Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5733

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
18-12-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 28
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak wordt gepubliceerd op verzoek. De rechtbank had de uitspraak niet voor publicatie geselecteerd. Om die reden is er geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 17/28

uitspraak van 7 september 2017

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 28 november 2016 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem in rekening gebrachte leges van 20 mei 2016 ([aanslagnummer]), van € 533,16, ter zake van de aanvraag van een omgevingsvergunning.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2017 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift met een afschrift van het proces-verbaal van deze uitspraak wordt meegezonden.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een serre achter zijn woning, gelegen aan het [adres] te Tilburg. Ter zake daarvan is het bovenvermeld bedrag aan leges geheven. De berekening van dit bedrag is niet in geschil. Alleen is in geschil of de verordening die de grondslag vormt voor het in rekening brengen van de leges – te weten de Verordening op de heffing en invordering van leges 2016-I (hierna: de Verordening) – verbindend is. Volgens belanghebbende is de zogenoemde opbrengstlimiet overschreden.

2.2.

Op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Op grond van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden de tarieven voor de hiervoor genoemde rechten zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van die rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake.

2.3.

Belanghebbende stelt dat niet is gebleken dat de opbrengstlimiet niet is overschreden, dat geen inzicht wordt gegeven in de totstandkoming van de legestarieven en dat niet duidelijk is waarom en welke kosten worden toegerekend. De heffingsambtenaar heeft niet onderbouwd hoe de toegerekende kosten met de aanvraag van belanghebbende samenhangen. In laatstgenoemd verband wijst belanghebbende op de posten “mediaregisseur”, “bouwplanoverleg advisering”, “bouwplanoverleg deelname”, “initiatieven nog toe te delen”, “beleidsmedewerker” en “afwerken bezwaren (jur)”. Verder is onduidelijk in hoeverre kosten met betrekking tot toezicht, handhaving, BIBOB-advisering, beleidsmatige aspecten en juridische advisering zin toegerekend en – indien dit het geval is – in welke mate. Tot slot is ten aanzien van de geschatte baten onduidelijk welke baten in de jaren 2010 tot en met 2014 zijn gerealiseerd met het bouwen en waarom voor de onderdelen “Drank en Horeca” en “Evenementen” meer is begroot dan in de jaren 2010 tot en met 2014 is gerealiseerd, aldus nog steeds belanghebbende.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft een overzicht overgelegd van de geraamde baten en lasten voor 2016 van de gemeente Tilburg (hierna: het overzicht).

2.5.

In het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, BNB 2014/148 (hierna: het arrest BNB 2014/148), is onder meer geoordeeld:

“3.3.2. Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen hetgeen is overwogen in de onderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.5 van het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, BNB 2009/159 (hierna: het arrest BNB 2009/159). Met hetgeen aldaar is overwogen omtrent de stelplicht van de heffingsambtenaar, heeft de Hoge Raad rekening willen houden met de omstandigheid dat de belanghebbende in de regel geen toegang heeft tot de gegevens die hij nodig heeft om voldoende gemotiveerd feiten te stellen die meebrengen dat de opbrengstlimiet is overschreden. Dit laat onverlet, zoals in de zojuist genoemde overwegingen ook is benadrukt, dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust.

3.3.3.

De vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet berust op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. Daaruit vloeit noodzakelijk voort dat bij die vaststelling van tarieven niet ten aanzien van alle posten zekerheid of een volledig inzicht kan bestaan. In het kader van een geschil omtrent de naleving van artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd (vgl. HR 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951, BNB 2005/112, en HR 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236, BNB 2010/226).

3.3.4.

In die gevallen waarin de belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde heeft gesteld en de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.

3.3.5.

Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de hiervoor in 3.3.4 bedoelde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De zinsnede in onderdeel 3.2.3 van het arrest BNB 2009/159 ‘teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen’, houdt derhalve niet in dat de heffingsambtenaar moet bewijzen dat die twijfel ongegrond is.

