Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4915

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
01-08-2017
Datum publicatie
04-08-2017
Zaaknummer
02/820252-16 + 02/800899-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor 3 woningovervallen. Minderjarig of meerderjarig strafrecht toepassen ? Gelet op de persoon van de verdachte wordt minderjarig strafrecht toegepast. Ondanks het feit dat verdachte niet heeft mee willen werken aan observatie en de gedragsdeskundigen geen stoornis hebben vastgesteld heeft de rechtbank toch een pij-maatregel opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 820252-16 + 800899-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 augustus 2017

in de strafzaak tegen de minderjarige

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in de Justitiële Jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda

raadsman mr. T. van Assendelft de Coningh, advocaat te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 18 juli 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

Ten aanzien van 820252-16:

1.

hij op of omstreeks 19 februari 2016 te Oosterhout

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning, gelegen

aan de [adres] ) heeft weggenomen

- een geldbedrag, van in totaal ca 550 Euro, in elk geval enig geldbedrag

en/of een (imitatie) parelketting en/of een trouwring (met diamantje) en/of

een Tablet (Samsung Galaxy) en/of een zegelboekje (AH) en/of een horloge en/of

een schoudertas en/of

- ( auto)sleutel(s) en/of een (personen) auto en/of

- een pinpas en/of een geldbedrag van in totaal circa 1250 Euro,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- onverwachts de voordeur (van de woning van die [slachtoffer 1] ) heeft/hebben

opengeduwd en/of

- zijn/hun gezicht (gedeeltelijk) heeft/hebben bedekt met een doek en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) naar achter heeft/hebben geduwd en/of

- die [slachtoffer 1] de woonkamer heeft/hebben ingesleurd en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [slachtoffer 1] in zijn/hun hand(en) gehouden en/of op het hoofd van

die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gehouden

en/of

- een mes voor het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of met dat mes in

het gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gesneden en/of

(hierbij) die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend, meermalen, althans eenmaal,

-zakelijk weergegeven- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Waar zijn je

sieraden" en/of "Waar is je pinpas" en/of "Waar is je geld" en/of "Snel, snel"

en/of "Geef mij het goede nummer, want ik wil geld" en/of "Als ik niet het

goede nummer krijg, kom ik terug en schiet ik je dood", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 02 maart 2016 te Oosterhout tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening (uit een woning, gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen

- een of meer pinpas(sen) en/of een visa/creditcard en/of in totaal (circa)

1000 Euro, althans enig geldbedrag en/of een identiteitskaart/paspoort en/of

- een (groot) aantal sieraden, waaronder een gouden ring (met een robijn), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- met (een) bivakmuts(en) of gezichtsbedekkende kleding op zijn/hun hoofd(en)

de woning van die [slachtoffer 2] is/zijn binnengegaan en/of

- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met een vuurwapen/pistool) tegen

het hoofd en/of gezicht heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

een vuurwapen/pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [slachtoffer 2] in zijn/hun hand(en) hebben gehouden en/of

- ( hierbij) die [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend, meermalen, althans eenmaal

-zakelijk weergegeven- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geld, geld, geld"

en/of "Kluis, kluis" en/of "Naar beneden" en/of "Open" en/of "Pincode,

pincode" en/of "Anders schiet(en) ik/we je dood", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van 800899-16:

1.

hij op of omstreeks 11 december 2016 te Breda

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning, gelegen

aan de [adres] ) (onder meer) heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of

een of meer sieraden en/of een telefoon (Iphone 6S) en/of een of meer tas(sen)

en/of een autosleutel (van een BMW X4, kenteken [kenteken] ) in elk geval enig

goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij,

verdachte en/of zijn mededader(s)

- een raam van die woning heeft verbroken en/of

- die woning is binnengedrongen en/of

- zijn gezicht gedeeltelijk heeft bedekt en/of

- tegend die [slachtoffer 3] -zakelijk weergegeven- dreigend heeft gezegd dat zij geld

en/of waardevolle spullen moest afgeven en/of

- een mes nabij de keel van die [slachtoffer 3] heeft gehouden en/of een mes aan die [slachtoffer 3]

heeft getoond en/of

- die [slachtoffer 3] op een bed heeft geduwd en/of

- de handen en/of voeten van die [slachtoffer 3] heeft vastgebonden en/of getaped;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 december2016 te Oosterhout

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een (personen)auto (merk BMW X4, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van,

door een valse sleutel;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht leiden:

hij op of omstreeks 20 december 2016 te Oosterhout

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

weg te nemen

een (personen)auto (merk BMW X4, kenteken [kenteken] ),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen (personen)auto onder zijn/haar/hun bereik te brengen

door middel van valse sleutel, hebbende hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) die auto met de afstandsbediening/sleutel van die auto

geopend/ontgrendeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van 820252-16:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de woningoverval tenlastegelegd als feit 1. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van mevrouw [slachtoffer 1] , de camerabeelden van de Rabobank waar gepind is met de weggenomen pinpas van mevrouw [slachtoffer 1] en de herkenning op die beelden van verdachte en de volgens de officier van justitie leugenachtige verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ten aanzien van een bioscoopbezoek op de avond van de woningoverval.

Ten aanzien van de woningoverval van feit 2 komt de officier van justitie ook tot een bewezenverklaring. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van de heer [slachtoffer 2] , op de camerabeelden van H19 en de beelden van het pinnen, de herkenning van verdachte en [medeverdachte 4] op die beelden, de aangetroffen goederen van de aangever onder medeverdachte [medeverdachte 4] , de aangetroffen kleding op het plafond in de woning van de ouders van verdachte en de bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] .

Ten aanzien van 800899-16:

De officier van justitie acht feit 1 van dit parketnummer eveneens wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich op de aangifte van mevrouw [slachtoffer 3] , op de kenmerken en bijzonderheden van de overvallers die mevrouw [slachtoffer 3] naar voren heeft gebracht, de gegevens naar aanleiding van het onderzoek aan de telefoon van verdachte, de link tussen verdachte en de verkoop van een roze Iphone 6S, waarvan later bleek dat dit de telefoon was die tijdens de overval op mevrouw [slachtoffer 3] is weggenomen, de zendmastgegevens, waaruit blijkt dat de telefoon van verdachte aanstraalde op een mast in de buurt van de plaats delict en een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat lijkt te gaan over de onderhavige woningoverval.

