Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5204

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
02/333433 / HA RK 17-145
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer

Breda

zaaknummer/rekestnummer: 02/333433 / HA RK 17-145

Beslissing van 28 juli 2017

op het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat [naam] te [plaatsnaam] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

- het procesdossier van de tegen verzoeker lopende strafzaak met parketnummer [nummer] ;

- het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 18 juli 2017 van de meervoudige strafkamer, met daarin opgenomen het namens verzoeker op die zitting mondeling gedane wrakingsverzoek;

- de behandeling van het wrakingsverzoek op 27 juli 2017 op de openbare zitting van de wrakingskamer, alwaar zijn verschenen: verzoeker, verzoekers raadsman [naam] , officier van justitie [naam OvJ] en mrs. [rechters MK] , leden van de gewraakte meervoudige strafkamer;

- de pleitaantekeningen van [naam] raadsman van verzoeker;

- de pleitaantekeningen van [rechters MK] , voorzitter van de meervoudige strafkamer.

2 Het verzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechters [rechters MK] , die samen de meervoudige strafkamer vormen die belast is met de behandeling van de tegen verzoeker dienende strafzaak met parketnummer [nummer] , gevoegd met de behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die aan verzoeker is opgelegd in de zaak met nummer [nummer]

2.2.

De rechters berusten niet in het verzoek tot wraking.

3 De feiten

3.1.

In de strafzaak met parketnummer [nummer] wordt verzoeker tenlastegelegd dat hij op 13 maart 2015 een politieambtenaar, een gemeenteambtenaar en de burgemeester van zijn gemeente verbaal zou hebben bedreigd met de dood of met zware mishandeling.

3.2.

De eerste behandeling van deze strafzaak heeft plaatsgevonden op 17 juni 2015 door de politierechter. Deze heeft besloten om deze zaak te verwijzen naar de meervoudige strafkamer.

3.3.

Omdat voormelde strafzaak vervolgens anderhalf jaar heeft stilgelegen, heeft de raadsman van verzoeker op 10 november 2016 bij deze rechtbank een verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend. Dat verzoek houdt kort gezegd in dat verzoeker wenst dat de rechtbank verklaart dat voornoemde strafzaak tegen hem is geëindigd. Aan dat verzoek is de stelling ten grondslag gelegd dat er sinds de verwijzing van de zaak naar een meervoudige strafkamer nog geen enkel zicht op voortzetting van de zaak bestaat.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen.

Bij beschikking van 4 april 2017 heeft de strafraadkamer verzoeker echter niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat het verzoekschrift niet mede door hem was ondertekend en hij evenmin ter zitting aanwezig was. In die beschikking heeft de strafraadkamer verder overwogen dat het Openbaar Ministerie de belangen van de bedreigde personen op grove wijze heeft veronachtzaamd en dat een ontvankelijk verzoek zou zijn afgewezen vanwege de belangen van die betrokkenen.

3.4.

Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie de strafzaak alsnog aangebracht bij de meervoudige strafkamer en is verzoeker opgeroepen om te verschijnen ter zitting van 18 juli 2017 van de meervoudige strafkamer. In reactie daarop heeft de raadsman van verzoeker bij brief van 12 juni 2017 aan de officier van justitie meegedeeld dat hij onderzoekswensen heeft, in die zin dat hij de hiervoor genoemde politieambtenaar, gemeenteambtenaar en burgemeester als getuigen wenst te laten horen ter terechtzitting. Als reden wordt opgegeven dat die direct betrokkenen niet eenduidig zijn in hun verklaringen over de tenlastegelegde bedreiging en dat de geloofwaardigheid van hun verklaringen dient te worden onderzocht.

3.5.

Ter zitting van 18 juli 2017 heeft de raadsman van verzoeker een preliminair verweer gevoerd, inhoudende dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het Openbaar Ministerie geen belang meer heeft bij de vervolging van verdachte en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. In dat kader heeft hij onder meer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie na de verwijzing door de politierechter deze strafzaak niet verder meer wilde vervolgen en dat er diverse uitlatingen met die strekking door het Openbaar Ministerie zijn gedaan.

