Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5129

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-08-2017
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
BRE 17_5337 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting horeca-inrichting i.v.m. ontbreken exploitatievergunning. Verzoek voorlopige voorziening afgewezen.

Burgemeester bevoegd om handhavend op te treden. Geen concreet zicht op legalisering. Aanvraag is weliswaar ingediend, maar twijfel of vergunning kan worden verleend gelet op vondst vuurwapens in horeca-inrichting in mei 2017. Burgemeester mag redelijkerwijs vermoeden (gelet op gering tijdsverloop en familieband) dat het zakelijk samenwerkingsverband met de voormalig exploitant feitelijk niet is beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/5337 WET VV

uitspraak van 8 augustus 2017 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

De Mix B.V., te Vlissingen, verzoekster,

gemachtigde: mr. H.M. Dunsbergen,

en

de burgemeester van de gemeente Vlissingen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juli 2017 (bestreden besluit) van de burgemeester inzake het opleggen van een last onder bestuursdwang strekkende tot sluiting van haar horeca-inrichting ‘De Mix’ te Vlissingen. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 3 augustus 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.J. van Rijsbergen (kantoorgenoot gemachtigde) en [naam directeur] (directeur/bestuurder). [naam belanghebbende] was ook ter zitting aanwezig.

De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A. Bode en E. van der Mark.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteert een horeca-inrichting ‘De Mix’ aan de Smalle Kade 1 te Vlissingen. Tot 28 juni 2017 werd de inrichting bestuurd door [naam belanghebbende]. Bij brief van 19 juni 2017 heeft de burgemeester [naam belanghebbende] gewezen op zijn vergunningplicht ingevolge de Algemene plaatselijke verordening (APV) en heeft de burgemeester gemeld dat het op grond van onlangs ontvangen politie-informatie zeer twijfelachtig is of hij bereid zou zijn een exploitatievergunning aan hem te verlenen. De burgemeester heeft [naam belanghebbende] dringend verzocht om zijn inrichting per direct te sluiten en gesloten te houden voor het publiek.

Op 28 juni 2017 heeft [naam belanghebbende] het bestuur van De Mix B.V. overgedragen aan zijn vader [naam directeur] en is [naam belanghebbende] uitgetreden uit de B.V. Verzoekster heeft op 5 juli 2017 een aanvraag voor een exploitatievergunning ingediend inclusief de bijbehorende Bibob-vragenformulieren.

Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoekster gelast om haar horeca-inrichting uiterlijk op 29 juli 2017 te sluiten en gesloten te houden voor het publiek. De burgemeester heeft daarbij vermeld dat, wanneer verzoekster niet zelf aan de last voldoet, hij het pand met toepassing van bestuursdwang zal laten afsluiten. De burgemeester heeft in het bestreden besluit naar aanleiding van de ingediende aanvraag exploitatievergunning overwogen dat hij op dit moment nog geen weg naar legalisering/vergunningverlening ziet gezien de recente vuurwapenvondst, het zakelijk samenwerkingsverband met [naam belanghebbende] en het feit dat [naam belanghebbende] op het moment van de vuurwapenvondst de verantwoording had over De Mix B.V.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met de wet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekster stelt dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit niet is uitgegaan van de juiste feiten en omstandigheden. De burgemeester is er volgens verzoekster ten onrechte van uitgegaan dat de vuurwapenvondst, het samenwerkingsverband met [naam belanghebbende] en de door hem gevoerde bedrijfsvoering in de weg staan aan het verstrekken van een exploitatievergunning.

Verzoekster wijst erop dat het bestreden besluit feitelijk inhoudt dat verzoekster de deuren van haar horeca-inrichting moet sluiten en dat het gezin van [naam directeur] hierdoor zijn bron van inkomsten verliest. Zij heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht – primair – om het bestreden besluit te schorsen en – subsidiair – om een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

4.1.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt op grond van artikel 125, derde lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

4.2.

Ingevolge artikel 2:24, eerste lid, van de APV is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster niet over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:24, eerste lid, van de APV beschikt en dat verzoekster dus met de exploitatie van haar horeca-inrichting ‘De Mix’ de APV overtreedt. Dat betekent dat de burgemeester ten tijde van het bestreden besluit bevoegd was om tot handhaving over te gaan.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Vaststaat dat verzoekster inmiddels een aanvraag voor een exploitatievergunning heeft ingediend. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat die aanvraag nog niet compleet is, nu er nog geen verklaring omtrent het gedrag (VOG) is overgelegd. Dat heeft verzoekster bevestigd; zij heeft inmiddels wel een VOG aangevraagd (vorige week) maar daarop is nog niet beslist. De burgemeester heeft verder toegelicht dat daarnaast nog een onderzoek in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur (Wet Bibob) zal plaatsvinden. De voorzieningenrechter leidt uit het bestreden besluit en hetgeen ter zitting is besproken af dat de burgemeester op voorhand grote twijfels heeft of na dit onderzoek een vergunning kan worden verleend.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 13 februari 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC4246) in een vergelijkbare situatie overwogen dat in het algemeen geen concreet zicht op legalisatie bestaat indien een bestuursorgaan twijfelt aan de integriteit van een vergunningaanvrager en zijn zakelijke relaties.

De twijfel van de burgemeester is blijkens het bestreden besluit gelegen in het feit dat de politie op 24 mei 2017 twee vuurwapens heeft gevonden in de horeca-inrichting en het feit dat op dat moment [naam belanghebbende] de verantwoording had over de horeca-inrichting. Reeds vanwege het geringe tijdsverloop en de familieband tussen vader en zoon [familienaam betrokkenen] mag de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs vermoeden dat het zakelijk samenwerkingsverband met [naam belanghebbende], ondanks het feit dat hij zich formeel als directeur/aandeelhouder uit de vennootschap heeft teruggetrokken, feitelijk niet is beëindigd. De burgemeester heeft daar ter zitting nog bijkomende omstandigheden aan toegevoegd, zoals het feit dat ook [naam directeur] in het kader van het wapenbezit als verdachte is gehoord en dat [naam directeur] en [naam belanghebbende] tot voor kort samen nog een vennootschap onder firma leidden: H.U.D. Dienstverlening te Goes.

Gelet op het voorgaande mag de burgemeester naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aannemen dat er op dit moment nog onvoldoende concreet zicht is op legalisatie.

De voorzieningenrechter ziet voorts in de bezwaargronden, onder de gegeven omstandigheden, geen aanleiding om verzoekster hangende de bezwaarprocedure toe te staan om de exploitatie van haar horeca-inrichting zonder vergunning voort te zetten. Dat de sluiting van de horeca-inrichting financiële gevolgen voor het gezin van [naam directeur] heeft moge duidelijk zijn maar de burgemeester heeft die voor rekening van verzoekster kunnen laten. De inrichting werd door verzoekster zonder vergunning geëxploiteerd; daarmee heeft verzoekster zelf een risico genomen. Verder mocht de burgemeester, zoals ter zitting nader is toegelicht, een groot gewicht toekennen aan het voorkomen van openbare-orde problemen nu er kennelijk door iemand aanleiding is gezien om wapens te hebben in de horeca-inrichting van verzoekster die ook in de nachtelijke uren open is.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.