3.3.6.

Voorts zij eraan herinnerd dat tot de ‘lasten ter zake’ niet alleen posten behoren die rechtstreeks samenhangen met de verleende diensten waarvoor de rechten worden geheven, maar dat daartoe ook behoren aan die diensten toe te rekenen indirecte kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat die indirecte kosten meer dan zijdelings met die diensten moeten samenhangen. De desbetreffende kostenposten kunnen slechts dan niet (geheel of ten dele) als ‘lasten ter zake’ worden aangemerkt indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen (vgl. o.m. HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, ECLI:NL:HR:2010:BL0990, BNB 2010/234).

3.3.7.

Ten slotte zij erop gewezen dat in het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (vgl. HR 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242).”

2.6.

Indien een belanghebbende mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Of de Verordening tot overschrijding van de opbrengstlimiet leidt, dient in eerste instantie aan de hand van het overzicht te worden beoordeeld. Uit het door de heffingsambtenaar ingebrachte overzicht van de (geraamde) lasten en baten, blijkt dat de totale lasten (direct en indirect) € 14.192.000 bedragen en de totale baten € 10.982.000 bedragen. Gelet daarop beloopt de totale baten van de in de Verordening opgenomen leges 77,4% van de daarmee in totaal gemoeide lasten. Uitgaande van dit overzicht is dus geen sprake van overschrijding van de opbrengstlimiet.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het overzicht als uitgangspunt voldoende inzicht in de ramingen heeft gegeven als omschreven in rov. 3.3.4, eerste zinsnede van het arrest BNB 2014/148. Anders dan belanghebbende mogelijk bepleit, hoeft de heffingsambtenaar voor het voldoen aan zijn inzichtplicht in eerste instantie niet meer gedetailleerd inzicht te verschaffen. De rechtbank merkt in dat kader ook op dat – kennelijk anders dan in de door belanghebbende aangevoerde procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:2632 betreffende de Legesverordening 2014-1 – de relevante pagina’s van de Programmabegroting 2014 wel tot de gedingstukken behoren. Hieruit blijkt – en dat is ook niet bestreden – dat de bedragen van het overzicht zijn terug te voeren op de begroting. Dat in de programmabegroting een dekkingspercentage van 78% wordt vermeld doet daaraan niet af. De heffingsambtenaar heeft ter zitting, geloofwaardig en onbestreden, verklaard dat de programmabegroting ziet op de eerste legesverordening voor het jaar 2016, dat destijds de rijks-tarieven nog niet bekend waren, dat nadat die tarieven bekend zijn geworden de onderhavige Verordening die eerste legesverordening heeft vervangen, en dat het verschil tussen 77,4% en 78% verband houdt met die rijks-tarieven, en dat het overzicht de onderbouwing is voor de onderhavige (tweede) Verordening.

2.8.

Belanghebbende dient dus voldoende gemotiveerd te stellen waarom ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake (onderdeel 3.3.4 van het arrest BNB 2014/148). Dat zelfde geldt voor de baten. In verband hiermee worden hierna alleen belanghebbendes stellingen ten aanzien van specifieke posten behandeld. Zijn overige stellingen zijn te algemeen van aard of gaan uit van een verkeerde opvatting omtrent de bewijslast.

2.9.

In het verweerschrift van 30 mei 2017 en ter zitting heeft de heffingsambtenaar een toelichting gegeven op de in 2.3 genoemde specifieke posten die lasten betreffen. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om te voldoen aan de nadere- inlichtingenplicht als omschreven in rov. 3.3.4, tweede zinsnede van het arrest BNB 2014/148. De heffingsambtenaar heeft afdoende toegelicht van welke door belanghebbende genoemde posten de kosten worden toegerekend en hoe deze posten samenhangen met de door de gemeente verstrekte diensten. Dat bij de posten sprake is van ‘lasten ter zake’ heeft belanghebbende na de voormelde toelichting ook niet meer bestreden. Wel heeft belanghebbende in zijn algemeenheid aan de orde gesteld dat onvoldoende inzicht bestaat dat de geraamde uren bij de diverse lastenposten ook echt betrekking hebben op ‘bouwen’. Deze algemene stelling, die bovendien pas ter zitting naar voren is gebracht terwijl die eerder aangevoerd had kunnen worden, kan niet gelden als voldoende gemotiveerde stelling dat redelijke twijfel bestaat over de omvang van geraamde posten.