In reactie daarop heeft de officier van justitie erkend dat er diverse uitlatingen met bedoelde strekking zijn gedaan en dat daardoor een bepaald vertrouwen is gewekt, maar dat door de strafraadkamer in de beschikking van 4 april 2017 is overwogen dat het verzoek ex artikel 36 Sv niet-ontvankelijk is en dat het verzoek anders zou zijn afgewezen. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het preliminair verweer moet worden afgewezen.

3.6.

De meervoudige strafkamer heeft zich teruggetrokken in raadkamer. Na het beraad heeft de voorzitter van de meervoudige kamer meegedeeld dat het preliminair verweer wordt afgewezen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat die beslissing als volgt is gemotiveerd:

Vooropgesteld zij dat de rechtbank zijn eigen afweging maakt, los van voorgaande beslissingen van andere rechters.

De rechtbank stelt vast dat de door de raadsman genoemde uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage en het Gerechtshof Arnhem, anders dan in de onderhavige zaak, zien op een opgewekt vertrouwen voorafgaande aan de dagvaarding van een verdachte. In de onderhavige zaak is gedagvaard en daarna zijn mededelingen gedaan die tot een opgewekt vertrouwen zouden kunnen leiden.

Wanneer is gedagvaard en de zaak is uitgeroepen, kan de officier van justitie maximaal zelf nog rekwireren tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Intrekken van de zaak kan na het uitroepen niet meer. De beslissing over het verdere verloop is dan aan de rechtbank.

De tweede pijler van het verweer betreft de schending van het vertrouwensbeginsel. De mededelingen die volgens de raadsman door het OM zijn gedaan, passen in de veronderstelling dat het OM niet meer wilde vervolgen. Echter, de enkele wil van het OM om de vervolging te stoppen, is voor de rechtbank niet doorslaggevend als er gedagvaard is, omdat de rechtbank een afweging moet maken tussen alle in het geding zijnde belangen, waaronder bijvoorbeeld het belang van een aangever tot een oordeel sec over de zaak, net zoals in de artikel-12-Sv-procedure geschiedt. In deze zaak is niet gebleken dat de aangevers verder geen vervolging meer wensen. Bij afweging van alle in het geding zijnde belangen is de rechtbank van oordeel dat het OM wel ontvankelijk is in zijn vervolging en dat het preliminair verweer van de raadsman moet worden afgewezen.

3.7.

Vervolgens heeft de officier van justitie de tenlastelegging voorgedragen.

Daarna heeft de raadsman van verzoeker een toelichting gegeven op zijn verzoek om de drie gevraagde getuigen te horen.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het horen van de betreffende getuigen.

De meervoudige kamer heeft zich vervolgens teruggetrokken in raadkamer. Na beraad heeft de voorzitter van de meervoudige strafkamer meegedeeld dat het verzoek om getuigen te horen wordt afgewezen. Volgens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal is die beslissing als navolgend gemotiveerd:

De rechtbank heeft nagedacht over uw verzoeken. We zien dat u op onderdelen bekent en u lijkt daarmee de aangiftes op onderdelen te ondersteunen. Wat de getuige [naam getuige] betreft, kan de aangifte die is gedaan, en die de rechtbank als enige ter beschikking heeft, niet zijn gekleurd door latere uitlatingen in de pers, gelet op de datum waarop die aangifte is gedaan. Uitlatingen die in de pers zijn gedaan zitten overigens ook niet in het dossier en kan de rechtbank er dan ook niet bij betrekken. Wat betreft de twee andere getuigen, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat er tussen hen zou zijn afgestemd. Zelfs als getoetst wordt aan het verdedigingsbelang, dienen de verzoeken te worden afgewezen.

3.8.

In reactie daarop heeft de raadsman van verzoeker meegedeeld dat de meervoudige strafkamer wordt gewraakt, kort gezegd omdat de opeenstapeling van beslissingen van de rechtbank bij verzoeker heeft geleid tot een vrees van vooringenomenheid van de rechters.

4 De gronden van het wrakingsverzoek en het standpunt van verzoeker

4.1.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de opeenstapeling van feiten in dit onderzoek bij hem heeft geleid tot een bepaalde vrees voor vooringenomenheid, met name gelet op de laatste beslissing tot afwijzing van de getuigenverzoeken in combinatie met de beslissing tot het wel ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie en de wijze van motivering van die beslissing. Voorts heeft de rechtbank in de beslissing op het verzoek ex artikel 36 Sv zonder enige reden over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie min of meer een opdracht doen uitgaan naar het Openbaar Ministerie. Die raadkamerbeslissing vormt een voedingsbodem van hetgeen daarna is gaan heersen, namelijk dat in weerwil van het Openbaar Ministerie koste wat kost vervolgd moet worden.

