Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4663

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
14-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3964
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:4757, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loonbelasting / artikel 2.3, tweede lid, Besluit Wfsv / hoge of lage sectorpremie van toepassing op buitenlandse uitzendkrachten?

Belanghebbende stelt in het buitenland geworven uitzendkrachten ter beschikking aan (onder meer) een met haar verbonden aspergeproductiebedrijf.

De rechtbank oordeelt dat op het door belanghebbende aan de uitzendkrachten uitbetaalde loon de hoge sectorpremie van toepassing is. In met de uitzendkrachten gesloten overeenkomsten staat weliswaar dat de uitzendkracht voor de duur van één jaar in dienst treedt, maar andere bepalingen in de overeenkomsten in combinatie met de feitelijke uitvoering daarvan brengen mee dat geen sprake is van een reële betekenis van de bepaling omtrent de duur van de indiensttreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1920
Viditax (FutD), 14-08-2017
FutD 2017-2076
NTFR 2017/2215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/3964

uitspraak van 27 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 27 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [aanslagnummer].A.02.450.1) loonheffingen van € 59.348 opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 1.951.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2016 de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 17 juni 2016, ontvangen bij de rechtbank op 20 juni 2016, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017 te Breda. Voor de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen wordt gezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

[A BV] (hierna: [A BV]), een met belanghebbende verbonden lichaam, exploiteert een aspergeproductiebedrijf. Tot 2014 werden hiervoor jaarlijks een groot aantal seizoenarbeiders geselecteerd en geworven in onder andere Letland en Griekenland.

2.2.

Op 14 februari 2014 is belanghebbende opgericht. In 2014 bestonden haar activiteiten uit het ter beschikking stellen van personeel.

2.3.

In 2014 heeft belanghebbende 214 uitzendkrachten (hierna: de uitzendkrachten) geworven. Gelet op de start van het aspergeseizoen, werden de uitzendkrachten eerst ingezet bij [A BV].

2.4.

Met ieder van de uitzendkrachten heeft belanghebbende een drietal overeenkomsten gesloten. Allereerst een “Overeenkomst fase A zonder uitzendbeding en met uitsluiting loondoorbetalingsverplichting (buitenlandse uitzendkracht)” (hierna: de uitzendovereenkomst). Daarin staat onder meer:

“(…)

In aanmerking nemende dat:

Uitzendkracht is met ingang van (…) 2014 in dienst getreden bij Werkgever op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd;

onderhavige arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt als uitzendovereenkomst (…) met dien verstande dat (…) het uitzendbeding niet van toepassing is en sprake is van uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting, (…)

(…)

Artikel 3. Arbeidstijd en Werktijden

1. De arbeidsduur bedraagt minimaal 300 uren per jaar. (…)

(…)

Artikel 4. Duur, (…), en einde van de uitzendovereenkomst

1. De werknemer treedt met ingang (…) 2014 als uitzendkracht in dienst voor bepaalde tijd voor de duur van 1 jaar en de uitzendovereenkomst zal derhalve eindigen met ingang van [Rechtbank: de hiervoor bedoelde datum plus 1 jaar].

2. Deze uitzendovereenkomst wordt pas geacht te zijn aangegaan en aangevangen op het tijdstip waarop de Uitzendkracht daadwerkelijk met de werkzaamheden aanvangt.

(…)

4. De uitzendovereenkomst eindigt van rechtswege (…) aan het einde van de bepaalde tijd zoals vermeld in lid 1 van dit artikel. De arbeidsovereenkomst eindigt eveneens van rechtswege op het moment dat Uitzendkracht na het seizoen terugkeert naar het woonland en niet terugkomt naar Nederland.

(…)”

Verder een “Bevestiging van Uitzending”. Daarin staat onder meer:

De ondergetekenden:

(…)

(…) komen overeen als volgt:

1. Werkgever zal Uitzendkracht per (…) ter beschikking stellen aan de Opdrachtgever [A BV] om onder leiding en toezicht van de Opdrachtgever arbeid te verrichten gedurende het aspergeseizoen in de functie van seizoenarbeider gedurende maximaal 6 maanden.

(…)”

En tot slot – op een later tijdstip – een “Vaststellingsovereenkomst”. Daarin staat onder meer:

“(…)

Artikel 1. Beëindiging arbeidsovereenkomst, eindafrekening en specificatie

1. Partijen beëindigen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang van (…) 2014, zulks op expliciet initiatief van Uitzendkracht.

(…)”

2.5.

Belanghebbende heeft een acquisitielijst aan de inspecteur overgelegd (bijlage 11 bij het verweerschrift) waaruit blijkt dat zij zich in week 22 van 2014 is gaan richten op het zoeken naar andere opdrachtgevers voor de uitzendkrachten. Uit diezelfde lijst blijkt dat belanghebbende gedurende een periode van drie weken (week 22 t/m 24) en 1 maal in week 48 heeft getracht om dergelijke andere opdrachtgevers te vinden. In een uursoort overzicht 2014 staat één andere opdrachtgever genoemd, te weten [B]. Volgens de acquisitielijst heeft ter zake van deze opdrachtgever in week 24 acquisitie plaatsgevonden. In de uitspraak op bezwaar staat dat belanghebbende ondanks al haar inspanningen slechts enkele opdrachtgevers heeft gevonden voor haar werknemers.

