Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:5066

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-08-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
AWB 16_9295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een persoonsgebonden budget kan met terugwerkende kracht worden toegekend. Gelet op het advies van Argonout en rekening houdend met het beleid, had het college de begeleidingsbehoefte van eiser moeten vaststellen op de categorie midden. De rechtbank voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/9295 WMO15

uitspraak van 10 augustus 2017 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te Wagenberg, eiser,

gemachtigde: mr. F.K. van Wijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 oktober 2016 (bestreden besluit) van het college inzake de toekenning van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode 2 september 2015 tot 9 oktober 2016.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 juni 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn moeder [naam gemachtigde]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Tilborg en drs. [naam].

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 15 december 2015 heeft eiser zich gemeld voor ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Bij besluit van 27 mei 2016 (primair besluit) heeft het college eisers verzoek om een pgb voor een maatwerkvoorziening voor ondersteuning afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Op 2 augustus 2016 is een hoorzitting geweest. Bij brief van 5 augustus 2016 is aan

eiser meegedeeld dat zijn ondersteuningsaanvraag opnieuw zal worden beoordeeld en dat aan het bureau Argonaut Advies om advies zal worden gevraagd.

Op 8 september 2016, aangevuld op 27 september 2016 heeft [naam2], arts bij Argonaut, advies uitgebracht aan het college.

Bij bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Aan eiser wordt alsnog een maatwerkvoorziening toegekend. Eiser krijgt een indicatie voor ondersteuning categorie licht. De maatwerkvoorziening wordt toegekend in de vorm van een pgb.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn zorgbehoefte onvoldoende wordt gecompenseerd. Eiser is van mening dat hij in aanmerking komt voor de klasse zwaar (meer dan 10 uur per week). Eerder werd op basis van de Jeugdwet voor begeleiding 14 uur per week geïndiceerd. Niet gemotiveerd is waarom niet voor de zwaardere klasse is gekozen.

Eiser heeft opmerkingen gemaakt over het tijdsverloop van de aanvraagprocedure. Het kan eiser en zijn moeder niet worden verweten dat zij de begeleiding hebben voortgezet zoals eerder geïndiceerd en nodig.

Eiser heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

3. In artikel 1.1.1. van de Wmo 2015 is ‘begeleiding’ gedefinieerd als: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Ingevolge voornoemd artikel betreft ‘participatie’ het meedoen aan het maatschappelijk verkeer en zelfredzaamheid het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Op grond van artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

In artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat het college onderzoekt:

a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang.

Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 verleent het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voor zover de cliënt dit naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruik van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat – indien de cliënt dit wenst – het college hem een persoonsgebonden budget verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Op grond van het vierde lid kan bij verordening worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Het college heeft de te verstrekken voorzieningen nader geconcretiseerd in de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Drimmelen 2015 (de Verordening) en in het Besluit Maatschappelijke ondersteuning gemeente Drimmelen 2016 (Besluit) en de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Drimmelen 2016 (Beleidsregels).

In artikel 7, zesde lid, van de Verordening is bepaald dat een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, ondersteuning kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn ondersteuning dan door de gemeente gecontracteerde aanbieders.

In artikel 6, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat de tarieven voor het persoonsgebonden budget voor ondersteuning gelijk zijn aan de tarieven voor ZIN en bedragen:

a. voor de klasse licht € 337,38 per 4 weken.

b. voor de klasse midden € 1.012,15 per 4 weken.

c. voor de klasse zwaar op offertebasis met een basistarief van € 42,50 per eenheid (uur of dagdeel). Voor vervoer van de cliënt naar dagbesteding kan € 5,- per dag worden toegekend.

In artikel 6, derde lid, van het Besluit is bepaald dat het tarief ten behoeve van ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt, 60% bedraagt van de onder 6.1 genoemde tarieven.

In artikel 20, tweede lid, van het Besluit is bepaald dat de maatwerkvoorziening ondersteuning wordt toegekend in categorieën.