4.2.

Ter zitting herhaalt de raadsman van verzoeker dat de wraking is gebaseerd op een opeenstapeling van beslissingen en motiveringen daarvan in het onderhavige onderzoek, te weten de beslissing van 4 april 2017 van de strafraadkamer en meer nog de motivering van die beslissing, de beslissing op 18 juli 2017 van de meervoudige strafkamer om het verzoek van de verdediging tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie af te wijzen alsmede de beslissing op 18 juli 2017 van de meervoudige strafkamer tot afwijzing van het verzoek van de verdediging om de drie gevraagde getuigen te laten horen. De beslissingen van 18 juli 2017 moeten en kunnen niet anders dan in het licht van de beschikking van 4 april 2017 worden bezien.

4.3.

Vervolgens licht de raadsman van verzoeker toe dat de motivering van de beschikking van 4 april 2017, gelet op de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker, geheel overbodig en daarmee onnodig sturend was. Het is vaste en gebruikelijke rechtspraak dat bij niet-ontvankelijkheid niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de voorliggende kwestie. Door dit toch te doen, op niet mis te verstane wijze, heeft de strafraadkamer ‘over haar graf heen geregeerd’ en is zij op de stoel van het Openbaar Ministerie gaan zitten. De motivering is niet anders te lezen dan als sturend en is daarmee bepalend geworden voor het verdere verloop en voor de beslissingen, te nemen door dezelfde rechtbank.

De motivering van de beslissing van de strafraadkamer heeft ervoor gezorgd dat, in ieder geval voor verzoeker, iedere daaropvolgende beslissing niet meer los kan worden gezien van die motivering. Op de zitting van 18 juli 2017 heeft de meervoudige strafkamer beslissingen genomen die in de lijn van de motivering van de beschikking van 4 april 2017 liggen. Bij verzoeker is dan ook de vrees ontstaan van vooringenomenheid van de zittingsrechters van 18 juli 2017. Die vooringenomenheid moet worden vertaald naar de objectief gerechtvaardigde vrees dat de zittingsrechters zich niet meer geheel vrij hebben gevoeld in het nemen van hun beslissingen door de motivering van de beschikking van

4 april 2017. De motivering van de afwijzing van het verzoek om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren is in het licht van de aangehaalde jurisprudentie onbegrijpelijk en kan de beslissing niet dragen. De daaropvolgende weigering om drie getuigen te horen is eveneens een onbegrijpelijke beslissing, ligt in dezelfde lijn als de twee eerdere beslissingen en geeft voeding aan de schijn dat de rechters zich onvoldoende vrij hebben geacht van de sturende motivering van 4 april 2017.

4.4.

Verzoeker wraakt de volledige meervoudige strafkamer.

5 Het standpunt van de meervoudige strafkamer

5.1.

De meervoudige strafkamer stelt zich bij monde van zijn voorzitter – en ter zitting bevestigd door mr. [lid MK] – op het standpunt dat de rechters van de meervoudige strafkamer zich niet hebben aangesloten bij de door een andere rechter genomen beslissing op het verzoek ex artikel 36 Sv. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de meervoudige strafkamer omtrent de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie een eigen en onafhankelijke afweging heeft gemaakt. De afwijzing van het verzoek tot het horen van getuigen is met inachtneming van de juiste maatstaf genomen. Beide beslissingen zijn duidelijk en goed gemotiveerd.

5.2.

In de visie van de meervoudige strafkamer zijn alle verzoeken van de verdediging onafhankelijk en onbevooroordeeld, met inachtneming van de juiste maatstaven, gewogen en beoordeeld. Van een vooringenomenheid of de schijn daarvan is geen sprake.

5.3.

De meervoudige strafkamer concludeert dat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

6 Het standpunt van de officier van justitie

6.1.

De officier van justitie voert aan dat uit verzoekers argumenten blijkt dat verzoeker het niet eens is met de beslissingen van de rechtbank. Haars inziens gaan die argumenten niet over de vooringenomenheid van de rechtbank.

