Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5122

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
AWB 17_4231
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college heeft bij het bestreden besluit de aanvraag omgevingsvergunning van eiser afgewezen. Eiser had gevraagd om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de functie van een bestaand pand (een kinderdagverblijf met kantoren) tot 15 woningen voor begeleid (zorg)wonen en een kantoorfunctie.

Partijen (eiser, de RIBW, het college, ouders van kinderen op de naastgelegen school en de basisschool zelf) verschillen van mening over de vraag of de aanvraag in strijd is met de in het bestemmingsplan ‘Zand 2008’.

De rechtbank is met het college en eiser van oordeel dat deze vorm van begeleid (zorg)wonen met 24 uurszorg rechtstreeks valt onder de bestemming ‘maatschappelijk’. De rechtbank is het niet eens met het college dat er sprake is van strijdigheid met artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels. Aangezien het bouwplan niet strijdig is met het bestemmingsplan was het college gelet op het in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo neergelegde limitatief-imperatieve stelsel gehouden om de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het college ten onrechte heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. De omgevingsvergunning wordt verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/4231 WABOA

uitspraak van 10 augustus 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. B.F.J. Bollen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder.

Als derde partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. de stichting Xpect Primairte Tilburg, met gemachtigde: mr. E. van der Kolk.

2. ouders van kinderen op basisschool Jeanne d’Arc [naam belanghebbende x166]

3. de Stichting RIBW Brabant (RIBW)te Tilburg.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 mei 2017 (bestreden besluit) van het college inzake het (alsnog) weigeren van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de functie van het pand [adres1]

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 29 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. B.F.J. Bollen en [naam vertegenwoordiger1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.C.J.M. Willemse en mr. J.M.B. van Overdijk.

De stichting Xpect Primair heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde mr. E. van der Kolk, [naam vertegenwoordiger2] , [naam vertegenwoordiger3] en [naam vertegenwoordiger4] .

De volgende ouders zijn verschenen: [naam belanghebbende x19]

De RIBW heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger5] , [naam vertegenwoordiger6] en mr. D. van den Broek.

Overwegingen

1. Feiten

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 19 juni 2016 heeft eiser een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van de functie van het pand [adres1] . Beoogd is het bestaande pand (een kinderdagverblijf met kantoren) te verbouwen tot 15 woningen voor begeleid (zorg)wonen en een kantoorfunctie.

Bij besluit van 6 september 2016 heeft het college de gevraagde vergunning geweigerd

vanwege strijdigheid met de volgens het bestemmingsplan “Zand 2008” geldende bestemming ‘maatschappelijk’ en met de overweging dat geen medewerking wordt verleend om af te wijken van het bestemmingsplan.

Tegen dat besluit heeft eiser bij brieven van 27 september 2016 van 17 oktober 2016 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 januari 2017 (primair besluit) is de gevraagde vergunning alsnog verleend en wordt het besluit van 6 september 2016 ingetrokken en vervangen. Volgens het college is het beoogde gebruik overeenkomstig de te plaatse vigerende bestemming ‘maatschappelijk’ met letteraanduiding ‘z’. Het college is van mening dat er wel strijd is met artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels, waarin staat dat het gebruik van de gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ‘maatschappelijk’ in elk geval wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning. Bij het beoogde gebruik is sprake van bewoning. Het college ziet aanleiding om de omgevingsvergunning te verlenen door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) juncto artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) juncto artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor. Hierbij heeft het college overwogen dat niet gesteld kan worden dat het beoogde gebruik zich niet verdraagt met andere functies/voorzieningen in de onmiddellijke omgeving. Het college is van oordeel dat met het vestigen van het begeleid wonen op het perceel [adres1] sprake blijft van een evenwichtige verspreiding van maatschappelijk gevoelige voorzieningen in Tilburg.

Tegen het primaire besluit hebben onder andere de stichting Xpect Primair en ouders van de

naastgelegen basisschool bezwaar gemaakt. Eiser heeft zijn bezwaar tegen het besluit van 6 september 2016 niet ingetrokken.

