Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5561

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
21-06-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
C/02/320120 / HA ZA 16-621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Is een motel verantwoordelijk voor het verloren gaan van een kunstwerk dat bij het motel in bewaring/bruikleen is gegeven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6022
NJF 2018/12
Prg. 2018/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/320120 / HA ZA 16-621

Vonnis van 21 juni 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. S. Atçeken-Ata te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOTEL BRABANT

handelend onder de naam HOTEL BRABANT,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Flipse te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] en Motel Brabant genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 november 2016,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: bepaalt dat Motel Brabant aansprakelijk is voor de schade door het als definitief verloren gegaan zijn van het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’, welk kunstwerk onder het directe beheer was geplaatst van Motel Brabant, alsmede de aan [eiser] te vergoeden schade bepaalt op € 37.800,00;

Subsidiair: Motel Brabant veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de kosten voor griffie, de kosten voor ingeroepen rechtskundige bijstand van de advocaat en de proceskosten voor betekening, alsmede voor de nakosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van verschuldigd zijn van het in het dictum bepaalde tot het moment der algehele voldoening.

2.2.

Motel Brabant voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De feiten

3.1.

Op verzoek van [eiser] heeft Motel Brabant vanaf 16 juli 2009 het door [eiser] vervaardigd kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’ tentoongesteld in een voor het publiek toegankelijke ruimte in Motel Brabant. Voor de plaatsing zijn partijen geen vergoeding overeengekomen. Het binnenwerk van ‘ [naam kunstwerk] ’ was van karton gesteund door een houtskelet waarover papier-maché was aangebracht. ‘ [naam kunstwerk] ’ bestond uit een sokkel met naslagwerk van 1,5 meter hoog en twee poortdelen van 1,5 meter breed en ruim 2,5 meter hoog.

3.2.

Eind 2015 vroeg [eiser] aan Motel Brabant waar zijn werk ‘ [naam kunstwerk] ’ was gebleven omdat hij constateerde dat het werk daar niet meer aanwezig was. Motel Brabant deelde [eiser] mede dat zij in de loop van 2014 alle onderdelen van ‘ [naam kunstwerk] ’ had afgevoerd naar de stort.

3.3.

[eiser] heeft Motel Brabant bij brief van 23 mei 2016 aansprakelijk gesteld voor het verlies van het werk “ [naam kunstwerk] ’.

3.4

Bij brief van 20 juni 2016 heeft Motel Brabant aan [eiser] medegedeeld dat zij de aansprakelijkheid afwijst.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] grondt zijn vordering op de stelling dat Motel Brabant op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van bruikleen verplicht was het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’ aan hem terug te geven. Omdat Motel Brabant het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’ heeft weggegooid heeft zij het zichzelf onmogelijk gemaakt om aan de verplichting tot teruggave te voldoen. Vanwege die onmogelijkheid tot nakoming vordert [eiser] vervangende schadevergoeding.

4.2.

Motel Brabant voert als verweer dat [eiser] het bezit van het kunstwerk heeft prijsgegeven in de zin van artikel 5: 18 BW. Volgens Motel Brabant heeft [eiser] in 2012 gevraagd of het kunstwerk er nog stond en heeft de heer [naam medewerker] , een medewerker van Motel Brabant, hem toen het kunstwerk getoond in een hok waar het was opgeslagen. [naam medewerker] heeft hem toen gevraagd of hij het kunstwerk nog terug wilde, omdat het kunstwerk in de weg stond en zou worden weggegooid. [eiser] gaf toen aan dat hij nog zou laten weten of hij het kunstwerk al dan niet op zou komen halen. Toen in 2014 nog geen reactie van [eiser] was ontvangen veronderstelde Motel Brabant dat [eiser] er geen prijs meer op stelde het kunstwerk op te halen en is het kunstwerk weggegooid.

Voorts doet Motel Brabant een beroep op het verzuim tijdig te protesteren tegen het weggooien van het kunstwerk.

Tenslotte betwist Motel Brabant dat [eiser] schade heeft geleden en stelt zij dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] .

4.3.

De tussen partijen mondeling gesloten overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot bruikleen (voor onbepaalde tijd) dan wel als een overeenkomst tot in bewaargeving.

