Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5802

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
AWB 17_725
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat sinds de wijziging van de WHW per 1 september 2004 universiteiten hbo-opleidingen mogen aanbieden en hogescholen wo-opleidingen mogen aanbieden. Uit de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever er voor heeft gekozen om de systematiek van onderwijsbekostiging aan te passen en de systematiek van de onderzoeks¬bekos¬tiging ongewijzigd te laten. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de volgende zin in de memorie van toelichting “Ook zal als gevolg van dit wetsvoorstel geen wijziging plaatsvinden ten aanzien van de bestaande onderzoeksfinanciering gerelateerd aan het onderwijs zoals thans plaatsvindt bij de universiteiten.” Dit betekent dat hogescholen die opleidingen wo aanbieden voor de deelnemers onderwijsbekostiging krijgen, maar geen onderzoeksbekostiging. De onderzoeksbekostiging dienen de hogescholen uit hun totale rijksbijdrage te betalen. Voor universiteiten die hbo-opleidingen aanbieden geldt dat zij voor de deelnemers wel onderwijsbekostiging ontvangen, maar geen bekostiging voor ontwerp en ontwikkeling hbo.

De minister heeft de NHTV overeenkomstig de keuze van de wetgever niet in aanmerking gebracht voor bekostiging van het onderzoeksdeel wo. De gronden van de NHTV dat de weigering om hem in aanmerking te brengen voor de bekostiging van het onderzoeksdeel wo in strijd is met de wet of het Uitvoeringsbesluit slagen niet. De rechtbank acht het bestreden besluit niet strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/725 WET

uitspraak van 5 september 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

het college van bestuur van de Stichting NHTV internationale hogeschool Breda (NHTV), te Breda, eiseres,

gemachtigde: ir. N.G.M. van Os,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

De NHTV heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 29 december 2016 (bestreden besluit) inzake de rijksbijdrage hoger onderwijs 2016, de rijksbijdrage prestatiebekostiging hoger onderwijs 2016 en de rijksbijdrage prestatiebekostiging hoger onderwijs 2017.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 26 juni 2017. De NHTV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.M.C.M. van Oorschot, mr. N. van der Ven,

[naam vertegenwoordiger] en ir. N.G.M. van Os. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D.W. Mulder.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De NHTV is een hogeschool waar hoger beroepsonderwijs (hbo) wordt aangeboden. Daarnaast biedt de NHTV drie opleidingen in wetenschappelijk onderwijs (wo) aan, te weten de bacheloropleidingen Tourism en Vrijetijdswetenschappen én de masteropleiding Leisure Studies.

Bij besluit van 20 juli 2016 (primair besluit I) heeft de minister de rijksbijdrage hoger onderwijs 2016 en de rijksbijdrage prestatiebekostiging hoger onderwijs 2016 van de NHTV vastgesteld op respectievelijk € 40.743.242,00 en € 3.760.856,00.

Bij besluit van 20 oktober 2016 (primair besluit II) is de rijksbijdrage prestatiebekostiging hoger onderwijs 2017 van de NHTV vastgesteld op € 2.467.746,00.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van de NHTV tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

2. Beroepsgronden

De NHTV voert in beroep aan dat hogescholen voor het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs (wo) geen (flexibele) onderzoeksbekostiging ontvangen, terwijl het geven van dat onderwijs door de wet en de minister is goedgekeurd. De andere aanbieders van wetenschappelijk onderwijs, de universiteiten, ontvangen de onderzoeksbekostiging wel. Hierdoor worden hogescholen benadeeld. Dit is volgens de NHTV in strijd met de bekostigingsvoorschriften in de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: WHW) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (hierna: Uitvoeringsbesluit). De NHTV wijst hierbij op artikel 2.6, eerste lid, van de WHW. Uit deze bepaling volgt dat de bekostigingsmaatstaven betrekking dienen te hebben op de aard en omvang van de werkzaamheden en de uitvoering daarvan. De aard van het onderwijs betreft het verzorgen van opleidingen wo. De universiteiten én de hbo-instellingen, die deze opleidingen wo verzorgen, moeten hiervoor (gelijk) worden bekostigd. Verder wijst de NHTV op artikel 2.6, vijfde lid, van de WHW. Deze bepaling geeft de bevoegdheid om de onderzoeksbekostiging voor de door hbo verzorgde opleidingen wo aan te passen met als doelstelling kwaliteitsverbetering. De minister zou gebruik moeten maken van deze bevoegdheid omdat de door de NHTV verzorgde opleidingen wo bijdragen aan kwaliteitsverbetering van het hoger onderwijs. Tevens wijst de NHTV op artikel 4.2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit waarin staat dat het onderzoeksdeel wo (…) wordt verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs verzorgen. Dat kunnen sedert de wetswijziging van 1 september 2004 ook hbo-instellingen zijn. Op grond van afdeling 3, paragraaf 1, van het Uitvoeringsbesluit wordt een onderzoeksdeel wo weliswaar toegekend aan universiteiten maar er is geen exclusief voorbehoud, zoals de minister stelt.