Bij het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat er geen strijd is met de bestemming ‘maatschappelijk’, want het beoogde gebruik valt onder welzijnsvoorzieningen. Wel is er strijd met artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels. Naar de mening van het college is er ondanks het feit dat de zorgcomponent de overhand heeft ook sprake van bewoning. Het college ziet geen aanleiding om de omgevingsvergunning te verlenen door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2º, van de Wabo juncto artikel 2.7 van het Bor juncto artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor. Volgens het college dienen de belangen van onder andere de (ouders van) kinderen op basisschool en de basisschool zelf te prevaleren boven de belangen van vergunninghouder. Het college heeft daarbij aangegeven dat er sprake is van een wisselende samenstelling van te huisvesten patiënten, zodat omwonenden en leerlingen geconfronteerd worden met voortdurend andere bewoners met een wisselend klachtenpatroon en wellicht onvoorspelbaar gedrag. Verder heeft het college erop gewezen dat er reeds veel druk op de wijk ligt.

2. Versnelde behandeling

Eiser heeft beroep ingediend tegen het bestreden besluit. Tevens heeft eiser een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek is ingetrokken nadat van de zijde van de rechtbank is medegedeeld dat het beroep versneld zou worden behandeld. De rechtbank heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 8:52, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ter zitting is gebleken dat het belang van eiser niet voldoende spoedeisend is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen. Partijen zijn hierdoor evenwel niet benadeeld. De rechtbank zal de zaak verder op de gewone wijze behandelen door thans uitspraak te doen.

3. Belanghebbendheid

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2 van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Hierbij is van belang dat het belang van betrokkene(n) zich op enigerlei wijze onderscheidt ten opzichte van belangen van andere personen.

Eiser heeft als eigenaar van het perceel en aanvrager van de omgevingsvergunning een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit. Eiser heeft het perceel aangekocht ten behoeve van de realisatie van een begeleid (zorg)wonenproject van de RIBW. Het belang van de RIBW is daarmee zodanig verweven met dat van eiser dat de stichting kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Ook de stichting Xpect Primair kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De basisschool Jeanne d’Arc grenst aan het onderhavige perceel waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd en thans is geweigerd. De stichting Xpect Primair, vertegenwoordigt deze basisschool en heeft derhalve een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit.

Wat betreft de ouders die schoolgaande kinderen hebben die staan ingeschreven bij de basisschool Jeanne d’Arc is de rechtbank van oordeel dat hun belangen voldoende individueel bepaalbaar zijn. Het begeleid (zorg)wonenproject waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd is direct gelegen naast de basisschool van hun kinderen. Het project kan effect hebben op het leefklimaat voor hun kinderen. Het belang dat zij als ouders hebben bij het behoud van een gezond leefklimaat voor hun kinderen is voldoende onderscheidend ten opzichte van het belang van andere personen. Hun belang is daarmee rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL2774. Het college heeft hen terecht als belanghebbenden aangemerkt.

4. Wettelijk kader

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo bepaalt -voor zover van belang-, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk en (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet een omgevingsvergunning worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - het bouwbesluit (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) of de redelijke eisen van welstand (d).

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2º, van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor komen voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein (…).

5. Beoordelingskader

5.1

Partijen verschillen (primair) van mening over de vraag of de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het verbouwen en gebruiken van het pand aan de [adres1] al dan niet past binnen het bestemmingsplan “Zand 2008”. Alvorens inhoudelijk op deze vraag in te gaan overweegt de rechtbank het volgende.

De gronden voor weigering van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk zijn limitatief en imperatief opgesomd in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. In deze zaak is enkel de weigeringsgrond dat er strijd is met het bestemmingsplan in geschil.

