BNB 2016/177.
Ten tweede merkt de rechtbank op dat uit de parlementaire behandeling bij de invoering van de box 3-heffing blijkt dat de wetgever bij het forfaitaire rendement van 4% gedacht heeft aan “rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen” (zie rov. 2.4.1.1. van het arrest BNB 2016/177) en dat daarbij is gedacht aan het reële rendement op staatsobligaties als ‘benchmark’ (bijv. Kamerstukken II 1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 8, p. 26). Mede gelet op de frase ‘zouden moeten kunnen behalen’ (vgl. daarnaast ook Kamerstukken II, 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 39: “dat iedereen in staat is om (…) dit rendement zonder risico te kunnen behalen”), duidt dit erop dat de wetgever uitgaat van de veronderstelling dat belastingplichtigen een zekere actieve houding zouden hebben om – zonder daarbij (veel) risico te nemen – rendement te behalen op hun bezittingen, bijvoorbeeld door te beleggen in staatsobligaties. Het hanteren van die veronderstelling is niet van redelijke grond ontbloot, in aanmerking genomen dat een heffingvrij vermogen ook onderdeel van de box 3-systematiek is.

4.6.4.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank voor de beoordeling of voor het onderhavige jaar is komen vast te staan dat “het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is” (rov. 2.4.1.3. van het arrest BNB 2016/177; hierna: het onhaalbaarheidscriterium) niet de te behalen rendementen op (korte-termijn)spaartegoeden maatgevend zijn. Dit betekent dat de informatie die belanghebbende heeft aangedragen over dergelijke rendementen niet kan leiden tot de vaststelling dat aan het onhaalbaarheidscriterium is voldaan voor het onderhavige jaar.

4.6.5.

Belanghebbende heeft met betrekking tot het rendement op staatsobligaties gewezen op gegevens in bronnen voor 2015, het rapport van de commissie Van Dijkhuizen en – bij nader stuk – overzichten van de 10-jaarsrente op staatsobligaties en van rente op spaardeposito’s met een looptijd van 10 jaar. De gegevens met betrekking tot 2015 kunnen belanghebbende niet baten, reeds omdat die gegevens zien op een later jaar ná het onderhavige jaar en de belastingwetgever daarmee dus geen rekening heeft kunnen houden voor het onderhavige jaar. Het rapport van de commissie Van Dijkhuizen helpt belanghebbende evenmin. Dit rapport was immers ook genoemd in de conclusie van A-G Niessen voorafgaande aan het arrest BNB 2016/177, zodat dat rapport geen aanleiding is om voor het onderhavige jaar tot een ander oordeel te komen dan de Hoge Raad in het voornoemde arrest voor het jaar 2011. Uit het overgelegde overzicht van de 10-jaarsrente op Nederlandse staatsobligaties blijkt dat die rente vanaf oktober 2008 blijvend (tot op heden) lager is geweest dan 4% en vanaf juni 2011 blijvend (tot op heden) lager is dan 3%, terwijl uit het overzicht van de rente op langetermijnspaardeposito’s blijkt dat de gemiddelde rente vanaf omstreeks het begin van het jaar 2012 blijvend lager is dan 4%. Deze gegevens zijn onvoldoende om te kunnen oordelen dat voor het onderhavige jaar geldt dat vastgesteld kan worden dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dit laatste niet voor het jaar 2011 is komen vast te staan (zie 4.5) en dat de rente in de jaren daarna tot het onderhavige jaar niet zodanig veel lager is dat er voldoende grond is om voor het onderhavige jaar tot een ander oordeel te komen.
4.6.6. Bij het voorgaande verdient bovendien opmerking dat bij de beoordeling of de box 3-heffing over spaartegoeden in algemene zin in strijd is met artikel 1 EP in het onderhavige jaar, niet alleen de afwegingen en veronderstellingen moeten worden betrokken van de wetgever bij de invoering van de box 3-heffing in 2001. Ook dient, gelet op de verhouding tussen de rechter en de wetgever en de in dat kader aan de belastingwetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid, in ogenschouw te worden genomen de (kennelijke) keuze(s) van de wetgever om de box 3-heffing tot voor kort niet aan te passen hoewel bijvoorbeeld de (reële) rente op Nederlandse staatsobligaties vanaf een bepaald moment lager werd dan 4%. Dat de belastingwetgever in de eerste jaren na dat moment de box 3-heffing niet heeft aangepast (zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32504, nr. 6, p. 51-52), valt binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid, nu immers het percentage van 4 is gebaseerd op een lange-termijnveronderstelling en niet op een korte-termijnveronderstelling. Vervolgens is de vraag wanneer van de wetgever ingrijpen mag worden verwacht (vgl. slotzin van rov. 2.4.1.3 van het arrest BNB 2016/177). Indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat met betrekking tot het onderhavige jaar 2014 er voor het eerst wel sprake van zou zijn geweest dat de in rov. 2.4.1.3 van het arrest BNB 2016/177 bedoelde onhaalbaarheid van het rendement van 4% duidelijk zou zijn geworden, dan valt het naar het oordeel van de rechtbank binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever dat de wetgever niet onmiddellijk voor dat jaar tot wijziging van de box 3-heffing is overgegaan.”.