2.10.

De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift ook een toelichting gegeven op de in 2.3 vermelde ‘batenposten’ c.q. een antwoord gegeven op de door belanghebbende opgeworpen vragen ter zake. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar nog een nadere toelichting gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat de gegeven toelichting om te voldoen aan de nadere-inlichtingenplicht als omschreven in rov. 3.3.4, tweede zinsnede van het arrest BNB 2014/148. Daarbij verdient het volgende nog opmerking.

- Dat de heffingsambtenaar ter zake van de posten ‘Drank en horeca’ en ‘Evenementen’ nog meer gedetailleerd inzicht had kunnen geven, doet er niet aan af dat de gegeven inlichtingen voldoende zijn in het licht van wat belanghebbende heeft opgeworpen. De toelichting dat de stijging van beide posten te maken heeft met een groei van aanvragen, vindt overigens steun in het feit dat uit het overzicht blijkt dat de gerealiseerde baten een duidelijk stijgende tendens laten zien in de periode 2010 tot en met 2014.

- In het beroepschrift heeft belanghebbende erop gewezen dat het overzicht bij het onderdeel bouwen niet vermeldt – anders dan bij andere onderdelen – wat de gerealiseerde baten zijn in de periode 2010 tot en met 2014, en dat “zodoende” niet inzichtelijk is op basis van welke onderbouwing het geraamde bedrag aan baten voor ‘bouwen’ van € 6.258.000 wordt verwacht. Daarop heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift de gerealiseerde baten over de jaren 2013 tot en met 2015 vermeld. De heffingsambtenaar heeft desgevraagd ter zitting een nadere toelichting gegeven op de wijze van raming. Die toelichting komt er in de kern op neer dat (a) de raming van de baten in die zin een afgeleide is van de raming van de kosten dat de baten worden geraamd uitgaande van een dekking van 100% van de kosten en dat (b) uitgaande van enerzijds de geraamde kosten en anderzijds een schatting van het aantal aanvragen en de bouwsommen op basis van gegevens van voorgaande jaren, het bouwlegestarief (als overgebleven variabele) wordt bepaald om tot die 100% dekking te komen. Hoewel het aan de inzichtelijkheid had bijgedragen als deze toelichting reeds in het verweerschrift was gegeven met de onderliggende cijfermatige uitgangspunten, kon de heffingsambtenaar – gelet op de voormelde onderbouwing van de klacht in het beroepschrift – in zijn verweerschrift met de aldaar gegeven inlichtingen volstaan. De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat de gerealiseerde baten over de periode 2013 tot en met 2015 geen indicatie zijn dat de raming niet redelijk is (vgl. rov. 3.3.7 van het arrest BNB 2014/148) en op € 6.258.000 kon worden geschat.

2.11.

De heffingsambtenaar heeft aldus aan zijn inlichtingenplicht voldaan. Belanghebbende is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast van de feitelijke onderbouwing dat de opbrengstlimiet is overschreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen reden bestaat om de Verordening onverbindend te achten.

2.12.

Voor zover belanghebbende nog aanvoert dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, verwerpt de rechtbank die beroepsgrond. Op de kwestie van de kostendekkendheid is voldoende ingegaan. De heffingsambtenaar mocht in de uitspraak op bezwaar volstaan met een verwijzing naar een eerdere brief, in aanmerking genomen dat belanghebbende nadien niet is verschenen op de hoorzitting en geen reactie meer heeft gegeven.

2.13.

Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

2.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 7 september 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.