Het limitatief-imperatieve stelsel houdt in dat als de bouwaanvraag voldoet aan de regels uit het bestemmingsplan, zoals eiser stelt, het college gehouden is een omgevingsvergunning te verlenen. Dan is er geen ruimte voor een belangenafweging. Deze belangenafweging wordt namelijk geacht te hebben plaatsgevonden bij de procedure voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Voldoet de bouwaanvraag niet aan de regels uit het bestemmingsplan, zoals onder meer het college stelt, dan moet het college op basis van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo onderzoeken of vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo al dan niet mogelijk is. Onderdeel van dat onderzoek is dat er een belangenafweging plaatsvindt. Het college heeft de belangen van onder andere de ouders van kinderen op basisschool en de basisschool zelf zwaarder laten wegen dan de belangen van eiser en de RIBW. Het college heeft daarom geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2º, van de Wabo juncto artikel 2.7 van het Bor juncto artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank komt pas aan een beoordeling van deze belangenafweging toe wanneer de aangevraagde omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.

6. Bestemmingsplan

Op het perceel [adres1] vigeert het bestemmingsplan ‘Zand 2008” (het

bestemmingsplan). Blijkens de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding rust op het perceel de bestemming ‘maatschappelijk’ met de lettertekenaanduiding ‘z’. De op de plankaart voor ‘maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn op grond van artikel 9.1.1 onder a, bestemd voor maatschappelijke instellingen. Op grond van artikel 9.1.2, onder e, zijn de voor ‘maatschappelijk’ aangewezen gronden met de letteraanduiding ‘z’ mede bestemd voor de functies zorg en dienstverlening (zakelijk en persoonlijk).

Ingevolge artikel 9.5.1 van de planregels is het verboden de in deze bestemming begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming, behoudens ontheffingen die op grond van deze regels zijn verleend.

In artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in 9.5.1 strijdig met de bestemming ´Maatschappelijk´, in elk geval wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning.

Ingevolge artikel 1.73 van de planregels wordt onder ´maatschappelijke instellingen´ verstaan:

a. sociaal-culturele voorzieningen zoals schouwburg, theater, buurt- en clubhuis, sociëteit, bibliotheek, volksuniversiteit, e.d.;

b. culturele voorzieningen zoals musea, atelierruimten voor kunstenaars e.d;

c. medische of paramedische voorzieningen, zoals ziekenhuis c.a., kliniek, gezondheidscentrum, centrum voor dagbehandeling, consultatiebureau, e.d.;

d. welzijnsvoorzieningen, zoals verzorgingstehuis c.a., verpleeghuis, inrichtingen voor geestelijk en/of lichamelijk gehandicapten, tehuis voor daklozen, e.d.;

e. educatieve voorzieningen, zoals basis-, voortgezet en wetenschappelijk onderwijs, beroepsonderwijs, kunstonderwijs, muziekschool, volksuniversiteit, cursuscentrum, onderwijsinstituten t.b.v. specifiek onderwijs e.d.;

f. voorzieningen t.b.v. kinderopvang zoals kindercrèche, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en (naschoolse) kinderopvangcentrum, al dan niet commercieel;

g. openbare en bijzondere instellingen waaronder overheidsinstellingen zoals stadskantoren, politiekantoor, brandweerkazerne e.d.

Tot maatschappelijke instellingen worden niet gerekend de zogenaamde ´andere gezondheidszorggebouwen´ (blijkens hun constructie en inrichting bestemd voor doeleinden van medische verpleging, verzorging of behandeling dan wel van medisch onderzoek) zoals bedoeld in de Wet Geluidhinder en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen.

Ingevolge artikel 1.116 van de planregels wordt onder ´wonen´ verstaan:

a. het geheel van aan huis gebonden activiteiten van huishoudens die plaatsvinden in al dan niet gestapelde woningen, al dan niet zelfstandige wooneenheden, woongebouwen e.d. annex tuin en directe omgeving, ten dienste van het verblijven door mensen. Niet tot wonen behoort het verblijf in recreatieve dagverblijven;

b. studentenhuisvesting, huisvesting van ouderen, verzorgingstehuis, gezinsvervangende huisvesting en dergelijke, alsmede bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen (en ruimten) c.q. verzorgingsfaciliteiten;

c. beroepsactiviteiten die kunnen worden beschouwd als ´aan huis verbonden beroep´, zijnde beroepsactiviteiten van tenminste één bewoner, plaatsvindend in de betrokken woning.