Voorts is de NHTV van mening dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is. De minister behandelt de door de NHTV aangeboden opleidingen enerzijds als wo, vanwege (1) de geldende accreditatievereisten en accreditatieprocedure, (2) de onderwijsbekostiging wo voor de bachelors en master en (3) het niet verstrekken van reguliere hbo-onderwijsbekostiging. Anderzijds behandelt de minister de aangeboden opleidingen als niet-wo omdat er geen bekostiging van het onderzoeksdeel wo plaatsvindt.

Daarnaast is er volgens de NHTV sprake van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er is strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat de NHTV erop mocht vertrouwen dat zodra de opleidingen wo een feit zouden zijn, de bekostiging op gelijke voet zou worden gebracht met de bekostiging van de opleidingen wo van universiteiten. Voorts is er strijd met het gelijkheidsbeginsel. Onafhankelijk van de instelling waar deze wordt genoten, voldoen de opleidingen wo aan dezelfde, eenduidige accreditatiecriteria. Daarom dient het gelijkheidsbeginsel ook te gelden in relatie tot de bekostiging van de opleidingen-wo. Als motieven om de onderzoeksbekostiging ongewijzigd te laten, werd in de memorie van toelichting aangevoerd dat accreditatie van opleidingen wo door instellingen pas over enkele jaren werd verwacht en dat het een klein aantal zou betreffen. De NHTV kan deze overwegingen niet anders interpreteren dan dat de wetgever zich van de verschillende behandeling bewust is geweest, maar omdat er weinig van werd verwacht, het voorlopig zo heeft gelaten, suggererende dat dit zou worden aangepast. Daarvan komt het blijkbaar niet. Dergelijke subjectieve beleidsoverwegingen kunnen uiteraard niet dienen ter onderbouwing ter objectieve rechtvaardiging van de bedoelde ongelijke behandeling. Tevens stelt de NHTV dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit verzuimd is een belangenafweging te maken. Er is sprake van strijd met het verbod van willekeur omdat de NHTV geen onderzoeksbekostiging voor de opleidingen wo ontvangt en universiteiten wel. Verder is volgens de NHTV de motivering van het bestreden besluit niet adequaat, omdat de onderzoeksbekostiging ten onrechte is voorbehouden aan universiteiten en de minister ten onrechte uitgaat van een wettelijke grondslag voor onderscheiden bekostiging van wettelijke- en kerntaken. Ten slotte verzoekt de NHTV om vergoeding van de geleden schade.

3. Wettelijk kader

De rechtbank acht de volgende bepalingen in de WHW en het Uitvoeringsbesluit van belang.

Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, van de WHW zijn universiteiten gericht op het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek.

Ingevolge artikel 1.3, derde lid, van de WHW zijn hogescholen gericht op het verzorgen van hoger beroepsonderwijs. Zij verrichten ontwerp- en ontwikkelactiviteiten of onderzoek gericht op de beroepspraktijk.

In artikel 1.8, eerste lid, van de WHW is bepaald dat de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs de instellingen, opgenomen in de bijlage van deze wet onder a tot en met i, zijn.

In de bijlage behorende bij de WHW is onder g de NHTV Internationale Hogeschool genoemd als bijzondere Hogeschool.

In artikel 1.9, eerste lid, van de WHW is bepaald dat ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs en, voorzover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek de in de bijlage van deze wet onder a, c, h en j opgenomen instellingen (…) aanspraak hebben op bekostiging uit ’s Rijks kas (…). Voor de toepassing van dit lid worden de ontwerp- en ontwikkelactiviteiten en onderzoek gericht op de beroepspraktijk, aan hogescholen gerekend tot het daarop betrekking hebbende onderwijs.

In artikel 2.5, eerste lid, van de WHW is bepaald dat de rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt berekend op de grondslag van een algemene berekeningswijze.

In artikel 2.6, eerste lid, van de WHW is bepaald dat de in artikel 2.5, eerste lid, bedoelde algemene berekeningswijze bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. De algemene berekeningswijze bevat voor alle instellingen of voor groepen van instellingen gelijkelijk geldende maatstaven. Deze maatstaven hebben betrekking op de aard en omvang van de werkzaamheden en op de uitvoering daarvan.