6.2.

De officier van justitie vraagt het wrakingsverzoek af te wijzen.

7 De beoordeling

7.1.

Ingevolge artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie een rechter die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

7.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter neemt de rechtbank als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dat wordt pas anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

7.3.

Het onderhavige wrakingsverzoek is gelijkelijk gericht tegen alle rechters van de meervoudige strafkamer. Aanleiding voor het verzoek zijn drie rechterlijke beslissingen in deze strafzaak. Verzoeker stelt dat die drie beslissingen in onderlinge samenhang moeten worden bezien en dat de twee door de meervoudige strafkamer genomen procesbeslissingen zijn ingekleurd door de motivering van de eerdere beschikking van 4 april 2017 van de strafraadkamer. Kort gezegd voeden die drie beslissingen de bij verzoeker bestaande vrees dat de strafzaak koste wat kost vervolgd moet worden en tot een veroordeling moet leiden. Dat betekent dat de rechtbank moet onderzoeken of de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid van de meervoudige strafkamer objectief gerechtvaardigd is.

7.4.

De beschikking van 4 april 2017 is niet gegeven door de thans gewraakte rechters van de meervoudige strafkamer maar door een andere rechter. Die beschikking is gegeven in het kader van de vraag of de zaak geëindigd is, hetgeen een andere vraag is dan de vraag die door de meervoudige strafkamer moet worden beantwoord, namelijk of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verzoeker zich op 13 maart 2015 schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en, zo ja, welke straf aan verzoeker zal worden opgelegd.

Volgens verzoeker had de strafraadkamer, gelet op de uitgesproken niet-ontvankelijkheid van verzoeker, zich in de beschikking van 4 april 2017 moeten onthouden van inhoudelijke overwegingen over de vervolging. In het kader van deze wraking is de rechtbank niet bevoegd een oordeel te geven over de beschikking van de strafraadkamer. Overigens stond tegen die beschikking een rechtsmiddel open en daarvan hebben verzoeker en het Openbaar Ministerie geen gebruik gemaakt. Wel kan de rechtbank beamen dat de inhoudelijke overwegingen in die beschikking in wezen strekken tot een aanbeveling aan het Openbaar Ministerie om de reeds aanhangig gemaakte strafzaak tegen verzoeker voort te zetten. Die overwegingen zijn echter niet gericht tot de meervoudige strafkamer en binden hem evenmin.

7.5.

Verzoeker stelt dat de meervoudige strafkamer zich blijkens zijn twee bestreden procesbeslissingen onvoldoende vrij heeft gevoeld om afstand te nemen van die beschikking van 4 april 2017. In dat kader zou mogelijk ook sprake kunnen zijn van een beïnvloeding ‘via de lunchtafel’ waarbij rechters informeel met elkaar over een strafzaak spreken. In ieder geval is verzoeker van mening dat de procesbeslissingen van de meervoudige strafkamer geheel in de lijn van de beschikking van 4 april 2017 liggen en dat beide procesbeslissingen onbegrijpelijk zijn.

7.6.

Wat betreft de beslissing van de meervoudige strafkamer tot afwijzing van het verzoek om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, wijst de rechtbank er in de eerste plaats op dat die beslissing genomen is door andere rechters en op basis van een ander toetsingskader dan de beschikking van 4 april 2017. Blijkens de motivering van die procesbeslissing heeft de meervoudige strafkamer ook bewust afstand willen nemen van de beschikking van 4 april 2017. Het enkele feit dat beide beslissingen uiteindelijk dezelfde uitkomst hebben, wil nog geenszins zeggen dat er sprake moet zijn van een onvoldoende onafhankelijkheid of van een vooringenomenheid van de meervoudige strafkamer. Dat blijkt temeer nu de meervoudige strafkamer zijn beslissing motiveert met argumenten die in de beschikking van 4 april 2017 van de strafraadkamer niet zijn genoemd.

Het beroep van verzoeker op beïnvloeding tussen de rechters via de lunchtafel is onvoldoende onderbouwd en wordt door de meervoudige strafkamer betwist. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken en evenmin de objectief gerechtvaardigde vrees is gewekt dat de afwijzing van het verzoek van de verdediging om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren door de meervoudige strafkamer is genomen onder invloed van de beschikking van 4 april 2017 van de strafraadkamer.