Argumenten belanghebbende

4.6.

Belanghebbende heeft samengevat de volgende argumenten aangevoerd voor zijn stelling dat de box 3-heffing is gebaseerd op onrechtmatige wetgeving:

- de wetgever had niet vanaf 1 januari 2001 (invoering van de Wet IB 2001) sparen en beleggen gelijk mogen behandelen. Voor spaarders had een regime op basis van het werkelijk rendement ingevoerd moeten worden en voor beleggers een ander regime;

- de gelijkstelling tussen sparen en beleggen is niet nodig om de door de wetgever geformuleerde doelen te bereiken;

- de door de wetgever geformuleerde doelen worden niet bereikt met box 3;

- met sparen kan al jarenlang het forfaitaire rendement niet worden behaald;

- een heffing over een fictief bedrag is niet toelaatbaar;

- beleggers worden beter behandeld dan spaarders;

- er is geen vrije beschikkingsmacht over spaargeld omdat gekozen moet worden tussen een drietal opties; spaargeld moet óf worden vastgezet, óf worden belegd, óf worden besteed aan het betalen van box 3-heffing;

- er is geen wettelijke grondslag voor een verplichting om te beleggen.

4.7.

Gelet op deze argumenten verdient allereerst het volgende opmerking in verband met de mogelijkheden van de rechter om wetgeving inhoudelijk te beoordelen. In de staatsrechtelijke verhoudingen in een democratische rechtsstaat zoals Nederland geldt als uitgangspunt dat de rechter de door de wetgever tot stand gebrachte wetgeving respecteert en dus niet oordeelt of het anders of beter had gekund. Dit staatsrechtelijke uitgangspunt komt ook tot uitdrukking in artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, waarin is voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. De ouderdom van deze wet brengt – anders dan belanghebbende betoogt – niet mee dat deze buiten toepassing kan worden gelaten.

Maar ook zonder dit artikel zou voormeld staatsrechtelijke uitgangspunt gelden. Bijzonder aan de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen is dat de rechter een wet in formele zin – zoals de Wet IB 2001 – niet aan de Grondwet (en in het verlengde daarvan evenmin aan algemene ongeschreven rechtsbeginselen) mag toetsen (artikel 120 Grondwet). Wel mag de rechter een wet buiten toepassing laten indien de toepassing zou leiden tot strijd met eenieder verbindende verdragsbepaling (artikel 94 van de Grondwet).

4.8.

Tegen deze achtergrond zal de rechtbank – zoals aan belanghebbende ter zitting voorgehouden – zijn argumenten in de beoordeling betrekken in het kader van de vraag of sprake is van schending van het door het EVRM gewaarborgde discriminatieverbod (artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP)). De eerste vraag die in dat kader moet worden beantwoord is of de box 3-regelgeving als zodanig, gelet op haar vormgeving en het tarief, in strijd is met deze EVRM-rechten.

Box 3-systeem als zodanig in strijd met artikel 1 EP of 14 EVRM?

4.9.

Belanghebbende voert in de kern aan dat spaarders en beleggers ten onrechte hetzelfde worden behandeld en dat de wetgever voor spaarders een ander systeem had kunnen en moeten kiezen om zijn doelstellingen te behalen.

De wetgever heeft bij de vormgeving van de box 3-heffing gekozen voor een ‘robuust’ systeem waarbij alle bezittingen van een belastingplichtige, voor zover niet begrepen in box 1 of 2, die in economische zin rendement kunnen opleveren onder de reikwijdte van het forfaitaire rendement vallen. Daarbij is uitgegaan van één ongedifferentieerd forfaitair rendementspercentage van 4 ongeacht de soort bezittingen van een belastingplichtige. Die keuze van de wetgever – vanuit het oogpunt van eenvoud en om belastingontwijking zoveel mogelijk te voorkomen (Kamerstukken II, 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 38) – is niet van redelijke grond ontbloot. De keuze om spaarders en beleggers gelijk te behandelen in box 3 ligt dus binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft. Het gelijkheidsbeginsel van artikel 14 EVRM is daarom niet geschonden. Dat de wetgever andere keuzes had kunnen maken – die volgens belanghebbende redelijker zijn –, maakt dat niet anders. Voor de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden gaat het er niet om of gelet op de doelstellingen een andere keuze beter was geweest. Het gaat er slechts om of de wel gemaakte keuze al dan niet binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt.