In artikel 1.121 van de planregels wordt onder zorg- en dienstverlening (persoonlijk en zakelijk) verstaan:

a. persoonlijke zorg- en dienstverlening die niet kan worden aangemerkt als sociale c.q. welzijnsvoorziening en niet of niet alle kenmerken heeft van beroep aan huis. Hiertoe worden gerekend: huisartsenpraktijk, tandartsenpraktijk, praktijk voor fysiotherapie, kinderopvangcentrum, kapsalon, pedicure, manicure, massagesalon, tattooshop, schoonheidssalon, zonnestudio e.d.;

b. kleinschalige zakelijke (commerciële) dienstverlening die niet of niet alle kenmerken heeft van beroep aan huis. Hiertoe worden gerekend: uitzendbureau, kleine bank / postkantoor (postagentschap), assurantiekantoor, copy-shop, notariskantoor, makelaarskantoor, advocatenkantoor, architectenbureau, deurwaarderskantoor, hypotheek verstrekkers en -adviseurs, etc.

7. Beoordeling strijd met het bestemmingsplan

7.1

standpunt college

Het college heeft zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat tijdens de hoorzitting door de RIBW naar voren is gebracht dat de bedoeling is een (steeds) wisselende groep patiënten in het betrokken pand onder te brengen. Daarbij is het college duidelijk geworden dat het hoe dan ook om patiënten gaat, die vallen binnen het spectrum van de opvang van de RIBW, namelijk bewoners met een intensieve begeleidingsbehoefte. Hierbij is sprake van intensieve zorg, zodat het thans beoogde gebruik van het pand [adres1] niet in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming ‘maatschappelijk’, met de letteraanduiding ‘z’, omdat die bestemming onder meer ziet op maatschappelijke instellingen. Het gaat bij de door de RIBW te huisvesten patiënten op begeleide zorg, zodat de zorgcomponent de overhand heeft. Volgens het college valt het thans beoogde gebruik onder welzijnsvoorzieningen, zoals genoemd in artikel 1.73, aanhef en onder d, van de planregels.

Vervolgens constateert het college dat er anderszins sprake is van strijdigheid met het

bestemmingsplan, te weten met artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels, waarin is bepaald dat tot een gebruik van gronden en bouwwerken strijdig met de bestemming ‘maatschappelijk’ in elk geval wordt gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning. Er is sprake van een innerlijk tegenstrijdigheid omdat het maatschappelijke instellingen zoals verpleeghuizen toelaat, waarvan bewoning vanzelfsprekend onderdeel uit maakt. Naar de mening van het college is er, ondanks het feit dat de zorgcomponent de overhand heeft, ook sprake van bewoning. Ondanks dat artikel 9.1.3 van de planregels lijkt te suggereren dat bewoning is toegestaan, vindt het college dat artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels hieraan in de weg staat.

7.2

standpunt eiser

Volgens eiser is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorgenomen activiteit binnen de bestemming “maatschappelijk” met de letteraanduiding “z” past. Het college stelt zich evenwel ten onrechte op het standpunt dat vanwege de omstandigheid dat het een intramurale voorziening betreft er sprake is van strijd met deze bestemming, omdat er in de ogen van het college sprake is van ‘wonen”. Eiser is van oordeel dat, indien en voor zover het een woonzorgvoorziening betreft waarbij het zorgaspect overheerst, zoals in casu, er geen sprake is van strijdigheid met de bestemming ‘maatschappelijk”, omdat onderdeel van de intramurale voorziening een woonaspect is. Dit woonaspect is immers ondergeschikt aan het zorgaspect. In lijn met de rechtspraak van de AbRS moet geoordeeld worden dat, indien en voor zover er sprake is van een intramurale zorg, waarvoor, zoals in casu, een indicatie noodzakelijk is, deze activiteit onder de bestemming “maatschappelijk” valt en er geen sprake is van wonen in de zin van het bestemmingsplan.