In het vijfde lid is bepaald dat met het oog op de bevordering van de kwaliteit van het hoger onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek Onze minister in afwijking van de algemene berekeningswijze, bedoeld in het eerste lid, aan de rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, een bedrag kan toevoegen in verband met de door een instelling in het vooruitzicht gestelde of gerealiseerde kwaliteit van het hoger onderwijs of het wetenschappelijk onderzoek.

In artikel 4.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap jaarlijks (…) de omvang vaststelt van de landelijk beschikbare rijksbijdrage voor de instellingen die onderwijs verzorgen of onderzoek verrichten op een ander gebied dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, en de omvang van de delen daarvan.

In artikel 4.1, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de landelijk beschikbare rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit:

a. een onderwijsdeel wo,

b. een onderwijsdeel hbo,

c. een onderzoekdeel wo,

d. een deel ontwerp en ontwikkeling hbo, en

e. een deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek.

In artikel 4.2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onderdeel c, (…) wordt verdeeld over de instellingen die opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs op andere gebieden dan het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving of bij ministeriële regeling aan te wijzen sectoroverstijgende opleidingen verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op het onderwijsdeel wo, bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, onderdeel c.

In artikel 4.20, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat een door Onze minister te bepalen deel van het onderzoekdeel wo over de universiteiten wordt verdeeld naar rato van de som van de aantallen bekostigde graden per opleiding, bedoeld in artikel 4.9, die in de peilperiode door een universiteit zijn verleend.

In artikel 4.21, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat uit het onderzoekdeel wo een universiteit een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag ontvangt voor ieder proefschrift dat in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar heeft geleid tot een promotie (…).

In artikel 4.23, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat bij ministeriële regeling bedragen worden vastgesteld, die uit het onderzoekdeel wo aan universiteiten worden toegekend in verband met toponderzoekscholen en bijzondere voorzieningen.

In artikel 4.23, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is bepaald dat de verdeling van het deel van het onderzoekdeel wo dat na toepassing van de artikelen 4.20 en 4.21 en het eerste lid resteert, onverminderd artikel 4.5, over de universiteiten, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d ten 1°, bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

4. Wetsgeschiedenis

De rechtbank acht verder de volgende passages in de wetsgeschiedenis van belang. In de memorie van toelichting (TK 2001-2002, 28024, nr. 3, blz. 31) staat:

“Op termijn zal bezien moeten worden wat de consequenties zijn van het voorstel dat de aard van de opleidingen bepaalt of het gaat om een wo dan wel hbo-opleiding, niet of de opleidende instelling een universiteit dan wel hogeschool is. Ik verwacht dat dit voorstel slechts voor een klein aantal opleidingen consequenties zal hebben, aangezien een en ander niet hoort tot de kerntaak van respectievelijk de universiteit of hogeschool.

Accreditatie als wo- of hbo-opleiding is pas over enkele jaren mogelijk. In ieder geval is het uitgangspunt bij de invoering dat het financiële macrokader voor wo en hbo door dit voorstel thans niet wijzigt. Ook zal als gevolg van dit wetsvoorstel geen wijziging plaatsvinden ten aanzien van de bestaande onderzoeksfinanciering gerelateerd aan het onderwijs zoals thans plaatsvindt bij de universiteiten. Uiteraard zullen de bovengenoemde

verkenningen kunnen aangeven of de betreffende macrobudgetten van de universiteiten en hogescholen nog worden aangepast.”

Verder staat in de memorie van toelichting (TK 2001-2002, 28024, nr. 3, blz. 48-49) het volgende:

Artikel III. Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

A (artikel 1.3)

In de notitie «Naar een open hoger onderwijs» is onder meer aangegeven dat erkenning van bachelor- en masteropleidingen geschiedt op basis van inhoudelijke en kwalitatieve overwegingen in plaats van op basis van formele kenmerken zoals de studielast van de opleidingen of de herkomst van de instellingen. Op langere termijn zullen bestaande institutionele grenzen dan ook aan betekenis inboeten. Als voorwaarde voor een meer

open stelsel geldt een goed functionerend systeem van accreditatie. In het verlengde van de invoering van een systeem van accreditatie zal de universiteiten en hogescholen de mogelijkheid worden geboden onderscheidenlijk opleidingen in het hoger beroepsonderwijs en opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs te gaan verzorgen. Hiertoe dient onder

meer artikel 1.3 te worden aangepast.