Ten slotte acht de officier van justitie ook de onder feit 2, primair, ten laste gelegde diefstal van een BMW X4 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht daarbij van belang dat verdachte in het bezit was van de reservesleutel van genoemde auto. Ook wijst de officier van justitie op de opgenomen telecommunicatie waaruit zou blijken dat verdachte op 19 december 2016 op het internet heeft gezocht op het kenteken [kenteken] , zijnde het kenteken van de auto waarvan de sleutel was weggenomen bij de woningoverval van feit 1. Op 19 en 20 december 2016 heeft verdachte bovendien gesprekken gevoerd over de verkoop van genoemde auto. Tijdens een observatie van de politie wordt verdachte samen met [medeverdachte 5] op 20 december 2016 in de nabijheid van genoemde auto gezien. Gezien wordt dat verdachte een drukbeweging met zijn duim maakt en dat daarop volgend de verlichting van genoemde auto aan gaat. Tijdens de aanhouding wordt op de grond nabij verdachte een BMW sleutel aangetroffen. Deze bleek te horen bij genoemde auto.

De officier van justitie is van mening dat genoemde feiten en omstandigheden een voltooid delict opleveren. Door het bezit van de autosleutel en het gebruiken van die sleutel om de auto te openen, had verdachte de heerschappij over de auto. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte niet de feitelijke heerschappij over de auto had, dan is er in de visie van de officier van justitie in ieder geval voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de subsidiair ten laste gelegde poging diefstal van genoemde auto.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van 820252-16:

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit. De verdediging geeft daarbij aan dat aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de jongens die het feit hebben gepleegd “nette Nederlandse jongens” waren. Dit terwijl verdachte een Marokkaans uiterlijk heeft. De verklaring van de aangeefster wordt op dit gebied volgens de verdediging gesteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , die verklaard heeft over twee jongens met een blanke huidskleur.

De verdediging acht de herkenning van politieverbalisant [verbalisant] bovendien niet bruikbaar als bewijs. [verbalisant] kon namelijk eerst niet met 100 % zekerheid aangeven of hij op de getoonde foto’s verdachte herkende. Pas later kwam de 100 % herkenning. Nu niet is gecontroleerd op de feilbaarheid van zijn geheugen of integriteit kan die herkenning geen rol spelen bij de bewijsvraag. Zeker nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest dit te toetsen in het kader van een getuigenverhoor.

Verdachte heeft een verklaring afgelegd over waar hij die avond was. Dat zijn verklaring over de film die hij gezien heeft niet klopte, berust op een vergissing en is niet dusdanig ernstig dat van een kennelijk leugenachtige verklaring gesproken kan worden.

Ten slotte wijst de verdediging er op dat de dactylogische sporen dan wel aangetroffen schoensporen geen koppeling aan verdachte hebben opgeleverd. De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte voor dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging naar voren gebracht dat medeverdachte [medeverdachte 4] een bekennende verklaring heeft afgelegd. De verdediging acht die verklaring niet betrouwbaar. Daar komt bij dat de verdediging van mening is dat [medeverdachte 4] de naam “ [verdachte] ” uit het dossier gehaald heeft. Uit andere onderzoeksbevindingen komt bovendien naar de mening van de verdediging onvoldoende naar voren dat verdachte bij dit feit betrokken is. Hetgeen de verdediging bij feit 1 over de herkenning heeft opgemerkt, is ook hier van toepassing, aldus de verdediging.

De verdediging wijst er voorts op dat er verder geen sporen zijn aangetroffen die in de richting van verdachte wijzen. Gelet op het vorenstaande verzoekt de verdediging verdachte ook van dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van 800899-16:

De verdediging is van mening dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijgesproken moet worden. De verdenking die naar verdachte wijzen zou, is naar de mening van de verdediging door de aangevers zelf geconstrueerd. Vervolgens is dit verder ingevuld binnen de vooringenomenheid die reeds was ontstaan. Hierdoor is in de visie van de verdediging op oneigenlijke gronden een verdenking tegen verdachte ontstaan. Nu de verdenking niet ondersteund wordt door aan verdachte te koppelen objectieve sporen, blijft het bij een verdenking en niet meer. Dat verdachte dagen later bij een BMW, waarvan de sleutel bij de overval is meegenomen, wordt aangetroffen is onvoldoende om te komen tot een positieve beantwoording van de vraag of hij betrokken was bij de woningoverval. Hooguit kan dit duiden op heling van een weggenomen sleutel. Dit geldt overigens naar de mening van de verdediging ook voor de bij de overval weggenomen telefoon.

Mastgegevens en overige telefoniegegevens zijn naar de mening van de verdediging onvoldoende betrouwbaar of specifiek en bovendien niet aan verdachte te koppelen, waardoor ze niet als belastend bewijs kunnen worden gezien.

De verdediging verzoekt de rechtbank om verdachte van dit feit vrij te spreken.

Ten aanzien van de onder 2, primair, ten laste gelegde diefstal van de BMW is de verdediging van mening dat geen sprake was van een voltooid delict nu de BMW niet in de machtssfeer van verdachte is gekomen. De beschikking hebben over een afstandsbediening van de auto maakt dit niet anders. Naar de mening van de verdediging zou hooguit sprake geweest kunnen zijn van een poging tot diefstal van de BMW. Nu echter geen onderzoek verricht kan worden aan de autosleutel, omdat deze zoek is geraakt, dient verdachte ook ten aanzien van de onder 2, subsidiair, ten laste gelegde poging tot diefstal vrijgesproken te worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van 820252-16:

Feit 1:

Op 19 februari 2016 wordt er bij de woning van mevrouw [slachtoffer 1] aangebeld. Zij doet de deur open, maar wordt meteen hard naar achteren geduwd en valt daardoor op de grond. Drie personen met een doek voor hun mond komen haar woning binnen, dader 1 en twee jongere jongens. Mevrouw [slachtoffer 1] wordt de kamer ingesleurd en ziet vervolgens dat dader 1 een pistool vast heeft. Aan mevrouw [slachtoffer 1] wordt gevraagd waar haar sieraden zijn. Ook wordt haar gevraagd waar haar pinpas is. Dader 1 zegt tegen mevrouw [slachtoffer 1] : “Geef mij het goede nummer, want ik wil het geld. Als ik niet het goede nummer krijg, kom ik terug en schiet ik je dood”. Dader 1 gaat weg en komt na ongeveer twintig minuten terug met de woorden “bedankt voor de 1250 euro en uw auto rijdt lekker”. Hij had haar sleutelbos met haar autosleutel.1

