Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5079

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-08-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
5747036 OV VERZ 17-1304
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Curanda is in november 2015 in gemeenschap van goederen gehuwd, waarna zij in januari 2016 een nieuw testament heeft opgemaakt en daarin haar beide dochters en haar kleinkinderen bij plaatsvervulling heeft uitgesloten als erfgenamen. In plaats daarvan is de echtgenoot als enig erfgenaam benoemd. In september 2016 is curanda onder curatele gesteld vanwege haar geestelijke stoornis. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2016 is het huwelijk tussen curanda en echtgenoot nietig verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2016:7669). Hiertegen is hoger beroep aangetekend.

Curator vraagt machtiging van de kantonrechter om het testament van curanda te herroepen ex artikel 4:55 lid 2 BW, althans het daartoe te leiden dat het opgemaakte testament zijn kracht verliest, dan wel om subsidiair voor recht te verklaren dat voormeld testament nietig is of (meer subsidiair) dit testament te vernietigen. Op grond van artikel 4:55 lid 2 BW kan de gevraagde machtiging om het testament van curanda te herroepen niet worden verleend omdat vaststaat dat curanda niet meer in staat is haar wil te bepalen over het herroepen van het testament. De kantonrechter acht zich voorts niet bevoegd te beslissen op hetgeen subsidiair en meer subsidiair wordt verzocht. Hij ziet evenmin aanleiding tot verwijzing van de zaak naar de bevoegde rechter, nu hij zich geconfronteerd ziet met het probleem dat hij bij verwijzing op de voet van artikel 71 lid 4 Rv instructies dient te geven met betrekking tot de vraag wie moet worden gedagvaard. Dat is hier niet mogelijk. Een testament komt immers tot stand door middel van een eenzijdig ongerichte rechtshandeling en heeft, naar haar aard, pas werking vanaf het moment dat de testateur is overleden. De nietigverklaring van het testament kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook eerst plaatsvinden nadat curanda is overleden en haar testament daarmee van kracht wordt. Verzoek van de curator wordt derhalve afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0235
ERF-Updates.nl 2017-0181
JERF 2018/262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster III Insolventie en kanton beheerszaken

Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 5747036 OV VERZ 17-1304

beschikking d.d. 8 augustus 2017

inzake

1. [curanda]

,

2. [curator] ,

hierna te noemen: [curator] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: [gemachtigde verzoekende partij] .

1. Het procesverloop

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

  1. het op 22 februari 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;

  2. het op 11 april 2017 ontvangen verweerschrift met bijlagen, ingediend door

[gemachtigde echtgenoot curanda] ;

de ter griffie op 30 mei 2017 ingekomen aanvullende producties, toegezonden zijdens [verzoekende partij] ;

het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van 15 juni 2017;

de ter griffie op 10 juli 2017 ingekomen aanvullende productie, toegezonden zijdens [verzoekende partij] ;

het proces-verbaal van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van 12 juli 2017.

1.2 De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

1.3 Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

  1. [verzoekende partij]

  2. [echtgenoot curanda en gemachtigde] .

  3. [dochters curanda en gemachtigde] .

2 Het verzoek

2.1

[curator] heeft in haar hoedanigheid van curator over [curanda] de kantonrechter verzocht om primair [curanda] en/of haarzelf te machtigen het testament d.d. 14 januari 2016 te herroepen, althans het daartoe te leiden dat het door [curanda] ten overstaan van notaris
[naam notaris] op 14 januari 2016 opgemaakte testament zijn kracht verliest, dan wel om subsidiair voor recht te verklaren dat voormeld testament nietig is of (meer subsidiair) dit testament te vernietigen.

3 De beoordeling

3.1

De volgende feiten staan vast.
- [curanda] is op 16 november 2015 in gemeenschap van goederen gehuwd met [echtgenoot] .

- Op 14 januari 2016 heeft [curanda] ten overstaan van [naam notaris]

een testament opgemaakt. Kort gezegd is in dat testament bepaald dat zij haar beide

dochters en haar kleinkinderen bij plaatsvervulling heeft uitgesloten als erfgenamen. In

plaats daarvan heeft zij [echtgenoot] als echtgenoot als enig erfgenaam benoemd en heeft zij

voorts bepaald dat een legitieme portie van de dochters pas opeisbaar wordt na het

overlijden van [echtgenoot] en dat die vordering geen rente draagt. Tot slot heeft [curanda]

bepaald dat in geval [echtgenoot] zou vooroverlijden alsmede in het geval op het moment
van overlijden van [curanda] een echtscheidingsprocedure aanhangig zou zijn of het huwelijk
door scheiding is ontbonden, [echtgenoot] wordt uitgesloten als erfgenaam. In dat geval zal
[naam XXX] haar enig erfgenaam zijn.

- [curanda] staat sinds 16 september 2016 onder curatele; [curator] is haar curator.
- Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2016 is het

huwelijk tussen [curanda] en [echtgenoot] nietig verklaard. [echtgenoot] heeft hoger beroep

aangetekend tegen de beschikking van de rechtbank. Het gerechtshof heeft nog geen arrest

gewezen.

3.2

Het primaire verzoek van [curanda] en [curator] is gebaseerd op artikel 4:55 lid 2 BW. Kort weergegeven wordt als grond voor de herroeping van het testament van 14 januari 2016 aangevoerd dat [curanda] op dat moment (al) niet (meer) in staat was om een uiterste wilsbeschikking te maken overeenkomstig haar eigen wil. Voorts wordt opgemerkt dat [curanda] [naam XXX] – een zakenrelatie van [echtgenoot] – niet eens kent.