Categorie

Eenheden

(uren of dagdelen)

Tarief per 4 weken

(voor nieuwe cliënten)

Tarief overgangsrecht

(tijdens CIZ indicatie)

Licht

0 tot en met 4

€ 337,38

€ 506,08

Midden

Vanaf 4 tot en met 10

€ 1.012,15

€1.012,15

Zwaar

Meer dan 10

Offertebasis (o.b.v. € 42,50 per eenheid)

Offertebasis (o.b.v. € 42,50 per eenheid)

4. De rechtbank merkt op dat het college in zijn Besluit de term ondersteuning gebruikt in plaats van de term begeleiding. Bij de verdere bespreking van het beroep zal de rechtbank aansluiten bij de terminologie die het college in zijn Besluit heeft opgenomen.

5. De rechtbank stelt vast dat de omvang van het geding beperkt is tot het toegekende pgb voor de maatwerkvoorziening ondersteuning over de periode 2 september 2015 tot 9 oktober 2016. Nu het hier gaat om een afgesloten periode in het verleden ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of er sprake is van voldoende procesbelang. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. De moeder van eiser heeft immers in deze periode hulp, zorg en ondersteuning aan eiser verleend en eiser wil hiervoor een indicatie die ziet op een zwaardere categorie dan in het besluit is toegekend. Nu de voorziening in de vorm van een pgb is toegekend gaat het om een financiële aanspraak, zodat eiser belang heeft bij een oordeel over het bestreden besluit.

6. De rechtbank stelt verder vast dat in het bestreden besluit de toegekende categorie uitsluitend gemotiveerd is met de stelling dat eiser ook tijd bij anderen doorbrengt (school, vrienden en vader). Met deze motivering is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe het college tot de gestelde indicatie is gekomen. Het bestreden besluit leidt dan ook aan motiveringsgebrek en komt voor vernietiging in aanmerking.

7. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

In het verweerschrift heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de Wmo geen mogelijkheid biedt om een pgb met terugwerkende kracht toe te kennen en dat de toekenning van het pgb voor de periode van 2 september 2015 tot 15 december 2015 uitsluitend uit coulance heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft het college verwezen naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank. De rechtbank volgt het college niet in deze stelling. In de door eiser aangehaalde uitspraken is vastgesteld dat er geen zorg met terugwerkende kracht kan worden verleend. Dit betekent niet dat als er in het verleden wél zorg is verleend hiervoor niet met terugwerkende kracht een pgb kan worden verstrekt. Nu niet in geschil is dat de moeder van eiser daadwerkelijk hulp, zorg en ondersteuning heeft verleend in de periode in geding, zijn deze uitspraken niet van toepassing op de situatie van eiser. De wet verzet zich niet tegen een toekenning met terugwerkende kracht voor in het verleden verleende zorg.

Gelet hierop zal de rechtbank de inhoudelijke beoordeling die heeft plaatsgevonden over de periode 2 september 2015 tot 9 oktober 2016 toetsen.

8.1

Bij de beantwoording van de vraag of de inhoudelijke beoordeling de rechterlijke toets kan doorstaan, is het volgende van belang.

8.2

Het college heeft zich bij de vaststelling van de ondersteuningsbehoefte van eiser laten adviseren door een arts van Argonaut. Deze arts heeft in haar rapport van 8 september 2016, aangevuld op 27 september 2016, gesteld dat eiser ondersteuning nodig heeft bij het regelen van zaken op financieel gebied enadministratieve taken, het initiëren en uitvoeren van complexe taken, oplossen van problemen, communicatie met derden en bij het verkrijgen van inzicht in oorzaak-gevolg situaties en in het eigen functioneren. Verder is de arts van oordeel dat er sprake is van meer dan gebruikelijke zorg die van ouders verwacht mag worden.

8.3

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd geantwoord dat de bevindingen en conclusies van de arts van Argonaut niet betwist worden. Eiser is het echter niet eens met de vertaling door het college van die bevindingen en conclusies naar de hoeveelheid ondersteuning die hij nodig heeft. Nu de inhoud van het rapport niet betwist wordt, zal de rechtbank bij de verdere beoordeling hiervan uitgaan.

8.4

Het college heeft uit het advies de conclusie getrokken dat eiser in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening ondersteuning categorie licht. In het verweerschrift en in de brief van 23 juni 2017 heeft het college een nadere onderbouwing gegeven hoe hij tot een toekenning op grond van deze categorie is gekomen. Daarbij heeft het college onder andere verwezen naar zijn beleid.