Voorgesteld wordt om in de tekst van het artikel niet meer uitsluitend bepaalde taken van de universiteiten en de hogescholen te omschrijven. In plaats daarvan wordt nu aangegeven dat een universiteit of een hogeschool op bepaalde activiteiten gericht is. Met de nieuwe tekst wordt beoogd het werkterrein van de universiteiten en de hogescholen te verruimen. Sinds de totstandkoming van de WHW wordt met de redactie van artikel 1.3 beoogd te bereiken dat een instelling zich ofwel tot het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het verrichten van wetenschappelijk onderzoek ofwel tot het verzorgen van hoger beroepsonderwijs dient te beperken. Een instelling kan zich tot nu toe niet – de Open

Universiteit daargelaten; zie artikel 1.3, derde lid – op beide terreinen bewegen. De aan de voorgestelde redactie verbonden verruiming is op zijn beurt niet bedoeld als een belangrijke wijziging van het werkterrein van de universiteit of hogeschool. Dat blijft immers gericht op een bepaald veld. Echter de universiteit en de hogeschool zijn beide, zoals uit de begripsbepalingen in artikel 1.1 blijkt, instellingen voor hoger onderwijs. Daarmee wordt de «buitengrens» voor de activiteiten van beide soorten instellingen aangegeven. Door de voorgestelde verruiming wordt het in de toekomst mogelijk dat universiteiten ook bepaalde opleidingen uit het hoger beroepsonderwijs verzorgen en hogescholen zich enigszins op het terrein van het wetenschappelijk onderwijs en het daarmee verbonden wetenschappelijk onderzoek begeven. De maatvoering is hier evenwel belangrijk: de nieuwe redactie laat er geen twijfel over bestaan waaruit de «core business» van de onderscheiden instellingen dient te bestaan. De tot nu toe bestaande waterscheiding zal in het wetsvoorstel

evenwel tot het verleden behoren voor de instellingen die dit wensen.”

5. Beoordeling

5.1

De rechtbank overweegt dat sinds de wijziging van de WHW per 1 september 2004 universiteiten hbo-opleidingen mogen aanbieden en hogescholen wo-opleidingen mogen aanbieden. Uit de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever er voor heeft gekozen om de systematiek van onderwijsbekostiging aan te passen en de systematiek van de onderzoeksbekostiging ongewijzigd te laten. De rechtbank wijst hierbij in het bijzonder op de volgende zin in de memorie van toelichting “Ook zal als gevolg van dit wetsvoorstel geen wijziging plaatsvinden ten aanzien van de bestaande onderzoeksfinanciering gerelateerd aan het onderwijs zoals thans plaatsvindt bij de universiteiten.” Dit betekent dat hogescholen die opleidingen wo aanbieden voor de deelnemers onderwijsbekostiging krijgen, maar geen onderzoeksbekostiging. De onderzoeksbekostiging dienen de hogescholen uit hun totale rijksbijdrage te betalen. Voor universiteiten die hbo-opleidingen aanbieden geldt dat zij voor de deelnemers wel onderwijsbekostiging ontvangen, maar geen bekostiging voor ontwerp en ontwikkeling hbo.

De keuze van de wetgever om de bekostiging voor het onderzoeksdeel wo voor te behouden aan universiteiten is neergelegd in artikel 1.9, eerste lid, van de WHW. Dit blijkt uit de zinsnede “voor zover het universiteiten betreft, mede ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk onderzoek”. De NHTV Internationale Hogeschool is in de bijlage behorende bij de WHW onder g aangewezen als bijzondere hogeschool. De NHTV valt derhalve niet onder de instellingen die aanspraak kunnen maken op bekostiging van het onderzoeksdeel wo. Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van de WHW wordt de rijksbijdrage waarop de in artikel 1.9, eerste lid, van de WHW aanspraak betrekking heeft, berekend op grondslag van een algemene berekeningswijze. Deze algemene berekeningswijze wordt ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van de WHW bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit) vastgesteld. De rechtbank overweegt dat artikel 2.6, eerste lid, van de WHW verwijst naar artikel 2.5, eerste lid, van de WHW en dat die bepaling weer uitdrukkelijk verwijst naar artikel 1.9, eerste lid, van de WHW. De daarin neergelegde keuze om de bekostiging van het onderzoeksdeel wo enkel voor te behouden aan universiteiten wordt derhalve als uitgangspunt gehanteerd. Anders dan de NHTV ziet de rechtbank in de tekst van artikel 2.6, eerste lid, van de WHW geen ruimte om van dit uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank ziet voorts, anders dan de NHTV stelt, in artikel 2.6, vijfde lid, van de WHW evenmin reden voor doorbreking van de keuze van de wetgever om de bekostiging voor het onderzoeksdeel wo voor te behouden aan universiteiten. Uit die bepaling volgt dat de minister ter bevordering van de kwaliteit van het hoger onderwijs of wetenschappelijk onderzoek een bedrag kan toevoegen in verband met de door de instelling in het vooruitzicht gestelde of gerealiseerde kwaliteit. Al omdat gesproken wordt over “toevoegen”, en het daarmee een aanvulling op een toegekende bekostiging betreft met als uitdrukkelijke doel de bevordering van de kwaliteit, past het naar het oordeel van de rechtbank niet om alsnog de bekostiging van het onderzoeksdeel wo voor hogescholen mogelijk te maken.