7.7.

Wat betreft de beslissing van de meervoudige strafkamer om het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen af te wijzen, is de rechtbank van oordeel dat die geen enkel verband houdt met de impliciete opdracht van de strafraadkamer aan het Openbaar Ministerie om de reeds aangevangen vervolging van verzoeker voort te zetten. Het al dan niet horen van getuigen is een beslissing van de rechters die de strafzaak behandelen. Die beslissing gaat niet over de vraag of de vervolging van verzoeker al dan niet voortgezet moet worden, maar over het recht van verzoeker om zich te verdedigen in het kader van de inhoudelijke behandeling van de tegen hem lopende strafzaak. Uit de afwijzende procesbeslissing en de door de meervoudige strafkamer gegeven motivering daarvan blijkt niet van enig verband met de beschikking van 4 april 2017 van de strafraadkamer. Daarom is de rechtbank van oordeel dat die beslissing van de meervoudige strafkamer niet is genomen onder invloed van de beschikking van 4 april 2017 van de strafraadkamer.

7.8.

Tot slot voert verzoeker aan dat beide procesbeslissingen van de meervoudige strafkamer onbegrijpelijk zijn. De afwijzing van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie acht verzoeker in strijd met de door hem aangehaalde jurisprudentie over het vertrouwensbeginsel en gaat in tegen hetgeen hij in dat kader mocht verwachten. De afwijzing van zijn verzoek om getuigen te horen gaat volgens verzoeker in tegen heersende jurisprudentie.

7.9.

De rechtbank beaamt dat een onbegrijpelijke beslissing van de rechter voeding kan geven aan een vrees van vooringenomenheid. Van een onbegrijpelijke beslissing kan echter geen sprake zijn wanneer die beslissing inhoudelijk is gemotiveerd met argumenten die op zichzelf correct zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dat in casu het geval ten aanzien van beide procesbeslissingen van de meervoudige strafkamer. Beide procesbeslissingen zijn genomen na kennisname van de standpunten van beide partijen. De meervoudige strafkamer heeft zich vervolgens teruggetrokken om zich over het betreffende vraagstuk te beraden. Aan beide beslissingen ligt een inhoudelijke motivering ten grondslag. Beide motiveringen gebruiken argumenten die op zichzelf correct zijn althans die door verzoeker niet worden aangemerkt als onjuist of irrelevant. Ook heeft de meervoudige strafkamer gemotiveerd waarom de onderhavige strafzaak afwijkt van de door verzoeker aangehaalde uitspraken van andere gerechten. Het standpunt van verzoeker komt erop neer dat hij op basis van alle feiten en argumenten een andere uitkomst van de beraadslaging had verwacht, maar dat maakt de beslissingen van de meervoudige strafkamer naar objectieve maatstaven nog niet onbegrijpelijk. Voor een nieuwe afweging van dezelfde feiten en argumenten in deze strafzaak kan verzoeker gebruik maken van het rechtsmiddel hoger beroep.

7.10.

Uit voorgaande overwegingen volgt dat de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid van de meervoudige strafkamer niet objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank kan verzoeker niet volgen in zijn standpunt dat de twee procesbeslissingen van de meervoudige strafkamer zijn beïnvloed door de inhoud van de beschikking van 4 april 2017 van de strafraadkamer waarbij het Openbaar Ministerie in wezen de opdracht heeft gekregen om de lopende strafzaak tegen verzoeker voort te zetten. De meervoudige strafkamer was in de positie om zijn beslissingen in onafhankelijkheid van die beschikking te nemen en heeft dat blijkens de gegeven motiveringen van zijn beslissingen ook gedaan. Dat verzoeker een andere uitkomst had verwacht, is op zichzelf geen reden om die gemotiveerde beslissingen aan te merken als onbegrijpelijk. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

8. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer [nummer] , gevoegd met de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die is opgelegd in de zaak met parketnummer [nummer] , zal worden voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond ten tijde van de schorsing als gevolg van de indiening van dit wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven op 28 juli 2017 door mrs. Poerink, van Kralingen en van Roij, in aanwezigheid van mr. de Baar, griffier, en in het openbaar uitgesproken.