In een aanvullend verhoor geeft mevrouw [slachtoffer 1] aan dat er wordt gezegd “snel, snel”. Ook wordt er door dader 1 een pistool tegen het voorhoofd van mevrouw [slachtoffer 1] gezet. Op enig moment wordt er door hem een mes voor het gezicht van mevrouw [slachtoffer 1] gehouden en wordt dat mes langs haar gezicht gehaald. Hierdoor wordt een snee boven de bovenlip van mevrouw [slachtoffer 1] toegebracht.2

Op de goederenbijlage zijn de goederen opgenomen, die tevens op de tenlastelegging zijn terug te vinden, met uitzondering van een trouwring (met diamantje).3

Met de pinpas van mevrouw [slachtoffer 1] is op 19 februari 2016 om 19.16 uur een bedrag van 1250 euro van haar rekening gepind bij een pinautomaat aan het Arendsplein te Oosterhout.4 Van deze pintransactie zijn camerabeelden veilig gesteld.5

Verbalisant [verbalisant] relateert dat hij op 20 februari 2016, een dag na de woningoverval, foto’s heeft gezien van de persoon die gepind zou hebben met de pinpas van mevrouw [slachtoffer 1] . Hij herkent in de foto’s de hem ambtshalve bekende [verdachte] , echter niet voor 100%. Een dag na de herkenning, op 21 februari 2016, komt hij verdachte tegen op straat en maakt de verbalisant met toestemming van verdachte foto’s van verdachte. Verbalisant [verbalisant] herkent verdachte met 100% zekerheid als de persoon die is betrokken bij de woningoverval. De herkenning wordt gebaseerd op de kleding, haardracht en gezichtskenmerken van verdachte.6

Bij de verhoren hebben zowel medeverdachte [medeverdachte 1]7 als verdachte8 verklaard dat zij op 19 februari 2016 in Tilburg naar de film Creed zijn gaan kijken. Verdachte heeft verklaard dat ze om 18:00 uur de bus naar Tilburg hebben genomen. Onderzoek van de politie heeft echter opgeleverd dat deze film op de bewuste dag uit het programma was geschrapt en niet vertoond werd in de door medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte genoemde bioscoop.9

De rechtbank stelt vast dat verdachte door een verbalisant is herkend als degene die met de gestolen pinpas geld heeft gepind. Uit de verklaring van aangeefster volgt dat dit een van de overvallers was, omdat een van de overvallers (dader 1) tijdens de overval de woning heeft verlaten om te gaan pinnen.

Daar komt bij dat verdachte een leugenachtige verklaring heeft afgelegd aangaande zijn alibi voor het tijdstip van de overval. Immers is gebleken dat de film Creed die avond niet werd getoond in de bioscoop waarover hij verklaart. Verdachte heeft deze verklaring gegeven kennelijk met het doel om zichzelf en een medeverdachte een alibi te verschaffen en daarmee de waarheid te bemantelen.

De verdediging heeft een verweer gevoerd ten aanzien van de door aangeefster [slachtoffer 1] gegeven signalement van dader 1. Anders dan de verdediging stelt heeft aangeefster [slachtoffer 1] het niet over een nette Nederlandse jongen, maar over een nette leuke jongeman. Daarnaast heeft ze dader 1 omschreven als iemand met een blanke huidskleur. Dit sluit verdachte als mogelijke dader niet uit, nu hij nauwelijks getint is.

Het verweer van de verdediging treft op dit punt dan ook geen doel.

Hetgeen de verdediging overigens heeft opgeworpen ten aanzien van de herkenning door verbalisant [verbalisant] , treft naar het oordeel van de rechtbank evenmin doel. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de bevindingen van verbalisant [verbalisant] zorgvuldig en integer tot stand zijn gekomen, juist omdat hij niet meteen tot een 100 % herkenning kwam en dat ook zo heeft aangegeven. Daar komt bij dat de sjaal die verdachte om heeft op het moment dat verbalisant [verbalisant] hem fotografeert overeenkomt met de sjaal die op de foto van de pinner te zien is. Deze sjaal wordt gekenmerkt door een specifiek gegolfd streepjespatroon in de lengte. De rechtbank stelt voorts vast dat deze sjaal ook te zien is op de foto’s die behoren bij een van de daders van feit 2.

Gelet op de aangifte, de herkenning van verdachte bij het pinnen en het feit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] samen liegen over hun bezigheden de avond van de overval, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte dit feit heeft medegepleegd.

Feit 2:

Op 2 maart 2016 wordt de heer [slachtoffer 2] door drie personen overvallen in zijn woning aan de [adres] te Oosterhout. Hij denkt dat hij gelijk een klap op zijn hoofd kreeg. Hij wordt wakker in de tuin en ziet drie daders. Hij verklaart dat ze allen een pistool hadden. Hij krijgt tijdens de overval meerdere klappen op het hoofd. Er wordt “geld, geld, geld” en “kluis, kluis” geroepen tegen hem door de lange dader. De lange dader roept ook “naar beneden” tegen hem. In de kelder staat een wapenkluis. De heer [slachtoffer 2] moet deze open doen. Uit de kluis wordt niets gepakt. [slachtoffer 2] geeft boven in de woning zijn portemonnee af. Een van de daders roept: “pincode”. Als de heer [slachtoffer 2] aangeeft dat hij het vanwege de klappen op zijn hoofd niet meer weet, krijgt hij een klap van de lange dader en wordt tegen hem gezegd dat hij het moet geven en dat hij anders doodgeschoten wordt. Na het geven van de pincode gaan de daders weg. Kort na de overval mist de heer [slachtoffer 2] naast de pinpas ook een creditcard en zijn gouden ring met robijn.10

Als de politie ter plaatse komt geeft de heer [slachtoffer 2] aan dat hij met een pistool tegen het hoofd is geslagen. Hij mist een SNS bankkaart, een ABN-AMRO bankkaart en een creditcard. De echtgenote van de heer [slachtoffer 2] wordt door de SNS-bank gebeld met de mededeling dat op die dag zelf een bedrag van in totaal 1000 euro is gepind van de rekening van [slachtoffer 2] . Dit is middels vier transacties gebeurd in Oosterhout tussen 15.57 uur en 16.01 uur.11

