Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5256

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-08-2017
Datum publicatie
18-08-2017
Zaaknummer
C/02/332984 / KG ZA 17-461
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:5033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het COA vordert ontruiming van een nareiziger uit een asielzoekerscentrum. De vrouw is in het kader van gezinshereniging tot Nederland toegelaten. In Nederland heeft zij een zelfstandige verblijfsvergunning aangevraagd en gekregen. Volgens het COA beschikt de vrouw over passende huisvesting bij haar echtgenoot. Volgens de vrouw woonde zij in het thuisland al niet meer bij de man en zijn ze inmiddels ook gescheiden. De voorzieningenrechter constateert dat het COA alleen asielzoekers opvangt die bij de IND een vergunningprocedure doorlopen. De voorzieningenrechter begrijpt niet waarom het COA op eigen gezag voorbij gaat aan de status die de IND aan zo’n asielzoeker toekent. In dit geval komt daar nog bij dat de vrouw na aankomst in Nederland een echtscheidingsprocedure is gestart. Inmiddels is de echtscheiding uitgesproken en ingeschreven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het COA, in het licht van al deze feitelijke omstandigheden, in redelijkheid niet kunnen komen tot zijn huidige standpunt dat een verblijf van de vrouw bij haar voormalige echtgenoot nu nog steeds als passende huisvesting kan worden aangemerkt. Om die reden wordt de vordering tot ontruiming afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civielrecht, cluster II

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/332984 / KG ZA 17-461

Vonnis in kort geding van 15 augustus 2017

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. W.H.J. Semeijn te Zwolle,

tegen

1 [gedaagde] ,

verblijvende te [woonplaats gedaagde] ,

2. [gedaagde]

als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [naam kind],

verblijvende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.P. van Empel-Bouman te 's-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna ‘COA’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 juli 2017 met de producties 1 tot en met 5 van het COA;

  • -

    de conclusie van antwoord, houdende een eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 5 van [gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 1 augustus 2017;

  • -

    de pleitnota van het COA.

1.2.

Ter zitting heeft [gedaagde] haar eis in reconventie gewijzigd.

1.3.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 is de minister van Veiligheid en Justitie belast met het beoordelen van aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) of een verblijfsvergunning.

b. De huidige minister van Veiligheid en Justitie heeft het beoordelen van vergunningaanvragen van vreemdelingen gedelegeerd aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De staatssecretaris heeft het beoordelen van en beslissen op die aanvragen gemandateerd aan de Immigratie- en Nationalisatiedienst (hierna: IND), dat onderdeel uitmaakt van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

c. Het COA is een zelfstandig bestuursorgaan, opgericht bij de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COA) en belast met de organisatie en uitvoering van de opvang van asielzoekers. Het COA voert de zogeheten Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005) uit.

d. [gedaagde] heeft de Syrische nationaliteit. Op 12 januari 2017 is zij met haar minderjarige dochter [naam kind] vanuit Syrië Nederland ingereisd op basis van een mvv, verleend ten behoeve van gezinshereniging met haar echtgenoot die in de gemeente [woonplaats man] woont.

e. Op 18 januari 2017 hebben [gedaagde] en haar dochter bij de IND officieel een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend. Bij beschikking van 14 februari 2017 heeft [gedaagde] een zelfstandige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gekregen. Haar dochter heeft eveneens een verblijfsvergunning gekregen.

f. [gedaagde] en haar dochter zijn in eerste instantie opgevangen in het asielzoekerscentrum (hierna: azc) in [plaatsnaam] . Op 16 februari 2017 heeft een medewerkster van dat centrum met [gedaagde] gesproken over haar woonwensen. Vervolgens is [gedaagde] voor de toewijzing van huisvesting door het COA gekoppeld aan de gemeente [woonplaats man] .