Dat in het bestemmingsplan met de bestemming ‘maatschappelijk’ ook bedoeld is te

voorzien in een intramurale voorziening als de onderhavige, blijkt uit het feit dat in de

bestemmingsplanbepalingen in artikel 9.1.3 is opgenomen dat de op de plankaart voor ‘maatschappelijk’ aangewezen gronden tevens bestemd zijn voor algemene voorzieningen ten behoeve van medische en paramedische voorzieningen, zoals mortuarium, geestelijke voorziening, de huisvesting ten behoeve van verplegend personeel, Ronald McDonald-huis e.d.. Indien en voor zover er voor een intramurale voorziening als de onderhavige voor het aspect “wonen” nog een aparte planologische voorziening getroffen moet worden vanwege het feit dat de patiënten ter plaatse wonen, is niet te verklaren dat het bestemmingsplan bij de als maatschappelijk aangewezen gronden de huisvesting van verplegend personeel en de tijdelijke huisvesting van ouders in een Ronald McDonald-huis wél toelaat, terwijl voor de patiënten zelf een specifiek besluit genomen zou moeten worden om het wonen ter plaatse toe te laten, aldus eiser.

7.3

standpunt stichting Xpect Primair

Volgens de stichting Xpect Primair wordt eraan voorbij gegaan dat de letteraanduiding ‘z’ een beperkende werking heeft op het bestemmingsvlak ‘maatschappelijk’. Hierbij wordt verwezen naar punt 5.2.2 van de toelichting van het bestemmingsplan. De letteraanduiding ‘z’ zorgt ervoor dat de maatschappelijke bestemming wordt beperkt tot een bestemming voor zorg- en dienstverlening van persoonlijke en zakelijke aard, die niet als sociale c.q. welzijnsvoorziening kan worden aangemerkt. Door deze letteraanduiding is geen enkele woonvoorziening of verblijfsvoorziening toegestaan, aldus de stichting Xpect Primair.

7.4

oordeel rechtbank

7.4.1

De rechtbank overweegt dat op de betreffende locatie cliënten van de RIBW zullen verblijven. Het betreft een beschermde woonomgeving met specifieke begeleiding met 24 uurszorg op de locatie. Er is 24 uur per dag (minimaal) een medewerker van de RIBW aanwezig voor begeleiding en toezicht. Het kantoor is daartoe uitgerust met een slaapmogelijkheid. De cliënten van de RIBW hebben een intensieve begeleidingsbehoefte. De wooncomponent is ondergeschikt aan de zorgcomponent. De cliënten zijn niet in staat om zelfstandig woonachtig te zijn. De begeleiding, die de medewerkers van de RIBW bieden, betreft onder meer ondersteuning bieden in het opbouwen van dagritme, het overwinnen van specifieke problemen en sociale activering. Er vindt door de medewerkers van de RIBW geen behandeling plaats. Het doel is de cliënten op termijn in staat te stellen zelfstandig te wonen. De cliënten hebben voor deze vorm van begeleiding een indicatie op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Wanneer de WMO-indicatie eindigt, kan iemand niet langer in de beschermde woonomgeving met begeleiding verblijven.

De rechtbank is met het college en eiser van oordeel dat deze vorm van begeleid (zorg)wonen met 24 uurszorg rechtstreeks valt onder de bestemming ‘maatschappelijk’. Ingevolge de bestemming ‘maatschappelijk’ zijn maatschappelijke instellingen toegelaten. Onderhavige RIBW-voorziening valt onder de begripsbepaling van artikel 1.73, onder d, van de planregels, inhoudende welzijnsvoorzieningen, zoals verzorgingstehuis c.a., verpleeghuis, inrichtingen voor geestelijk en/of lichamelijk gehandicapten, tehuis voor daklozen, e.d..