De vermoedelijke vluchtroute van de daders wordt door de politie nagelopen12 en uiteindelijk worden sieraden, paspoorten en een mobiele telefoon aangetroffen.13 De sieraden worden aan de heer [slachtoffer 2] en zijn echtgenote getoond en ook door hen herkend als hun eigendom.14 Ook worden, naast een breekijzer, twee messen en twee op een vuurwapen gelijkende voorwerpen in de bosjes aangetroffen.15 De kolven van de op een vuurwapen gelijkende voorwerpen zijn bemonsterd. In de bemonsteringen van beide wapens werd DNA van de heer [slachtoffer 2] aangetroffen.1617

Verbalisant [verbalisant] kreeg rond 16.00 uur de melding van de overval en is ter plaatse gegaan. Zij spreekt op de Dr. Janssenslaan twee personen op een fiets aan. Beide mannen vluchten.18 Kort daarna wordt de passagier aangehouden. Hij blijkt medeverdachte [medeverdachte 4] te zijn. In zijn zakken worden een geldbedrag van € 250,-- , een SNS-bankpas en een creditcard van de heer [slachtoffer 2] aangetroffen.19

Verdachte wordt door verbalisant [verbalisant] op een foto herkend als zijnde de bestuurder van de fiets.20 Een dag later wordt verdachte nogmaals voor 100 procent door verbalisant [verbalisant] herkend.21

Er zijn camerabeelden opgevraagd van de pintransacties met de pinpas van [slachtoffer 2] . Verbalisant [verbalisant] herkent op de beelden [medeverdachte 4] en verdachte.22 Ook verbalisant [verbalisant] herkent verdachte als een van de twee personen die met een gestolen pinpas pint.23

Medeverdachte [medeverdachte 4] verklaart dat hij en twee anderen de overval hebben gepleegd. Hij noemt de mededaders A en B. Bij de overval hield A een vuurwapen gericht op [slachtoffer 2] . A vroeg diverse keren geld aan [slachtoffer 2] . B kwam terug uit de slaapkamer met een zak vol goudkleurige objecten. [slachtoffer 2] gaf zijn portemonnee af en [medeverdachte 4] haalde de pasjes eruit. A vroeg aan [slachtoffer 2] de pincode. Toen hoorde [medeverdachte 4] A zeggen dat de auto eraan kwam. Ze zijn toen gevlucht. Ze zijn naar de Albert Heijn gerend. Met een weggenomen bankpas is vervolgens bij de pinautomaat daar 1000 euro gepind. Vanaf de pin liepen ze terug naar het park. B ging weg in het park met de tas. [medeverdachte 4] rende met A door richting het gemeentehuis. Toen mededader A met een fiets aankwam, is [medeverdachte 4] achterop gestapt. Mededader A fietste en [medeverdachte 4] zat achter op de fiets toen verbalisant [verbalisant] hem zag. [medeverdachte 4] herkent verdachte als A op de afbeelding waarop gepind wordt. [medeverdachte 4] verklaart voorts dat hij door A is gevraagd aan de overval mee te doen. A heeft hem gezegd dat B zijn neef is. 24 B heeft hem gezegd dat hij 15 jaar oud was.25

Op 3 maart 2016 bekijkt verbalisant [verbalisant] de camerabeelden van H19, een kunstencentrum aan de Heuvel 19 te Oosterhout gelegen naast de [adres] te Oosterhout. Op de beelden is te zien dat drie personen om 15.45 uur vanuit de Slotlaan in de richting van de Heuvel rennen. 2627

Aan medeverdachte [medeverdachte 4] wordt een printje van de camerabeelden getoond.28 Door hem wordt verklaard dat de persoon met de grijze capuchon met zijn fel gekleurde veters en de rugzak A is en de andere jongen met de blauwe spijkerbroek B is.29

Kort na de overval, omstreeks 16.20 uur wordt medeverdachte [medeverdachte 1] door verbalisant [verbalisant] op de Van Oldeneellaan te Oosterhout staande gehouden. De Van Oldeneellaan komt uit op de Slotlaan.30 Door verbalisant [verbalisant] wordt gerelateerd dat het signalement van [medeverdachte 1] qua postuur en kleding overeenkomt met de meest linkse persoon op de camerabeelden van de drie rennende personen.31

Tijdens het onderzoek is in de woning van de ouders verdachte een harddiskrecorder in beslag genomen. Op de harddiskrecorder zijn videobeelden aangetroffen van drie camera’s die bevestigd waren aan de woning van de ouders van verdachte. Er zijn ook beelden aangetroffen, die opgenomen zijn op de dag van de overval. Op de beelden is onder andere te zien dat verdachte in de ochtend naar buiten stapte.32

Gezien wordt dat de kleding die hij die ochtend aan had, overeenkomt met de kleding die tijdens de doorzoeking van de woning van de ouders van verdachte op de zolder van de slaapkamer van verdachte is aangetroffen.3334

Geconstateerd wordt dat de kleding ook overeenkomt met de kleding die op de camerabeelden van H19 zichtbaar waren. Eén persoon voldeed qua kleding en postuur aan de persoon die op de camerabeelden van de woning van de ouders van verdachte te zien is.35

De rechtbank is van oordeel dat uit genoemde bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat de drie personen die verantwoordelijk zijn voor de woningoverval verdachte, medeverdachte [medeverdachte 4] en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn. De rechtbank stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verdachte de door [medeverdachte 4] genoemde mededader A is. Hij wordt zowel door verbalisanten als door [medeverdachte 4] herkend tijdens het pinnen. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat mededader B de neef van mededader A is en dat hij 15 jaar oud is. Medeverdachte [medeverdachte 1] ís de neef van verdachte en was ten tijde van het delict 15 jaar oud. Voorts kan uit genoemde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het plegen van dit feit de kleding aan had die op de vliering in zijn slaapkamer is aangetroffen, waaronder sportschoenen met felgekleurde veters en een trainingsbroek.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bekeken, komt de rechtbank tot het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de onder dit feit ten laste gelegde woningoverval. Hierbij acht de rechtbank eveneens van belang wat zij onder feit 1 heeft overwogen over de sjaal van verdachte.