g. Op 6 maart 2017 heeft in [plaatsnaam] een zogeheten ‘eerste woningweigeringsgesprek’ met [gedaagde] plaatsgevonden. Daarin heeft [gedaagde] aangegeven dat zij niet bij haar echtgenoot wil wonen. Op 8 maart 2017 heeft een tweede woningweigeringsgesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en een medewerker van het COA. Daarin is [gedaagde] meegedeeld dat zij het azc moet verlaten wanneer zij niet alsnog binnen 24 uur instemt met huisvesting bij haar echtgenoot. [gedaagde] heeft niet ingestemd met huisvesting bij haar echtgenoot.

h. Sinds 5 mei 2017 verblijven [gedaagde] en haar dochter in het azc in [woonplaats gedaagde] . Zij krijgen daar opvang op basis van het regiem ‘bed, bad en brood’.

i. [gedaagde] heeft in de tussentijd de echtscheiding aangevraagd. Haar echtgenoot heeft aan die procedure zijn medewerking verleend. Op 23 juni 2017 is de echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Het COA vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om de bij haar in gebruik zijnde ruimte(n) in het azc [woonplaats gedaagde] , dan wel in iedere andere opvanglocatie van het COA, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hare, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

Aan deze vordering legt het COA ten grondslag dat, als gevolg van de toekenning van een verblijfsvergunning, het recht op opvang voor [gedaagde] en haar dochter is geëindigd en dat zij beschikken over passende huisvesting bij de man in [woonplaats man] . Door gebruik te blijven maken van de faciliteiten van het COA maakt [gedaagde] misbruik van recht. De opvang van asielzoekers is immers niet bedoeld voor het krijgen van huisvesting in een echtscheidingssituatie. Door misbruik te maken van haar recht op opvang handelt [gedaagde] onrechtmatig.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat de woonruimte van haar echtgenoot nimmer passende huisvesting is geweest aangezien zij en haar dochter al in Syrië gescheiden van de man woonden. In Nederland heeft zij bij de IND meteen een zelfstandige verblijfsvergunning aangevraagd en vrijwel meteen is de echtscheidingsprocedure opgestart, die inmiddels is afgerond met de inschrijving van de echtscheiding. Ook om die reden is geen sprake van passende huisvesting bij de man. [gedaagde] doet een beroep op het Vakbericht van 20 januari 2017 van het COA, waaruit blijkt dat een nareiziger, die geen recht heeft op opvang maar wel een aanvraag voor een zelfstandige verblijfsvergunning heeft ingediend, in aanmerking komt voor feitelijke opvang. Die werkwijze zou met onmiddellijke ingang worden gehanteerd, zodat het COA dienovereenkomstig dient te handelen. Verder wijst [gedaagde] erop dat een ontruiming onrechtmatig is jegens haar minderjarige dochter, gelet op de rechten van het kind die voortvloeien uit het EVRM, het ESH en het IVRK. Indien de gevorderde ontruiming desondanks zou worden toegewezen, verzoekt [gedaagde] om de termijn voor ontruiming te stellen op zes maanden althans op een door de voorzieningenrechter te bepalen redelijke termijn.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Na wijziging van eis vordert [gedaagde] dat de voorzieningenrechter bepaalt dat het COA aan haar en haar dochter opvang moet blijven bieden en dat zij recht hebben op de verstrekkingen van artikel 9 van de Rva 2005 die horen bij de opvang, een en ander met veroordeling van het COA in de proceskosten.

4.2.

In dat verband stelt [gedaagde] dat zij vastgesteld wenst te zien dat de woning van de man in [woonplaats man] niet kan worden aangemerkt als passende huisvesting. Verder moet worden bepaald dat zij en haar dochter recht hebben op volwaardige opvang met alle verstrekkingen zoals omschreven in artikel 9 van de Rva 2005.

4.3.