4.10.

Het pijnpunt van de box 3-regelgeving zit sinds enige jaren vooral in de hoogte van het forfaitaire rendement. Het is namelijk aannemelijk dat een spaarder over een reeks van jaren bezien geen rendement van 4% op zijn spaargeld meer heeft kunnen behalen (vergelijk Hof ’s-Hertogenbosch 2 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2511, rov. 4.6, in een geschil over het jaar 2013 (hierna: Hof-uitspraak)).

4.11.

Het rendement op spaargeld is echter niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of de box 3-heffing op regelgevingsniveau in strijd is met artikel 1 EP (zie ook Rb-uitspraak, rov 4.6.4). Voor de beoordeling of voor een bepaald jaar is komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is, moet namelijk worden gekeken naar het gemiddelde rendement over een langere periode van beleggingen waarbij de belastingplichtige geen of niet veel risico hoeft te nemen. Er moet daarom worden gekeken naar het gemiddelde rendement over een langere periode ten aanzien van een mix van spaarrekeningen, termijndeposito’s en staatsobligaties (zie Hof-uitspraak, rov. 4.4).

Anders dan waarvan belanghebbende uitgaat, betekent dit laatste niet dat er een verplichting is om te beleggen. Daarmee ontvalt ook de basis aan de klacht van belanghebbende dat er geen wettelijke grondslag is voor de verplichting om te beleggen en aan de klacht over het ontbreken van vrije beschikkingsmacht.

4.12.

Het ligt op de weg van belanghebbende – nu zij zich op onrechtmatigheid van de box 3-regelgeving beroept – om de gegevens aan te dragen op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat voor 2015 geldt dat vastgesteld kan worden dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is. Nu belanghebbende alleen naar het rendement op spaartegoeden heeft gewezen, ziet de rechtbank (in deze zaak) voor het jaar 2015 geen aanleiding om anders te oordelen dan in de hiervoor genoemde Rb-uitspraak met betrekking tot het jaar 2014. Nu niet is komen vast te staan dat het voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is, is er geen grond om te oordelen dat de box 3-heffing in het jaar 2015 op regelgevingsniveau in strijd is met artikel 1 EP. Daarbij verdient bovendien opmerking dat de wetgever enige tijd moet worden gegund om – al dan niet – de wettelijke regeling aan te passen, mede in het licht van de maatschappelijke en politieke discussie over de gewenste aanpassing (vgl. Hof-uitspraak, rov. 4.4).

Individuele buitensporige last?

4.13.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een individuele buitensporige last is beslissend of de last zich in belanghebbendes geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle met de box 3-heffing geconfronteerde belastingplichtigen geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor hem teweegbrengen (vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:441 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:964). De bewijslast dat in het onderhavige jaar sprake is van een individuele buitensporige last rust op belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in die bewijslast geslaagd. De box 3-heffing bedraagt € 900; de door belanghebbende genoten rentebaten bedragen in het onderhavige jaar € 1.493. Reeds gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een individuele buitensporige last.

4.14.

Gelet op het voorgaande kan de onrechtvaardigheid die belanghebbende – begrijpelijkerwijs – ervaart doordat het fictieve rendement meer bedraagt dan het met spaargeld behaalde rendement niet met vermindering van het vastgestelde box 3-inkomen worden weggenomen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.15.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De uitspraak op bezwaar is voldoende gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in voldoende mate ingaat op de bezwaren van belanghebbende. Hierbij heeft de inspecteur bepaalde bezwaren mogen samenvatten of (enigszins) herstructureren. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat de inspecteur in strijd heeft gehandeld met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Conclusie

4.16.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Schadevergoeding

4.17.

Belanghebbende heeft verzocht om schadevergoeding. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, kan een schadevergoeding op de voet van – het hier op grond van overgangsrecht toepasselijke – artikel 8:73 van de Awb niet aan de orde komen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 21 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV1517). De rechtbank merkt overigens op dat het verzoek om schadevergoeding ziet op het bedrag aan box 3-heffing dat volgens belanghebbende te veel geheven is op grond van onrechtmatige wetgeving. De gestelde schade betreft dus een belastingbedrag. Hiervóór is (echter) al geoordeeld dat geen sprake is van een op onrechtmatige wetgeving gebaseerde onrechtmatige aanslag.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2017 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.