De rechtbank kan het standpunt van de stichting Xpect Primair niet volgen dat de letteraanduiding ‘z’ een beperkende werking heeft en dat daardoor elke vorm van wonen of verblijven op de locatie niet is toegestaan. Op grond van artikel 9.1.2, onder e, van de planregels zijn de voor ‘maatschappelijk’ aangewezen gronden met de letteraanduiding ‘z’ uitdrukkelijk mede bestemd zorg en dienstverlening. De vorm van begeleid wonen die de RIBW op deze locatie wil bieden is derhalve op basis van artikel 9.1.1 juncto artikel 1.73, onder d, van de planregels toegestaan.

7.4.2

De rechtbank is verder van oordeel dat er geen sprake is van strijdigheid met artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels. De uitleg die het college aan deze bepaling geeft, acht de rechtbank onjuist. De rechtbank overweegt hierbij dat deze bepaling gelezen dient te worden in combinatie met artikel 9.5.1 van de planregels. Ingevolge artikel 9.5.1 van de planregels is het verboden de in deze bestemming begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming (…). Artikel 9.5.2 van de planregels bevat vervolgens situaties van gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in 9.5.1, die in elk geval strijdig worden geacht met de bestemming ´maatschappelijk´. De rechtbank ziet deze bestemmingsplansystematiek ook terug in de bestemming ‘Bedrijf-Binnenwijks’. Ingevolge artikel 3.1.2, onder i, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding ‘dw’ bestemd als dienstwoning. De artikelen 3.5.1 en 3.5.2, aanhef en onder a, van de planregels zijn gelijkluidend aan artikel 9.5.1 en 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels. Indien de redenering van het college gevolgd zou worden, zou overal waar de planwetgever bewust een dienstwoning toestaat vervolgens de bewoning van de dienstwoning worden gezien als strijdig gebruik. De rechtbank legt de artikelen 3.5.1 en 3.5.2, aanhef en onder a, van de planregels derhalve aldus uit dat als strijdig gebruik moet worden beschouwd elke vorm van bewoning tenzij er sprake is van de aanduiding ‘dw’ en er dus sprake is van een toegestane dienstwoning. Voor de onderhavige situatie betekent dit dat elke vorm van bewoning anders dan die valt onder de bestemming ‘maatschappelijk’ als strijdig gebruik dient te worden aangemerkt. Reeds hierom is er geen sprake van strijd met artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat deze vorm van begeleid (zorg)wonen niet valt onder de in artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels genoemde term bewoning. De cliënten van de RIBW zijn niet in staat om zelfstandig te wonen. Er is 24 uurszorg en professionele begeleiding aanwezig. Gelet op de mate van begeleiding die de cliënten krijgen, ligt de nadruk van het verblijf op zorg. Het verblijf in het woongebouw kan daarvan niet los worden gezien. Er is sprake van zorg met verblijf waarvoor een WMO-indicatie vereist is. Het verblijf in het woongebouw eindigt, zodra de daartoe afgegeven WMO-indicatie wordt ingetrokken. Aangezien er zonder WMO-indicatie niet in het woongebouw mag worden verbleven en er sprake is van intensieve begeleiding bij het wonen kan niet worden gesproken van bewoning in de zin van artikel 9.5.2, aanhef en onder a, van de planregels.

Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de bouwaanvraag voldoet aan de bepalingen van het bestemmingsplan.

8. Aangezien het bouwplan niet strijdig is met het bestemmingsplan was het college gelet op het in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo neergelegde limitatief-imperatieve stelsel gehouden om de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het college ten onrechte heeft geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit van 16 januari 2017 wordt herroepen voor zover het college de omgevingsvergunning heeft verleend onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2º, van de Wabo juncto artikel 2.7 van het Bor juncto artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor. Dit heeft tot gevolg dat de gevraagde omgevingsvergunning op basis van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt verleend en de eerdere weigering (van 6 september 2016) ingetrokken blijft. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarin de omgevingsvergunning is verleend op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 2º, van de Wabo juncto artikel 2.7 van het Bor juncto artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II van het Bor en bepaalt dat de omgevingsvergunning wordt verleend op basis van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.