Het COA voert verweer en stelt dat [gedaagde] , nu zij door het COA is gekoppeld aan de gemeente [woonplaats man] , zich voor huisvesting moet wenden tot die gemeente.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het COA is een bestuursorgaan dat bevoegd is besluiten te nemen omtrent de toekenning, onthouding en beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva 2005. Op die besluiten is het bestuursrecht van toepassing. Voor het daadwerkelijk mogen verwijderen van een asielzoeker uit de door hem beheerde opvangcentra heeft het COA een executoriale titel nodig. Die kan de burgerlijke rechter leveren op een civielrechtelijke grondslag zoals onrechtmatige daad. In zoverre is de voorzieningenrechter bevoegd om van de onderhavige ontruimingsvordering van het COA kennis te nemen.

5.2.

Gelet op zijn taak is het voor het COA van groot belang dat hij voortdurend kan beschikken over voldoende opvangcapaciteit en dat asielzoekers niet langer dan nodig in een opvangcentrum blijven. Volgens het COA is er in dit geval bovendien sprake van een onrechtmatige situatie die hij niet hoeft te dulden. De voorzieningenrechter acht de zaak om beide redenen spoedeisend.

5.3.

De voorzieningenrechter zal de vordering van het COA tot ontruiming, die overigens alleen is ingesteld tegen [gedaagde] en niet ook tegen haar dochter, enkel toewijzen indien genoegzaam blijkt dat [gedaagde] thans zonder recht of titel in het azc in [woonplaats gedaagde] verblijft. Kern van het geschil is dan ook de vraag of [gedaagde] nog aanspraak heeft op opvang.

5.4.

In dat verband stelt het COA dat [gedaagde] en haar dochter inmiddels beschikken over een verblijfsvergunning en dat zij voor huisvesting terecht kunnen bij hun voormalige echtgenoot en vader in [woonplaats man] , aangezien zij in het kader van gezinshereniging op basis van een mvv vanuit Syrië naar Nederland zijn gekomen als zogeheten nareizigers. Omdat zij door het COA reeds aan de gemeente [woonplaats man] zijn gekoppeld, vindt het COA dat [gedaagde] zich met haar woonwensen moet wenden tot de gemeente [woonplaats man] . [gedaagde] voert aan dat zij in Syrië al niet meer bij haar voormalige echtgenoot woonde en dat zij en haar dochter, net als door de IND, door het COA behandeld willen worden als zelfstandige asielzoekers.

5.5.

[gedaagde] en haar dochter zijn asielzoekers. Op 14 februari 2017 hebben zij van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een tijdelijke verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 gekregen. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stellingen van partijen dat het daarbij gaat om zelfstandige verblijfsvergunningen, verleend vanwege de oorlogssituatie in hun land van herkomst zoals bedoeld in artikel 29 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 en dus niet vanwege een gezinshereniging met hun echtgenoot en vader zoals bedoeld in artikel 29 lid 2 van die wet. Volgens het bepaalde in artikel 44 lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft de verlening van zo’n tijdelijke verblijfsvergunning tot gevolg dat de opvang door het COA van rechtswege eindigt op de wijze als voorzien in een nadere wettelijke regeling. Die nadere wettelijke regeling bestaat niet. In dat verband licht het COA ter zitting toe dat in de praktijk het recht op opvang pas eindigt wanneer het COA passende woonruimte heeft aangeboden. Het geschil spitst zich daarmee toe op de vraag of het COA aan [gedaagde] passende woonruimte heeft aangeboden.

5.6.

Volgens het COA heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie met elke gemeente in Nederland afspraken gemaakt over het aantal woningen dat die gemeente ter beschikking stelt aan vergunninghouders. Het is de taak van het COA om elke vergunninghouder te koppelen aan een gemeente. Met dat doel spreekt het COA met elke vergunninghouder over diens woonwensen om te bezien of er indicaties zijn om die persoon aan een bepaalde gemeente te koppelen. Alleen in het geval van gezinshereniging worden de nareizende gezinsleden door het COA automatisch gekoppeld aan de gemeente waar de hereniging-aanvragende vergunninghouder woonachtig is. Die nareizigers worden reeds bij hun aankomst in Nederland geacht over passende huisvesting te beschikken. Zo ook [gedaagde] en haar dochter, die op basis van een mvv ten behoeve van gezinshereniging in Nederland zijn toegelaten, aldus het COA.