Ten aanzien van 800899-16:

Feiten 1 en 2:

Op 11 december 2016 is mevrouw [slachtoffer 3] om 19.00 uur in haar woning aan de [adres] te Breda als drie gemaskerde mannen via een door hen opengebroken raam binnendringen. Tegen mevrouw [slachtoffer 3] wordt gezegd dat zij waardevolle spullen en geld moet afgeven anders zou zij doodgemaakt worden. Daarbij wordt een mes aan haar getoond en op korte afstand van haar keel gehouden. Vervolgens is mevrouw [slachtoffer 3] naar boven gebracht door de daders. Boven is zij aan haar voeten vastgebonden en aan haar handen getapet en op bed gelegd.36

Bij de overval is onder andere een autosleutel behorende bij een BMW X4 met kenteken

[kenteken] weggenomen.37 Verder is weggenomen een hoeveelheid geld, sieraden, een roze Iphone 6S en meerdere tassen.38

De echtgenoot van mevrouw [slachtoffer 3] is mede-eigenaar van het restaurant [restaurant] , waar verdachte werkzaam is.39 Mevrouw [slachtoffer 3] verklaart bij de rechter-commissaris dat zij verdachte herkende als een van de overvallers toen hij een paar dagen na de overval bij [restaurant] kwam eten.40

Er is via het Imeinummer onderzoek verricht naar de aan mevrouw [slachtoffer 3] behorende Iphone 6S. Hierbij bleek dat verdachte met een marktplaats advertentiepagina bezig was betreffende een verkoop van een Iphone 6S.41 Verder bleek dat in genoemde mobiele telefoon uiteindelijk een nummer behorende aan [naam] was geplaatst.42 Zij verklaarde dat haar oom dit toestel voor haar heeft gekocht.43 Haar oom heeft vervolgens verklaard dat hij het toestel via Marktplaats van ene [verdachte] heeft gekocht. Deze [verdachte] gebruikte het nummer [telefoonnummer] .44

Uit verder onderzoek bleek dat genoemd nummer eindigend op …918 op 11 december 2016 op 19.37 uur is aangestraald door de zendmast “Muitenpad te Breda”. Deze mast omvat de plaats delict.45

Uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat verdachte het nummer [telefoonnummer] in gebruik heeft, aangezien hij met dit nummer op 11 december 2016 naar het restaurant [restaurant] , waar hij werkzaam was, belde om zich ziek te melden.46

Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte [medeverdachte 5] , medeverdachte van feit 2, is diens telefoon onderzocht. Uit dit onderzoek kwam een Whatsappgesprek van 10 december 2016 naar voren tussen [medeverdachte 5] en vermoedelijk verdachte. Verdachte schrijft: “Ov vanavond ben je ready ja of nee ik moet weten” en “ [restaurant] ”.47

Het nummer [telefoonnummer] wordt vervolgens getapt. De tapgesprekken worden beluisterd door verbalisant [verbalisant] . Deze herkent de stem van de gebruiker van het nummer als zijnde de stem van verdachte.48

Enkele dagen na de overval, op 14 december 2016 vindt er een gesprek plaats tussen de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] en het bedrijf [bedrijf] . In dit gesprek noemt de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] zijn volledige naam, te weten [verdachte] .49

Op 19 en 20 december 2016 worden vervolgens gesprekken beluisterd waarin verdachte een BMW X4 te koop aanbiedt.50 Ook wordt in het dataverkeer gezien dat gezocht wordt op het kenteken [kenteken] .

Omdat het vermoeden bestond dat verdachte de BMW X4 met kenteken [kenteken] van de heer [naam] weg wilde nemen werd deze auto 20 december 2016 te Oosterhout in de gaten gehouden door de politie. Gezien wordt dat verdachte met een ander, naar later blijkt [medeverdachte 5] , aan komt lopen. Verdachte maakt op enig moment in de nabijheid van de auto drukbewegingen met zijn duim. De verlichting van de portiergrepen van de auto gaat op dat moment aan. Als door verdachte nog een keer een drukbeweging wordt gemaakt gaat de alarmverlichting aan. Verdachte en [medeverdachte 5] worden vervolgens aangehouden, waarna op de grond nabij verdachte een BMW sleutel wordt aangetroffen.51

De rechtbank overweegt op grond van genoemde feiten en omstandigheden het volgende.

Drie mannen zijn de woning van mevrouw [slachtoffer 3] binnengedrongen. Daarbij worden onder andere een roze Iphone 6S en een BMW autosleutel weggenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat verdachte deze goederen in zijn bezit had vlak na de overval. De roze Iphone wordt door hem verkocht en hij had klaarblijkelijk ook de intentie om de BMW te verkopen.

De rechtbank constateert dat verdachte ter zitting op alle kritische vragen omtrent de herkenning door mevrouw [slachtoffer 3] , het bezit van de telefoon en BMW sleutel zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, dan wel niet heeft willen verklaren. Hoewel dit een recht is van een verdachte, vragen bovengenoemde omstandigheden om een uitleg van verdachte. Deze is echter uitgebleven. Dit komt dan ook voor risico en rekening van verdachte.

Daarbij komt dat verdachte zich op de dag van de overval bij zijn werkgever [naam] , de echtgenoot van [slachtoffer 3] , heeft ziek gemeld.

Het vorige in samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte samen met anderen mevrouw [slachtoffer 3] in haar woning heeft overvallen. Voorts kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich met een ander schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van de BWM X4 met kenteken [kenteken] . De rechtbank is van oordeel dat het delict niet voltooid is door het ingrijpen van de politie. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder feit 2, primair, ten laste gelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van 820252-16:

1.

op of omstreeks 19 februari 2016 te Oosterhout

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning, gelegen

aan de [adres] ) heeft weggenomen

- een geldbedrag, van in totaal ca 550 Euro, in elk geval enig geldbedrag

en/of een (imitatie) parelketting en/of een trouwring (met diamantje) en/of

een Tablet (Samsung Galaxy) en/of een zegelboekje (AH) en/of een horloge en/of

een schoudertas en/of

- ( auto)sleutel(s) en/of een (personen) auto en/of

- een pinpas en/of een geldbedrag van in totaal circa 1250 Euro,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- onverwachts de voordeur (van de woning van die [slachtoffer 1] ) heeft/hebben

opengeduwd en/of

- zijn/hun gezicht (gedeeltelijk) heeft/hebben bedekt met een doek en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) naar achter heeft/hebben geduwd en/of

- die [slachtoffer 1] de woonkamer heeft/hebben ingesleurd en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [slachtoffer 1] in zijn/hun hand(en) gehouden en/of op het hoofd van

die [slachtoffer 1] hebben gericht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gehouden

en/of

- een mes voor het gezicht van die [slachtoffer 1] hebben gehouden en/of met dat mes in

het gezicht van die [slachtoffer 1] hebben gesneden en/of

(hierbij) die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend, meermalen, althans eenmaal,