Zowel op grond van een bewaarovereenkomst als een bruikleenovereenkomst was Motel Brabant in beginsel verplicht tot teruggave van het kunstwerk aan [eiser] indien [eiser] daarom zou vragen.

4.4.

Motel Brabant stelt dat [eiser] in 2012 afstand heeft gedaan van de eigendom van het kunstwerk. [eiser] betwist echter dat hij in 2012 in het motel is geweest en betwist tevens dat hij door Motel Brabant op enige wijze is geïnformeerd dat het kunstwerk zou worden weggegooid indien hij het niet zou komen ophalen. [eiser] stelt dat hij het kunstwerk zou hebben opgehaald indien hij wèl was geïnformeerd over het voornemen van Motel Brabant om het kunstwerk af te voeren naar de stort.

Ondanks deze verdeeldheid over de feiten op dit punt kan naar het oordeel van de rechtbank bewijslevering achterwege blijven.

Uit de stellingen van Motel Brabant volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet dat [eiser] zijn bezit heeft prijsgegeven. Motel Brabant stelt dat afgesproken was dat [eiser] nog zou laten weten of hij het kunstwerk nog terug wilde. Niet gesteld is dat partijen een termijn hebben afgesproken waarbinnen [eiser] zulks zou mededelen of dat een termijn is afgesproken waarbinnen [eiser] het kunstwerk diende op te halen. Dit terwijl het kunstwerk al langere tijd aanwezig was bij Motel Brabant. Onder deze omstandigheden is het enkele tijdsverloop onvoldoende voor Motel Brabant om er gerechtvaardigd op te mogen vertrouwen dat de wil van [eiser] erop was gericht de eigendom van het kunstwerk prijs gegeven. Motel Brabant had ook indien haar stelling over het contact met [eiser] in 2012 juist is, als gevolg van de onvoldoende concrete afspraak, alvorens het kunstwerk weg te gooien contact dienen te zoeken met [eiser] om na te gaan of [eiser] inderdaad zijn bezit had prijsgegeven.

4.5.

Nu vast staat dat het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’ door Motel Brabant is vernietigd, is teruggave van dit kunstwerk aan [eiser] niet meer mogelijk. Niet valt in te zien dat [eiser] zijn klachtplicht heeft geschonden en dat Motel Brabant daardoor is benadeeld. De onmogelijkheid tot teruggave is ontstaan als gevolg van het weggooien van het kunstwerk en [eiser] heeft hierover geklaagd toen hij hierachter kwam. Toen was teruggave reeds onmogelijk. Motel Brabant is aansprakelijk voor de als gevolg van de onmogelijkheid tot teruggave door [eiser] geleden schade.

4.6.

Ten aanzien van de berekening van de door hem geleden schade stelt [eiser] zich op het standpunt dat de waarde van het kunstwerk moet worden bepaald aan de hand van een methode die wordt aangewend voor de berekening van de waarde van onroerend goed aan de hand van de huurprijs van het onroerend goed. [eiser] heeft één factuur overgelegd die naar zijn stelling betrekking heeft op de verhuur van het werk ‘ [naam kunstwerk] ’ tegen een bedrag van € 830,00 exclusief BTW voor het eerste kwartaal van 2005. Aan de hand van de voorgestelde methode bedraagt de waarde van het kunstwerk in 2014 dan de jaarlijkse huuropbrengst maal een factor 12 tot 15. Vier maal de kwartaalprijs van € 830,00 exclusief BTW komt uit op € 2.520,00, vermenigvuldigd met factor 15 bedraagt de intrinsieke waarde van het verloren kunstwerk dan een bedrag tussen de € 30.204,00 (factor 12) en € 37.800,00 (factor 15), aldus [eiser] .

Volgens Motel Brabant was de waarde van het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’ nihil, omdat het kunstwerk was gemaakt van vergankelijk materiaal dat in de loop der jaren beschadigd is geraakt.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat de methode die [eiser] voorstelt om de waarde van het kunstwerk te berekenen in overeenstemming is met de aard van de schade en een bruikbare methode van schadeberekening vormt in het onderhavige geval. Zo heeft [eiser] nagelaten te onderbouwen dat deze methode bij kunstwerken een gebruikelijke methode is om de waarde van een kunstwerk te benaderen, terwijl voorts is gebleken dat het kunstwerk, zo het in het verleden al is verhuurd, in ieder geval gedurende de periode dat het in Motel Brabant is geweest niet verhuurd is geweest en [eiser] ook thans geen kunstwerken verhuurt. Dat het kunstwerk in de toekomst nog had kunnen worden verhuurd is onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft slechts een factuur overgelegd uit het jaar 2005 betreffende verhuurperiode in dat jaar. Partijen twisten over de vraag of deze factuur (uitsluitend) is opgesteld voor de verhuur van het onderhavige werk. Uit de omschrijving op de factuur blijkt zulks niet. Gelet op de omstandigheid dat deze factuur een periode betreft van meer dan 12 jaar geleden, kan naar het oordeel uit deze factuur reeds om die reden niet volgen dat het kunstwerk thans nog verhuurd zou kunnen worden