8.5

De rechtbank stelt vast dat de Beleidsregels en het Besluit op 2 september 2015 nog niet van kracht waren. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college gesteld dat het (intern) beleid in 2015 vergelijkbaar was met de beleidsregels die gelden vanaf 2016. De rechtbank begrijpt dit aldus dat hoewel er nog geen formeel beleid was geformuleerd er feitelijk niet anders werd gehandeld dan in het Besluit en Beleid van 2016 is neergelegd. Nu eiser de inhoud van het Besluit en Beleid en de toepassing daarvan op zich niet heeft betwist, zal de rechtbank bij de beoordeling over de periode in het geding uitgaan van het Besluit en de Beleidsregels zoals die in 2016 zijn gepubliceerd.

8.6

In de Beleidsregels is een toelichting gegeven op de verschillende categorieën van de maatwerkvoorziening ondersteuning.

Bij de categorie licht gaat het om het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur en

voeren van regie. Deze ondersteuning kost gemiddeld 0 tot en met 4 uur per week.

Bij de categorie midden gaat het om de activiteiten bij de categorie licht èn het ondersteunen

bij praktische vaardigheden/handelingen. Deze ondersteuning kost gemiddeld 4,1 tot en met

10 uur per week.

Bij de categorie zwaar gaat het om de activiteiten bij de categorie licht en midden èn het

houden van toezicht en het bieden van aansturing. Deze ondersteuning kost gemiddeld meer

dan 10 uur per week.

8.7

De rechtbank is van oordeel dat het college uit het advies van Argonaut niet de conclusie heeft kunnen trekken dat eiser in aanmerking komt voor ondersteuning in de categorie licht. Volgens de Beleidsregels gaat het hierbij immers alleen om ondersteuning bij het aanbrengen van structuur en voeren van regie. Uit het rapport van Argonaut blijkt dat eiser ook ondersteuning nodig heeft bij het regelen van zaken op financieel gebied en administratieve taken, het initiëren en uitvoeren van complexe taken, het oplossen van problemen, de communicatie met derden en bij het verkrijgen van inzicht in oorzaak-gevolg situaties en in het eigen functioneren. Deze aspecten zien naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk op praktische vaardigheden. Dit wordt ook erkend door het college in zijn brief van 23 juni 2017. In die brief geeft het college vervolgens echter aan dat het aanleren van praktische vaardigheden onder de categorie licht valt. De rechtbank volgt het college daarin niet. In de Beleidsregels worden praktische vaardigheden immers pas genoemd bij de categorie midden. Dat het daarbij om ondersteuning van praktische vaardigheden gaat en niet om het aanleren van praktische vaardigheden maakt niet dat categorie midden niet van toepassing is. Het aanleren van praktische vaardigheden wordt immers niet genoemd in de categorie licht zodat het ervoor gehouden moet worden dat dit soort ondersteuning de categorie licht overstijgt. Overigens vraagt het aanleren van vaardigheden naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen meer tijd dan het ondersteunen bij praktische vaardigheden, zodat ook om die reden categorie midden de aangewezen categorie zou zijn.

Het college heeft verder nog gesteld dat de ondersteuning van de moeder van eiser (deels) als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Nu het college met deze stelling afwijkt van het advies van Argonaut, had het college dit nader moeten motiveren. De arts stelt immers expliciet dat er geen sprake is van gebruikelijk zorg. De enkele verwijzing naar het protocol gebruikelijke zorg zoals dat onder de AWBZ werd gehanteerd door het CIZ, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het advies voor wat betreft de opmerking overgebruikelijke zorg niet te volgen. Bij de beoordeling zal de rechtbank er dan ook van uitgaan dat er sprake is van meer dan gebruikelijke zorg die van ouders verwacht mag worden.