-zakelijk weergegeven- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Waar zijn je

sieraden" en/of "Waar is je pinpas" en/of "Waar is je geld" en/of "Snel, snel"

en/of "Geef mij het goede nummer, want ik wil geld" en/of "Als ik niet het

goede nummer krijg, kom ik terug en schiet ik je dood", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

op of omstreeks 2 maart 2016 te Oosterhout tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening (uit een woning, gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen

- een of meer pinpas(sen) en/of een visa/creditcard en/of in totaal (circa)

1000 Euro, althans enig geldbedrag en/of een identiteitskaart/paspoort en/of

- een (groot) aantal sieraden, waaronder een gouden ring (met een robijn),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn

mededader(s)

- met (een) bivakmuts(en) of gezichtsbedekkende kleding op zijn/hun hoofd(en)

de woning van die [slachtoffer 2] is/zijn binnengegaan en/of

- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met een imitatievuurwapen/pistool) tegen

het hoofd en/of gezicht heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

- een vuurwapen/pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [slachtoffer 2] in zijn/hun hand(en) hebben gehouden en/of

- (hierbij) die [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend, meermalen, althans eenmaal

-zakelijk weergegeven- de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geld, geld,

geld" en/of "Kluis, kluis" en/of "Naar beneden" en/of "Open" en/of "Pincode,

pincode" en/of "Anders schiet(en) ik/we je dood", althans woorden van

soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

Ten aanzien van 800899-16:

1.

op of omstreeks 11 december 2016 te Breda

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning, gelegen

aan de [adres] ) (onder meer) heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of

een of meer sieraden en/of een telefoon (Iphone 6S) en/of een of meer tas(sen)

en/of een autosleutel (van een BMW X4, kenteken [kenteken] ) in elk geval enig

goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan

zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij,

verdachte en/of zijn mededader(s)

- een raam van die woning hebben verbroken en/of

- die woning zijn binnengedrongen en/of

- hun gezicht gedeeltelijk hebben bedekt en/of

- tegen die [slachtoffer 3] -zakelijk weergegeven- dreigend hebben gezegd dat zij geld

en/of waardevolle spullen moest afgeven en/of

- een mes nabij de keel van die [slachtoffer 3] hebben gehouden en/of een mes aan die [slachtoffer 3]

hebben getoond en/of

- die [slachtoffer 3] op een bed hebben geduwd en/of

- de handen en/of voeten van die [slachtoffer 3] hebben vastgebonden en/of getaped;

2, Subsidiair:

op of omstreeks 20 december 2016 te Oosterhout

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

weg te nemen

een (personen)auto (merk BMW X4, kenteken [kenteken] ),

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders

en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen (personen)auto onder zijn/haar/hun bereik te brengen

door middel van valse sleutel, hebbende hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) die auto met de afstandsbediening/sleutel van die auto

geopend/ontgrendeld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is primair van mening dat artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Gelet op de aard van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, dient het volwassenstrafrecht te worden toegepast. Op grond hiervan vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 2 jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, alsmede de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Subsidiair, indien de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van verdachte door de rechtbank niet wordt aangenomen en er geen terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd, vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 7 jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Indien de rechtbank het jeugdstrafrecht van toepassing acht dan vordert de officier van justitie verdachte een jeugddetentie van 2 jaren op te leggen met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en daarbij de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij een bewezenverklaring gesproken kan worden van ernstige feiten, maar niet van dien aard dat het volwassenenstrafrecht toegepast zou moeten worden.

Verdachte zou volgens de verdediging bereid zijn om na onherroepelijk worden van de strafzaak openheid van zaken te geven. Dit indien hem de kans wordt gegeven in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel dan wel een voorwaardelijke variant, behandeling (klinisch of ambulant) te ondergaan. Er is dan van een volhardende ontkenning immers geen sprake (meer). De verdediging stelt zich op het standpunt dat in het uiterste geval slechts overgegaan kan worden tot oplegging van een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan drie zeer lafhartige en bijzonder ernstige woningovervallen. Bij twee van die overvallen waren het bejaarde bewoners die het slachtoffer zijn geworden van het meedogenloos handelen van verdachte en zijn mededaders. Gewapend, vermomd en met toepassing van nodeloos geweld hebben zij zich toegang verschaft tot de woningen van de slachtoffers. Eenmaal binnen hebben zij zich, zonder enige vorm van gevoel voor de slachtoffers, gericht op goederen van waarde. Ook werden de pinpassen meegenomen en werden de slachtoffers met geweld of met dreiging met geweld gedwongen de pincodes prijs te geven. De koelbloedigheid van het handelen van verdachte en zijn mededaders blijkt onder meer uit het gegeven dat bij feit 1 van parketnummer 820252-16 tijdens de overval de auto van mevrouw [slachtoffer 1] is meegenomen naar de pinautomaat. Vervolgens is zij nog sarcastisch bedankt voor het gebruik van de auto.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. De slachtoffers waren op het moment van de overval alleen thuis en zagen zich in de veiligheid van hun eigen woningen geconfronteerd met drie personen met wapens. Onder ernstige bedreigingen hebben de slachtoffers mee moeten werken.

De twee bejaarde slachtoffers zijn door het toegepast geweld gewond geraakt. Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat het gebeuren nog steeds het leven van de slachtoffers beheerst en zij hier nog veel last van ondervinden.

Weliswaar is mevrouw [slachtoffer 3] niet fysiek gewond geraakt, maar uiteraard heeft dit gebeuren ook op haar een flinke impact gehad. Zij is liggend op haar bed vast getapet en achtergelaten. De overval heeft tot gevolg dat haar leven niet meer zo is als voorheen. Haar leven wordt nu beheerst door angst.

Bij dit alles heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld te komen.