5.7.

De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] en haar dochter weliswaar op basis van een mvv, verleend ten behoeve van gezinshereniging, Nederland zijn ingereisd, maar dat zij zich in Nederland nimmer hebben beroepen op gezinshereniging. Zij hebben bij de IND een zelfstandige verblijfsvergunning aangevraagd, welke ook is verleend. Het COA stelt dat hij niet op de hoogte is van hetgeen een asielzoeker aanvoert bij de IND. De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Het COA biedt immers uitsluitend opvang aan vreemdelingen die door de IND als asielzoeker worden aangemerkt en bij de IND een vergunningprocedure doorlopen, hetgeen betekent dat het COA over elke opgevangen asielzoeker geacht moet worden contact te hebben (gehad) met de IND. Daar komt bij dat het COA [gedaagde] en haar dochter opvang hebben gegeven in het azc in [plaatsnaam] , ondanks dat zij beiden werden geacht reeds vanaf hun aankomst in Nederland te beschikken over passende huisvesting bij de man in [woonplaats man] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon het COA dan ook redelijkerwijs bekend worden verondersteld met de status van [gedaagde] en haar dochter, te weten dat zij zelfstandige verblijfsvergunningen hadden aangevraagd en in het kader van de algemene asielprocedure aanspraak hadden op opvang in een azc.

5.8.

Het COA heeft zelf drie gesprekken gevoerd met [gedaagde] , te weten op 16 februari 2017, 6 maart 2017 en 8 maart 2017. Op die momenten beschikten [gedaagde] en haar dochter al over een zelfstandige verblijfsvergunning. Gezinshereniging was niet meer aan de orde. Uit het Vakbericht van 20 januari 2017 van het COA blijkt dat het COA zich ervan bewust was dat er ‘issues en vragen’ zijn over de opvang van nareizigers die geen gezinshereniging wensen, ‘vooral wanneer er sprake is van een zelfstandige asielaanvraag en/of scheiding’. De voorzieningenrechter begrijpt niet waarom het COA op eigen gezag voorbij gaat aan de status die de IND aan zo’n asielzoeker toekent. In het geval van [gedaagde] komt daar nog bij dat zij na aankomst in Nederland een echtscheidingsprocedure is gestart. Sinds 23 juni 2017 is die echtscheiding door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een feit. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het COA, in het licht van al deze feitelijke omstandigheden, in redelijkheid niet kunnen komen tot zijn huidige standpunt dat een verblijf van [gedaagde] en haar dochter bij de man in [woonplaats man] nu nog steeds als passende huisvesting kan worden aangemerkt. Om die reden zal de vordering tot ontruiming worden afgewezen.

5.9.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het COA worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 78,00

- salaris advocaat 816,00

totaal € 894,00.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Het COA is een bestuursorgaan dat bevoegd is besluiten te nemen omtrent de toekenning, onthouding en beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva 2005. Zo’n besluit kan worden uitgelokt door een aanvraag. Dat wil zeggen dat [gedaagde] bij het COA een aanvraag tot het verstrekken van voorzieningen op grond van de Rva 2005 kan indienen. Op die aanvraag en de vervolgprocedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Aangezien [gedaagde] aldus gebruik kan maken van een voorliggende administratiefrechtelijke rechtsgang die met voldoende waarborgen is omkleed, acht de voorzieningenrechter zich niet bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen.

6.2.

Nu de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart en er tussen partijen nauwelijks een debat heeft plaatsgevonden in het kader van de reconventie, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

wijst de vordering tot ontruiming af;

7.2.

veroordeelt het COA in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [gedaagde] en tot op heden begroot op € 894,00;

7.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

7.4.

verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

7.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Verhagen-Coopmans en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2017.1

1 type: MdB coll: