Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5575

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
AWB 16_9035
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2983, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2016, inzake de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van drie varkensstallen op het adres Bankenstraat 16 te Etten-Leur. Verweerder heeft de vergunningverlening conform artikel 3.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben echter tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerp-besluit van de omgevingsvergunning niet-verschoonbaar geen zienswijzen naar voren gebracht. Derhalve staat artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan ontvankelijkheid van het beroep in de weg. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4669
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/9035 WABO

uitspraak van 22 augustus 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser 1] , [naam eiser 2], [naam eiser 3], [naam eiser 4], [naam eiser 5], [naam eiser 6], [naam eiser 7], [naam eiser 8], [naam eiser 9], [naam eiser 10], [naam eiser 11], [naam eiser 12], [naam eiser 13], allen te [woonplaats eisers], eisers,

gemachtigde: ing. J.B.M. Lauwerijssen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen [naam derde partij], te [vestigingsplaats derde partij],

gemachtigde: [gemachtigde derde partij].

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 oktober 2016, inzake de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen van drie varkensstallen op het adres [adres varkensstal] (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft op 11 juli 2017 plaatsgevonden in Breda. Eisers zijn verschenen bij gemachtigden ing. J.B.M. Lauwerijssen, mr. R. van Elderik en [naam gemachtigde eisers]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger verweerder 1], [vertegenwoordiger verweerder 2], ing. W. van Loon en mr. K. Vissers. Derde partij is gehoord bij monde van gemachtigde [gemachtigde derde partij].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Derde partij exploiteert een varkenshouderij op het adres [adres varkensstal] en heeft op 13 oktober 2011 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning fase 1 voor de activiteit ‘veranderen of veranderen van de werking van de inrichting’ ten behoeve van het oprichten van drie nieuwe stallen. Op 18 maart 2013 heeft derde partij in het kader van de tweede fase een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Die aanvraag ziet op het bouwen van de drie nieuwe stallen aan de [adres varkensstal].

Bij besluit van 16 april 2013 heeft verweerder een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘veranderen of veranderen van de werking van de inrichting’ verleend. Bij besluit van 2 juli 2013 heeft verweerder aan derde partij een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van drie varkensstallen.

Tegen deze omgevingsvergunning voor het bouwen van de drie stallen is een bezwaarschrift ingediend door eisers [naam eiser 1], [naam eiser 2], [naam eiser 11] en [naam eiser 12]. Tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaren hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij uitspraak van 14 oktober 2014 heeft de rechtbank overwogen dat verweerder de omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit ‘veranderen of veranderen van de werking van de inrichting’ overeenkomstig artikel 3.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom ten onrechte bij de voorbereiding van het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de reguliere procedure heeft gevolgd. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard, de ongegrond verklaring van de bezwaren vernietigd, de omgevingsvergunning van 2 juli 2013 voor het bouwen van de drie varkensstallen herroepen en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op de aanvraag van derde partij van 18 maart 2013 met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Daarop heeft verweerder de ontwerp-beschikking van het voornemen om de omgevingsvergunning voor het bouwen van drie varkensstallen aan de [adres varkensstal] te verlenen met ingang van 25 augustus 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Dit voornemen is op 24 augustus 2016 op de voorgeschreven wijze gepubliceerd.

Gedurende de termijn dat de ontwerp-beschikking ter inzage heeft gelegen zijn er geen zienswijzen naar voren gebracht.

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft verweerder de omgevingsvergunning voor het bouwen van de drie varkensstallen (wederom) verleend (hierna: het bestreden besluit).

Tegen het bestreden besluit hebben eisers op 17 november 2016 zowel een bezwaarschrift bij verweerder als een beroepschrift bij de rechtbank ingediend.

2.1

Artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar dient te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

2.2

Aangezien het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 hebben eisers terecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

3.1

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

3.2

Eisers hebben tijdens de termijn van terinzagelegging van het ontwerp-besluit van de omgevingsvergunning geen zienswijzen naar voren gebracht. Zij hebben betoogd dat dit hen redelijkerwijs niet kan worden verweten omdat zij al vele jaren protesteren tegen de komst van de stallen en verweerder daarom kon weten dat zij ook nu weer bezwaar zouden hebben tegen het ontwerp-besluit van de omgevingsvergunning voor deze stallen. In dit verband hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat het in de rede had gelegen dat verweerder hen meteen al in de procedure zou hebben betrokken door toezending van het ontwerp-besluit. Zij hebben bepleit dat in het onderhavige geval artikel 3:43 van de Awb analoge toepassing dient te vinden. Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat na de uitspraak van de rechtbank, waarbij is bepaald dat opnieuw op de aanvraag beslist moet worden, 21 maanden zijn verstreken en dat van hen niet verwacht kan worden dat zij gedurende zo’n lange periode alle publicaties blijven volgen.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet naar voren brengen van zienswijzen niet verschoonbaar. Er is in de uitspraak van 14 oktober 2014 bewust voor gekozen om verweerder opnieuw te laten beslissen op de aanvraag van derde partij met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Die procedure schrijft voor dat het ontwerp-besluit ter inzage wordt gelegd en dat gedurende die terinzagelegging zienswijzen naar voren gebracht kunnen worden. Van een bestuursorgaan kan niet gevergd worden dat hij een inschatting maakt wie mogelijk bedenkingen zou kunnen hebben tegen het verlenen van de vergunning. Het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure is juist bedoeld om te kunnen inventariseren wie er bedenkingen heeft tegen het voornemen om een vergunning te verlenen of te weigeren en met welke belangen mogelijk geen rekening is gehouden. Artikel 3:43, eerste lid, van de Awb kan geen analoge toepassing vinden omdat het ook daarbij gaat om toezending aan degenen die reeds eerder hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Aangezien elke aanvraag op zichzelf staat is het in dit verband niet relevant dat vier eisers tegen een eerder verleende omgevingsvergunning voor de drie stallen bezwaar en beroep hebben ingediend. Dat er sedert de uitspraak van 14 oktober 2014 bijna twee jaren zijn verstreken voordat het ontwerp-besluit ter inzage is gelegd maakt het niet indienen van zienswijzen evenmin verschoonbaar. Het was eisers bekend dat verweerder opnieuw diende te beslissen op de aanvraag van derde partij en daarom dienden zij bedacht te zijn op publicatie van het voornemen de gevraagde vergunning te verlenen.

4. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mr. C.A.F. van Ginneken en mr. P.H.J.G. Römers, leden, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2017.

P.H.M. Verdonschot, griffier S. Ketelaars-Mast, voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.