In het nadeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de weinig coöperatieve proceshouding van verdachte. Verdachte blijft in alle toonaarden ontkennen en wil niet concreet reageren op bewijsmiddelen die zijn betrokkenheid bij de delicten aantonen. Ook laat de rechtbank in het nadeel van verdachte meewegen dat verdachte bij deze overvallen de voortrekkersrol heeft gehad. Dat blijkt onder meer uit zijn feitelijke rol bij de delicten en uit de in het dossier aanwezige telefoonberichten. Bovendien neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk dat hij tijdens zijn schorsing uit het voorarrest voor de overvallen op mevrouw [slachtoffer 1] en meneer [slachtoffer 2] , de overval op mevrouw [slachtoffer 3] heeft gepleegd. De kans en het vertrouwen die hij met de schorsing onder voorwaarden van de rechtbank had gekregen, heeft hij ernstig beschaamd. Anders dan de vader van verdachte ter zitting heeft verklaard is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een klein foutje voortkomend uit puberaal gedrag, maar zijn het ernstige delicten die verdachte heeft gepleegd waar verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor wil nemen. Daarbij neemt de rechtbank hem zeer kwalijk dat hij geen enkel mededogen heeft getoond met de slachtoffers van de door hem gepleegde delicten.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee zijn minderjarige leeftijd en het gegeven dat hij geen strafblad heeft.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 13 juli 2017. Uit het rapport van de raad komt naar voren dat bij de raad zorgen bestaan over de (persoonlijkheids)ontwikkeling van verdachte. In de visie van de raad is een behandeling noodzakelijk om deze zorgen weg te nemen en daarmee het recidiverisico te verlagen. De raad is van mening dat een behandeling binnen een ambulant kader niet volstaat en onvoldoende de zorgen zal wegnemen. Verdachte laat weinig probleembesef zien en zijn motivatie tot verandering lijkt beperkt en vooral extern bepaald. Door de houding van verdachte zijn er voorts onvoldoende mogelijkheden om hem klinisch te laten behandelen in een open setting, zoals in De Fjord of de Catamaran. Om genoemde redenen is een gedragsbeïnvloedende maatregel overwogen, maar als ontoereikend bestempeld.

De raad is verder van mening dat verdachte van een jeugddetentie te weinig zal leren en dat daar zelfs het gevaar in schuilt dat verdachte nog verder zal verharden. De raad ziet geen andere mogelijkheid dan de oplegging van een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) te adviseren.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad het advies herhaald.

De vertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft zich ter zitting achter het advies van de raad geschaard.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van ForCa Teylingereind van

6 juli 2017. Uit dit rapport wordt duidelijk dat verdachte niet meegewerkt heeft, waardoor slechts beperkt onderzoek heeft plaatsgevonden. Door de weigering van verdachte en de summier beschikbare informatie kunnen geen diagnostische conclusies geformuleerd worden, maar wordt de aanwezigheid van psychopathologie zeker niet uitgesloten. Er is een vermoeden dat de persoonlijkheidsontwikkeling zorgelijk verloopt. Er zijn aanwijzingen voor een zich ontwikkelende narcistische persoonlijkheidsstoornis waarbij de gewetensfuncties onderontwikkeld zijn en het gevoelsleven een zekere verharding kent. De diagnose kan evenwel niet gesteld worden door het gebrek aan medewerking. Zijn morele ontwikkeling en sociale afstemming lijken een belangrijk ontwikkelpunt te zijn voor verdachte, hierop lijkt hij uit te vallen in vergelijking met leeftijdgenoten. Op voorhand is volgens ForCa Teylingereind voorstelbaar dat een ambulante behandeling als risico met zich meebrengt dat er weinig zicht verkregen wordt op de beleving en gedrag van verdachte en dat daardoor dan ook slechts een geringe beïnvloeding kan worden bereikt.

Ter zitting heeft een van de deskundigen namens ForCa Teylingereind naar voren gebracht dat in het geval van een bewezenverklaring, sprake is van een gedragsstoornis bij verdachte.

Ten aanzien van de vraag of het volwassenenstrafrecht in de zin van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht toegepast moet worden, zoals primair door de officier van justitie geëist, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de overvallen op mevrouw [slachtoffer 1] en meneer [slachtoffer 2] pas 16 jaar oud was. Bij de feiten in de zaak met mevrouw [slachtoffer 3] was verdachte 17 jaar oud. De feiten zijn zonder uitzondering op een zeer volwassen wijze uitgevoerd. Daarbij is sprake van zeer ernstige en nare feiten. Gelet echter op de leeftijd van verdachte èn op het gegeven dat de rechtbank onvoldoende informatie over de persoonlijkheid van verdachte heeft, acht de rechtbank het toepassen van het volwassenenstrafrecht op dit moment niet aan de orde. Daarbij ziet de rechtbank voor toepassing van het volwassenenstrafrecht ook nog een contra-indicatie in de ongenaakbare houding van verdachte. Hij waant zich zo onaantastbaar en hij laat zo weinig realiteitszin zien, dat hij haast kinderlijk naïef opereert. Zo ook tijdens de zitting. De rechtbank zal daarom voor de strafoplegging, ondanks de ernst van de feiten, toch het jeugdstrafrecht toepassen.

Gelet op de ernst van de feiten, de gevolgen die deze hebben gehad voor de slachtoffers en de houding van verdachte is de rechtbank wel met de officier van oordeel dat op het handelen van verdachte niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf die de duur van het voorarrest te boven gaat. De rechtbank zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS waarin voor een woningoverval als uitgangspunt zes maanden jeugddetentie wordt geformuleerd. De rechtbank stelt vast dat er in het onderhavige geval sprake is van, onder andere, drie woningovervallen met diverse strafverzwarende omstandigheden die door de rechtbank reeds hiervoor zijn aangehaald.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een jeugddetentie van twee jaren, onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, passend en geboden is.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte geplaatst moet worden in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Een PIJ-maatregel kan alleen worden opgelegd als is vastgesteld dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten en ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Deze vaststelling gebeurt door de rechter, in beginsel op basis van de adviezen van twee gedragsdeskundigen in de zin van artikel 77s, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Deze eis wordt door de wetgever op grond van artikel 77s, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht echter buiten toepassing verklaard, indien een verdachte weigert aan een onderzoek naar zijn geestvermogens mee te werken. Ook dan blijft

vereist dat wordt vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van een PIJ niet mogelijk. De wet noch de jurisprudentie vereist echter dat de stoornis wordt geclassificeerd en/of dient te worden vastgesteld door een gedragsdeskundige. De rechter kan, zo blijkt uit de door de wetgever gekozen constructie, tot de vaststelling van een stoornis komen zonder dat een gedragsdeskundige dit heeft vastgesteld. Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.

Dat er in dit geval sprake is van een stoornis staat voor de rechtbank, gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, zijn jeugdige leeftijd, zijn houding tijdens de onderzoeken en ter zitting en hetgeen wel over verdachte bekend is, genoegzaam vast. De rechtbank voelt zich daarbij gesteund door het standpunt van de deskundigen ter zitting. Deze hebben immers aangegeven dat bij een bewezenverklaring, sprake is van een gedragsstoornis bij verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat zij, gezien het voorgaande, niet anders kan concluderen dan dat bij verdachte tijdens het begaan van de woningovervallen een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

De rechtbank stelt voorts vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

De rechtbank is verder van oordeel de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk, voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 7.783,43 voor feit 2 onder parketnummer 820252-16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voorts wordt verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het rechtstreekse verband tussen de posten ‘tuinonderhoud’ en ‘weekje weg’ enerzijds en de bewezenverklaring anderzijds niet vaststaat. De reiskosten voor het ziekenhuis kunnen in geval van een bewezenverklaring volgens de verdediging wel toegewezen worden. Het immateriële deel is naar de mening van de verdediging deels toewijsbaar, maar niet meer dan € 1.000,-.