Met betrekking tot de opmerking van het college in het verweerschrift dat de ondersteuning door de moeder van eiser niet doeltreffend en cliëntgericht is, merkt de rechtbank het volgende op. In het rapport van Argonaut wordt weliswaar geconcludeerd dat het doel ‘aanleren van nieuwe vaardigheden om zelfredzaamheid te vergroten’ nog onvoldoende bereikt is, maar hiermee is geenszins gezegd dat de ondersteuning door de moeder niet doeltreffend is. Het had wellicht beter en/of anders gekund, maar dit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verleende zorg niet doeltreffend is. De arts heeft immers niet gesteld dat de ondersteuning van de moeder in het geheel geen effect heeft gehad. Daarbij is het ook maar de vraag of met professionele ondersteuning het gestelde doel wel bereikt zou zijn. De rechtbank volgt het college dan ook niet in zijn stelling dat de verleende zorg niet doeltreffend en cliëntgerichtheid is geweest.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het advies van Argonaut voor het college aanleiding had moeten zijn om de categorie midden te indiceren.

8.8

Eiser heeft gesteld dat zijn moeder 14 uren per week begeleiding heeft gegeven. Gelet hierop is eiser van mening dat categorie zwaar had moeten worden geïndiceerd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij meer ondersteuning nodig heeft. Het enkele gegeven dat (mogelijk) meer ondersteuning is gegeven, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser die ondersteuning ook daadwerkelijk nodig heeft gehad.

8.9

De stelling van eiser dat hem niet kan worden verweten dat de begeleiding is voortgezet overeenkomstig de indicatie vanuit de Jeugdwet, zal de rechtbank aanmerken als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan echter pas slagen als er sprake is van een door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van de betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging die bij de betrokkene een gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt. Het enkele feit dat eerder 14 uur is geïndiceerd door een ander orgaan onder een andere wet is onvoldoende om te kunnen spreken van een toezegging zoals hiervoor bedoeld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

8.10

Eiser heeft geen gronden naar voren gebracht die zien op de berekening van de hoogte van het pgb, voor zover daarbij is besloten om bij ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk 60% van de kosten voor zorg in natura toe te kennen. Dit aspect van het bestreden besluit zal de rechtbank dan ook onbesproken laten.

9. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat een maatwerkvoorziening wordt toegekend voor ondersteuning in de categorie midden. Hierbij hoort een pgb van 60% van € 1.012,15 per vier weken.

Omdat de rechtbank hierboven heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep heeft eiser recht op schadevergoeding als vaststaat dat hij schade heeft geleden.

Eiser heeft om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente verzocht. Nu het bestreden besluit is vernietigd, is als regel gegeven dat sprake is van een vertraging in de voldoening van een geldsom en dat aldus schade is geleden, bestaande uit de wettelijke rente over die geldsom. De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van die schade dan ook toewijzen. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf het moment dat het onrechtmatig gebleken besluit schade tot gevolg heeft gehad. Op 27 mei 2016 (zijnde de datum van het primaire besluit) heeft het college besloten om geen maatwerkvoorziening toe te kennen. Op grond van artikel 4:97 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de schuldenaar in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald. In artikel 4:87, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de betaling geschiedt binnen zes weken nadat de beschikking op voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. Had het college op 27 mei 2016 meteen een juist besluit genomen, dan zou de betalingstermijn op 8 juli 2016 afgelopen zijn. Dit betekent dat het college vanaf deze datum wettelijke rente verschuldigd is. Verder geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal het college veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 990,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1). In de bezwaarprocedure komen de aanvullende gronden ingediend door gemachtigde voor vergoeding in aanmerking nu in het door de moeder van eiser ingediende bezwaarschrift slechts summier de gronden van bezwaar zijn vermeld. Nu de gemachtigde niet op de hoorzitting aanwezig was, worden de kosten in bezwaar vastgesteld op € 495,-- (zijnde 1 punt voor het indienen van de gronden).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat eiser over de periode van 2 september 2015 tot 9 oktober 2016 recht heeft op een maatwerkvoorziening ondersteuning in de categorie midden;

  • -

    bepaalt dat eiser over de periode 2 september 2015 tot 9 oktober 2016 recht heeft op een pgb van 60% van € 1.012,15 per vier weken;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente toe zoals beschreven onder punt 8;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten in bezwaar en beroep van eiser tot een totaal van € 1.485,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. C.E.M. Marsé, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2017. De voorzitter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.