Ook uit het Uitvoeringsbesluit, verwezen wordt naar de artikelen 4.20 tot en met 4.23, volgt onmiskenbaar het uitgangspunt dat het onderzoeksdeel wo over de universiteiten wordt verdeeld. Uit het voorgaande volgt eveneens dat de rechtbank de NHTV niet kan volgen in het standpunt dat het Uitvoeringsbesluit wegens strijd met de WHW buiten toepassing moet blijven.

Het feit dat de NHTV om in aanmerking te komen voor de onderwijsbekostiging wo moest voldoen aan de accreditatievereisten en een accreditatieprocedure moest doorlopen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat hij ook in aanmerking dient te komen voor de bekostiging van het onderzoeksdeel wo. De minister heeft de NHTV overeenkomstig de keuze van de wetgever niet in aanmerking gebracht voor bekostiging van het onderzoeksdeel wo. De gronden van de NHTV dat de weigering om hem in aanmerking te brengen voor de bekostiging van het onderzoeksdeel ow in strijd is met de wet of het Uitvoeringsbesluit slagen derhalve niet.

5.2

De NHTV heeft voorts aangevoerd dat het besluit strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De rechtbank kan de NHTV niet volgen in zijn standpunt dat er strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daarbij dat uit het systeem van de wet en de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk blijkt dat wo-onderzoeksbekostiging is voorbehouden aan universiteiten. In overeenstemming met de wet heeft de minister de NHTV niet in aanmerking gebracht voor bekostiging van het onderzoeksdeel wo. De rechtbank is verder niet gebleken van enige toezegging van de wetgever of de minister waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de NHTV erop mocht vertrouwen dat hij in aanmerking zou komen voor bekostiging van het onderzoeksdeel wo. De memorie van toelichting, waarnaar de NHTV heeft verwezen, biedt hiervoor onvoldoende concrete aanwijzingen. Er staat enkel dat op termijn zal moeten worden bezien wat de consequenties zijn van het voorstel dat de aard van de opleidingen bepaalt of het gaat om een wo dan wel hbo-opleiding, niet of de opleidende instelling een universiteit dan wel hogeschool is.

De NHTV kan verder evenmin gevolgd worden in zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dat het verrichten van wetenschappelijk onderzoek sinds de wijziging van de WHW per september 2004 niet alleen op universiteiten maar ook op hogescholen kan geschieden, maakt niet dat bekostiging ervan voor hogescholen en universiteiten op gelijke wijze moet geschieden. Hbo-instellingen die wo-opleidingen aanbieden en universiteiten behoren tot verschillende groepen instellingen waarvoor andere maatstaven gelden. De rechtbank merkt daarbij op dat universiteiten geacht worden om naast het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs wetenschappelijk onderzoek te verrichten (vide artikel 1.3, eerste lid, van de WHW). Hogescholen worden geacht om naast het verzorgen van hoger beroepsonderwijs ontwerp- of ontwikkelactiviteiten te verrichten of onderzoek te doen gericht op de beroepspraktijk (vide artikel 1.3, derde lid, van de WHW). In tegenstelling tot hogescholen ligt er voor universiteiten dus een verplichting om wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Nu de uitgangssituatie van hogescholen en universiteiten verschillend is, kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel al daarom niet slagen.

Dat de bekostiging van het onderzoeksdeel wo (waarvoor alleen universiteiten in aanmerking komen) en het deel ontwerp en ontwikkeling (waarvoor alleen hogescholen in aanmerking komen) niet gelijk is, maakt niet dat er sprake is van willekeur. De minister hanteert immers het in de WHW neergelegde onderscheid in bekostiging van hogescholen en universiteiten gelijkelijk voor alle hogescholen en universiteiten.

De rechtbank ziet in hetgeen de NHTV (verder) heeft aangevoerd geen reden om het bestreden besluit onjuist te achten.

6. Het beroep van de NHTV zal derhalve ongegrond worden verklaard. Al omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van de NHTV om schadevergoeding af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, voorzitter, en mr. V.E.H.G. Visser en mr. M.G.J. Maas-Cooymans, leden, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.