Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5083

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
25-10-2017
Zaaknummer
AWB 17_357
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/357 PW

uitspraak van 10 augustus 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Bajrami,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 december 2016 (bestreden besluit) van het college inzake het opleggen van een maatregel.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 27 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon1] .

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt een bijstandsuitkering.

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser van 1 maart 2016 tot 1 april 2016 verlaagd met 50% van de bijstandsnorm. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser maar één aantoonbare sollicitatie heeft verricht in vier maanden tijd en daardoor niet naar vermogen inspanningen verricht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Eiser heeft rechtsmiddelen ingesteld tegen het besluit van 22 maart 2016. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een uitspraak van de rechtbank van 22 december 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:8239). Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Eiser heeft op 29 september 2016 een voortgangsgesprek gehad met zijn re-integratiecoaches.

Bij besluit van 10 oktober 2016 (primair besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser verlaagd met 50% van de bijstandsnorm, over de periode van 1 oktober 2016 tot 1 december 2016. Volgens het college heeft eiser onvoldoende gesolliciteerd. Het college heeft de periode van de verlaging verdubbeld, omdat dit de tweede keer is in een jaar dat eiser zich niet aan de verplichtingen heeft gehouden.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. Het college stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Eiser heeft meerdere gesprekken gehad met zijn re-integratiecoach. Bij elk gesprek is hij gewezen op zijn sollicitatieverplichting. Niet kan worden gesteld dat eiser niet op de hoogte is van het feit dat hij sollicitaties moet verrichten en dat het enkel zoeken naar vacatures niet voldoende is. Eisers uitkering is namelijk al eens verlaagd bij besluit van 22 maart 2016, omdat hij zijn sollicitatieverplichting niet was nagekomen. Er is geen aanleiding om af te zien van de verlaging van de uitkering voor de duur van twee maanden.

3. Eiser voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Hij heeft voldoende inspanningen verricht om werk te vinden. Hij heeft 69 sollicitatieactiviteiten verricht in de periode van 11 februari 2016 tot en met 22 september 2016. Er is geen quotum afgesproken over het aantal sollicitaties die hij maandelijks dient te verrichten. Eiser beroept zich op de inkeerregeling. Hij heeft zich aan alle afspraken gehouden. Hij heeft een zodanige gedragsverandering laten zien, dat dit aanleiding zou moeten geven om de opgelegde maatregel te herzien.

Opleggen maatregel

4. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser te weinig heeft gesolliciteerd. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het dan gaat over de periode van 22 maart 2016 tot en met 10 oktober 2016.

5. Tussen partijen is niet in geding dat eiser in die periode een aantal sollicitatieactiviteiten heeft verricht (het zoeken naar vacatures) en één keer concreet heeft gesolliciteerd. Het gaat in deze zaak om de vraag of het eiser duidelijk had kunnen zijn dat hij meer dan één keer had moeten solliciteren.

De rechtbank is van oordeel dat eiser dit inderdaad had kunnen weten. Ten eerste is aan eiser bij besluit van 22 maart 2016 al een maatregel opgelegd, omdat hij één sollicitatie had verricht in vier maanden en het college dit te weinig vond. Ten tweede is op 7 juni 2016 tegen eiser gezegd dat er van hem ‘meer’ sollicitaties worden verwacht die hij ook daadwerkelijk uitvoert.

6. Door slechts één keer te solliciteren in een periode van ruim zes maanden heeft eiser niet voldaan aan zijn sollicitatieplicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de bijstandsuitkering van eiser dan ook op goede gronden verlaagd met 50% van de bijstandsnorm, over de periode van 1 oktober 2016 tot 1 december 2016.

Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, artikel 18, tweede lid, en artikel 8, eerste lid, van de Participatiewet, in samenhang met artikel 9, aanhef en derde lid, artikel 10, aanhef en onder c, en artikel 17, eerste lid, van de ‘Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet 2015’ van de gemeente Breda.

Inkeerregeling

7. Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 18, derde lid, van de Participatiewet. Volgens eiser heeft hij een zodanige gedragsverandering laten zien dat er aanleiding bestaat om de opgelegde maatregel te herzien. Het college vindt van niet, omdat eiser zich niet aan alle afspraken zou hebben gehouden.

8. Op grond van artikel 18, derde lid, van de Participatiewet heroverweegt het college een besluit tot afstemming van de uitkering, binnen een door het college te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt.

Het gaat dan om een beperkte heroverweging met als doel vast te stellen of een belanghebbende blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte of duur bij te stellen.

9. De rechtbank stelt vast dat er met eiser afspraken zijn gemaakt, die zijn neergelegd in een brief van 31 oktober 2016:

  1. Stuurt sollicitatiebrief door die u naar werkgevers verstuurt. Dit kan naar mailadres: [mailadres van de re-integratiecoach]

  2. Stuurt een aantal sollicitaties door die u heeft gedaan. Dit kan naar mailadres: [mailadres van de re-integratiecoach]

  3. Solliciteert 5 x per week

  4. Benadert 1 uitzendbureau per week

  5. Alle sollicitaties schrijft u op papier met contactpersoon, datum, vacature en eventuele reactie. Dit overzicht neemt u mee naar de gesprekken met [de re-integratiecoach]

Ook staat in deze brief dat de resultaten van bovenstaande acties wekelijks besproken worden tijdens het gesprek met de re-integratiecoach.

Uit het dossier blijkt dat eiser zich voor de gesprekken op 8 november 2016 en 22 november 2016 niet heeft gehouden aan afspraken 1 en 2. Voor het gesprek op 22 november 2016 heeft eiser zich bovendien niet gehouden aan afspraak 5.

10. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de gedragsverandering betrekking heeft op het verrichten van sollicitaties. Volgens eiser is de essentie van de gemaakte afspraken dat hij vijf sollicitaties per week verstuurt en één keer per week naar een uitzendbureau gaat. Dit is de gedragsverandering waar het om gaat en eiser is van mening dat hij daaraan heeft voldaan.

11. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. Vóór het opleggen van de maatregel hield eiser zich niet aan gemaakte afspraken en dit gedrag heeft hij na het opleggen van de maatregel voortgezet. De omstandigheid dat het nu gaat om het niet nakomen van andere afspraken dan vóór het opleggen van de maatregel, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een zodanige gedragsverandering dat het college aanleiding had moeten zien om de maatregel in zwaarte of duur bij te stellen.

Conclusie

12. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.