Materiële schade:

De rechtbank is van oordeel dat de post reiskosten naar het ziekenhuis ad € 67,20 voldoende aannemelijk is gemaakt en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een - rechtstreeks - causaal verband tussen de woningoverval en de gevorderde kosten tuinonderhoud. Met de raadsman en de officier is de rechtbank van oordeel dat ook een – rechtstreeks – causaal verband tussen de overval en het weekje weg niet vast staat. Het is wel begrijpelijk dat de heer [slachtoffer 2] er met zijn vrouw even tussen uit is gegaan, maar dat maakt nog niet dat er voldoende causaal verband is om de kosten op de verdachte te verhalen.

Immateriële schade:

Een vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Op grond van de beschikbare gegevens en van beslissingen in de rechtspraak bij soortgelijke gevallen, zal de rechtbank het gevorderde bedrag matigen tot € 4.000,-. De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Toewijzing:

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 4.067,20 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit, waarvan € 67,20 ter zake van materiële schade en € 4.000,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dit bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Voorts zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Dit deel van de vordering kan eventueel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 16.644, 81 voor feit 1 onder parketnummer 800899-16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Voorts wordt verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de materiële schade reeds via de verzekering is uitgekeerd. Indien daar twijfels over zijn, dan dient de benadeelde partij in de visie van de verdediging niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van een onevenredig zware belasting van het strafproces. Het immateriële deel is naar de mening van de verdediging deels toewijsbaar, maar dient sterk gematigd te worden.

De rechtbank is van oordeel dat het immateriële deel tot een bedrag van € 4.000, - een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Voorts zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 36f, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2, primair van parketnummer 800899-16 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 820252-16:

feiten 1 en 2: Telkens: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Parketnummer 800899-16:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2, subsidiair: Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van twee jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Maatregel

- beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 4.067,20 waarvan € 67,20 ter zake van materiële schade en € 4.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 maart 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 4.067,20 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen vervangende jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. (BP.04A)

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van € 4.000, - ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. (BP.20)

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; (BP.22)

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] ,

€ 4.000, - te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen vervangende jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04A)

- heft in de zaak met parketnummer 820252-16 de schorsing van de voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Triest, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Janssen en mr. Hamburger, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Tafazzul, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 augustus 2017.

Mr. Hamburger is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummers ZB3R016027 en ZB3R016024 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 850 (hierna te noemen proces-verbaal 1) of van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB3R016133 van de regionale politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 602 (hierna te noemen proces-verbaal 2) Het proces-verbaal van aangifte door mevrouw [slachtoffer 1] , pagina 680-682 van proces-verbaal 1.

2 Het proces-verbaal van verhoor aangever, pagina 693 van proces-verbaal 1.

3 Het geschrift, te weten Bijlage goederen, pagina 688 en 689 van proces-verbaal 1.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 737 van proces-verbaal 1.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 747 van proces-verbaal 1.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 754 en 755 van proces-verbaal 1.

7 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pagina 178 van proces-verbaal 1.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 112 van proces-verbaal 1.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 493 van proces-verbaal 1.

10 Het proces-verbaal van aangifte de heer [slachtoffer 2] , pagina 213-216 van proces-verbaal 1.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 211-212 van proces-verbaal 1.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 345 van proces-verbaal 1.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 353 van proces-verbaal 1.

14 Het proces-verbaal van bevindingen tonen sieraden, pagina 393-394 van proces-verbaal 1.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 351 van proces-verbaal 1.

16 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 maart 2016, PL2000-2016079031-95, pagina 3 van proces-verbaal 1

17 Het NFI-rapport van 29 april 2016.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 323-324 van proces-verbaal 1.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 334-335 van proces-verbaal 1.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 324 van proces-verbaal 1.

21 Het proces-verbaal, pagina 434 van proces-verbaal 1.

22 Het proces-verbaal camerabeelden ABN AMRO, pagina 278-279 van proces-verbaal 1.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 405 van proces-verbaal 1.

24 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] , pagina 615-623 van proces-verbaal 1.

25 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] , pagina 634 van proces-verbaal 1.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 276 van proces-verbaal 1.

27 Screenshot beelden camera-3 van H9, pagina 277 van proces-verbaal 1.

28 Print van een camera, pagina 630 van proces-verbaal 1.

29 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 4] , pagina 621 van proces-verbaal 1.

30 Feit van algemene bekendheid.

31 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 449-450 van proces-verbaal 1.

32 Het proces-verbaal van bevindingen , pagina 438 en 439 van proces-verbaal 1.

33 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 424 en 425 van proces-verbaal 1.

34 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 440 van proces-verbaal 1.

35 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 441 van proces-verbaal 1.

36 Het proces-verbaal van aangifte door mevrouw [slachtoffer 3] , pagina 53 tot en met 55 van proces-verbaal 2.

37 Het proces-verbaal van aangifte door mevrouw [slachtoffer 3] , pagina 56 van proces-verbaal 2.

38 Het proces-verbaal van verhoor van mevrouw [slachtoffer 3] , pagina 63 van proces-verbaal 2.

39 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , pagina 123 van proces-verbaal 2.

40 Het proces-verbaal van verhoor op 27 februari 2017 van getuige [slachtoffer 3] door de rechter-commissaris.

41 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 148 van proces-verbaal 2.

42 Het proces-verbaal analyse telefoonnummers in gestolen telefoon, pagina 146 en 147 van proces-verbaal 2.

43 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 160 van proces-verbaal 2.

44 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , pagina 162 van proces-verbaal 2.

45 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 184 van proces-verbaal 2.

46 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , pagina 138 van proces-verbaal 2.

47 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 263 van proces-verbaal 2.

48 Het proces-verbaal stemherkenning, pagina 267 van proces-verbaal 2.

49 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 268 en 272 van proces-verbaal 2.

50 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 269 en 270 van proces-verbaal 2

51 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 300 en 301 van proces-verbaal 2.