3.3

Artikel 4:55 lid 2 BW bepaalt dat hij die wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele staat, slechts met toestemming van de kantonrechter uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Door de toestemmingverlening van de kantonrechter kan achteraf geen beroep worden gedaan op de handelingsonbekwaamheid van de betrokkene.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:33 BW dient de betrokken testateur in staat te zijn om zijn/haar wil te bepalen. De kantonrechter dient derhalve te beoordelen of de lichamelijke en/of geestelijke stoornis van [curanda] al dan niet verhindert dat zij de gevolgen van het testeren – in casu: het ongedaan maken van haar wilsbeschikking van 14 januari 2016 – kan overzien.

3.4

Zowel in het verzoekschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van 12 juli 2017 is zijdens [curator] medegedeeld dat [curanda] , vanwege haar geestelijke toestand, niet in staat is opnieuw te testeren. Daarbij is ook verwezen naar het door de rechtbank uitgesproken oordeel in de procedure die heeft geleid tot de nietigverklaring van het door [curanda] met [echtgenoot] gesloten huwelijk en het in dat kader uitgebrachte deskundigenrapport. Naar het oordeel van de kantonrechter moet op grond van de geestelijke toestand van [curanda] worden geoordeeld dat zij niet in staat is de gevolgen van het testeren te overzien. Dat betekent dat de kantonrechter geen toestemming kan verlenen voor het herroepen van het door [curanda] op 14 januari 2016 ten overstaan van [naam notaris] opgemaakte testament. Daarbij dient te worden bedacht dat het herroepen van een testament op zichzelf een uiterste wilsbeschikking is en dat bovendien de erflater zelf de inhoud van zijn/haar testament dient in te vullen en dat zulks niet aan een ander kan worden overgelaten. Gelet op het vorenstaande zal de kantonrechter het primaire verzoek dan ook moeten afwijzen.

3.5

Met betrekking tot de op artikel 3:34 BW gebaseerde subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken, heeft de kantonrechter bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de vraag naar de bevoegdheid ter sprake gebracht. De gemachtigde van [curanda] en [curator] meent dat de kantonrechter deze verzoeken uit praktische overweging, onder meer ingegeven door het risico dat [curanda] op korte termijn komt te overlijden, zou dienen te behandelen; de gemachtigde van [echtgenoot] daarentegen heeft aangevoerd dat die onderwerpen aan de rechtbank behoren te worden voorgelegd en niet aan de kantonrechter.

3.6

De kantonrechter stelt vast dat hetgeen subsidiair en meer subsidiair is verzocht, geen betrekking heeft op de in artikel 93 Rv genoemde zaken. De kantonrechter acht zich dan ook niet bevoegd op deze verzoeken een beslissing te geven. Voor het zich op praktische gronden bevoegd achten ziet hij geen ruimte.

3.7

Het vorenstaande zou, op zich genomen, dienen te leiden tot verwijzing van de zaak naar cluster II Handelszaken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. De procedure tot het verkrijgen van een verklaring voor recht en de procedure om te komen tot vernietiging van een rechtshandeling, betreffen echter – anders dan de in casu door de kantonrechter behandelde procedure tot het verkrijging van toestemming op de voet van artikel 4:55 lid 2 BW – geen verzoekschriftprocedures maar dagvaardingsprocedures (vorderingen).

De kantonrechter ziet zich geconfronteerd met het probleem dat hij bij verwijzing op de voet van artikel 71 lid 4 Rv instructies dient te geven met betrekking tot de vraag wie moet worden gedagvaard. Dat is hier niet mogelijk. Een testament komt immers tot stand door middel van een eenzijdig ongerichte rechtshandeling en heeft, naar haar aard, pas werking vanaf het moment dat de testateur is overleden. Een ‘tegenpartij’ is daarbij derhalve nog niet aan te wijzen. De nietigverklaring van het gewraakte testament kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook eerst plaatsvinden nadat [curanda] is overleden en haar testament daarmee van kracht wordt. Hoezeer invoelbaar is dat belanghebbenden reeds thans een oordeel wensen omtrent de vraag of het testament van 14 januari 2016 al dan niet rechtsgeldig is, kunnen de dochters van [curanda] , als belanghebbenden, in een tegen de testamentair benoemde erfgenaam gerichte procedure de rechtsgeldigheid van dat testament aan de rechter ter toetsing voorleggen. De kantonrechter tekent daarbij aan dat [curator] in afwachting van de uitspraak in hoogste instantie ter zake de nietigverklaring van het huwelijk verlof zou kunnen vragen om maritaal beslag te doen leggen, terwijl na het overlijden van hun moeder, ook aan de dochters van [curanda] het beslagrecht ten dienste staat om te voorkomen dat de nalatenschap van [curanda] direct in rook op zal gaan.

Op grond van het vorenstaande ziet de kantonrechter in dit geval aanleiding om, in afwijking van het bepaalde in artikel 71 Rv, niet tot doorverwijzing van de zaak over te gaan.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1

wijst het primaire verzoek af;

4.2

verklaart zich onbevoegd van het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek kennis te nemen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.J. van den Boom, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 augustus 2017, in tegenwoordigheid van mr. J.C.F. Vissers, griffier.