Bij tussenvonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] ter toelichting van de door hem gestelde schade schriftelijke bewijsstukken dient in te dienen in de vorm van een overzicht van de door hem in de periode 2010-2016 verkochte kunstwerken van eigen hand met een beschrijving van het kunstwerk en de verkoopprijs en verkoopovereenkomsten en inkomsten als gevolg van kunstverkopen zoals aangegeven op het hiervoor genoemde overzicht. [eiser] heeft echter geen enkel schriftelijk stuk ingediend en heeft toegelicht dat hij in de periode 2010-2016 geen kunstwerken van eigen hand heeft verkocht of verhuurd.

[eiser] heeft de stelling van Motel Brabant dat het kunstwerk aan beschadiging onderhevig was niet betwist. In aanmerking nemend dat het kunstwerk dateert uit 1986, dat het grote afmetingen had en dat het was gemaakt van tamelijk vergankelijk materiaal, is aannemelijk dat het werk in de loop der tijd beschadigd is geraakt, waardoor de waarde in 2014, na verloop van 28 jaar, gering zal zijn. [eiser] heeft niet gesteld dat hij bekendheid als beeldend kunstenaar geniet en gesteld noch gebleken is dat zijn werk gewild is en veelvuldig werd verkocht. Evenmin heeft [eiser] gegevens van verkoop of regelmatige verhuur van kunstwerken verstrekt of inzage verstrekt in zijn inkomsten of jaarcijfers, ook niet uit het verdere verleden.

[eiser] is door het verloren gaan van het kunstwerk niet meer in staat het werk te tonen aan derden of aan derden ter beschikking te stellen. Hieruit vloeit enig nadeel voor [eiser] uit voort, ook al is niet gebleken van een mogelijkheid het werk te verkopen of te verhuren. Gelet op al deze omstandigheden schat de rechtbank de schade die [eiser] heeft geleden door het verloren gaan van het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’ naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 250,00.

Hoewel [eiser] zich meer om het kunstwerk had kunnen bekommeren is de rechtbank van oordeel dat de schade niet mede het gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend, gelet op het aan Motel Brabant te maken verwijt dat zij het kunstwerk heeft weggegooid zonder van te voren contact te zoeken met [eiser] .

De vordering zal als in de beslissing te vermelden worden toegewezen. Door de wijze waarop [eiser] zijn vordering heeft ingericht kan deze niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, er is immers niet om een veroordeling gevraagd.

5 De kostenveroordeling

5.1.

Motel Brabant dient in beginsel als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daar staat tegenover dat gezien de omvang van de toegewezen schade [eiser] de zaak had dienen aan te brengen bij de kantonrechter. Door de zaak aan te brengen bij de rechtbank, team handelsrecht heeft Motel Brabant € 1.929,- aan griffierecht dienen te betalen, welke kosten zij niet had gehad indien de zaak was aangebracht bij de kantonrechter. Deze onnodige kosten aan de zijde van Motel Brabant bedragen meer dan het bedrag aan proceskosten dat aan de zijde van [eiser] uitgaande van de hogere tarieven bij een handelszaak zou dienen te worden begroot op:

- dagvaardingskosten € 94,08

- vast recht € 885,00

- salaris advocaat 768,00 (2 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.747,08

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aangewezen de kosten tussen partijen te compenseren zodanig dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

bepaalt dat Motel Brabant aansprakelijk is voor de schade door het als definitief verloren gegaan zijn van het kunstwerk ‘ [naam kunstwerk] ’, en bepaalt de door Motel Brabant aan [eiser] te vergoeden schade op een bedrag van € 250,00;

6.2.

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.