2.6.

Geen van de uitzendkrachten is een volledig jaar bij belanghebbende in dienst geweest.

2.7.

Bij e-mailbericht van 21 maart 2014 heeft een ambtenaar van de Belastingdienst die zich bezig houdt met sectorindeling (hierna: de belastingambtenaar) aan de gemachtigde van belanghebbende een bijlage gestuurd, waarin onder meer staat:

“(…)

Vraag:

Een werkgever sluit in 2006 een contract af met een werknemer voor (tenminste) een jaar, maar de werknemer neemt binnen het jaar ontslag. De werkgever weet echter niet of de werknemer ook recht heeft gekregen op een WW-uitkering. Moet de werkgever nu met terugwerkende kracht het hoge premiepercentage toepassen?

Antwoord:

Nee, de werkgever is daar niet toe gehouden als hij er niet mee bekend is dat de werknemer recht heeft gekregen op een WW-uitkering. (…)

Vraag:

Het feit dat de werknemer binnen het jaar ontslag krijgt of neemt, ligt niet aan de werkgever. Het kan zijn dat de werknemer een andere baan gevonden heeft, (…) Is de werkgever dan toch het hoge premiepercentage verschuldigd?

Antwoord:

Of de werkgever een verwijt te maken valt van het feit dat de dienstbetrekking binnen het jaar is geëindigd, is niet relevant voor toepassing van het hoge premiepercentage. Bepalend is of uit de dienstbetrekking binnen het jaar een recht op WW is voortgevloeid. (…)

(…)”

2.8.

In een e-mailbericht van de belastingambtenaar aan de gemachtigde van belanghebbende van 8 april 2014 staat onder meer:

“(…)

U heeft verder overgelegd voorbeelden van de te hanteren uitzendovereenkomsten. U bent op grond daarvan van mening dat voor de uitzendovereenkomsten vallend onder sector 1. Agrarisch bedrijf de lage sectorpremies geldt. Met betrekking tot het laatste deel ik u mee dat ik de betreffende overeenkomsten binnen onze dienst ter verdere toetsing heb voorgelegd. Ik zal u te zijner tijd informeren over de uitkomst daarvan. Vooralsnog gelieve cliënt in de aangifte van het personeel, waarbij gebruik gemaakt wordt van de overeenkomst zonder uitzendbeding (en welke van rechtswege eindigen bij seizoenseinde etc.) de hoge sector premie behorend bij sector 1. Agrarisch bedrijf te hanteren.

(…)”

2.9.

Belanghebbende heeft in de periode waarover de bestreden naheffingsaanslag is opgelegd, premies afgedragen op basis van de lage sectorpremie (0,98%) over een premiegrondslag van € 899.207 in verband met het loon dat aan de uitzendkrachten is betaald. Bij de naheffingsaanslag heeft de inspecteur nageheven naar de hoge sectorpremie van 7,58%, resulterend in een naheffingsaanslag tot het in 1.1 vermelde bedrag.

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente terecht zijn opgelegd onderscheidenlijk afgegeven. Meer in het bijzonder is in geschil of op het door belanghebbende uitbetaalde loon de hoge sectorpremie van toepassing is (standpunt van de inspecteur) of de lage sectorpremie (standpunt belanghebbende), en, zo het eerste het geval is, of het vertrouwensbeginsel is geschonden.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar, van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente.

3.4.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat de lage sectorpremie van toepassing is, omdat zij met de in 2.3 bedoelde uitzendkrachten jaarcontracten is overeengekomen, zodat is voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3, tweede lid van het Besluit van 16 november 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen en enige andere wetten (hierna: het Besluit Wfsv).

4.2.

Artikel 2.3, tweede lid van het Besluit Wfsv luidt, voor zover hier van belang:

“De verschillende sectorpremiepercentages gelden voor:

a. werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever, tenzij:

(…)”

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat zij, mede gelet op de toelichting ter zitting van de vertegenwoordigers van belanghebbende over de achtergrond en reden van oprichting van belanghebbende, geen reden heeft om te twijfelen aan de intentie van belanghebbende om te proberen de uitzendkrachten voor een langere periode werk te bieden om hen zo langer aan haar te binden. Dat neemt echter niet weg dat de bepalingen in de in 2.4 genoemde overeenkomsten in combinatie met de feitelijke uitvoering daarvan naar het oordeel van de rechtbank meebrengen dat geen sprake is van een reële betekenis van de bepaling in artikel 4, eerste lid van de uitzendovereenkomst, dat de uitzendkracht voor de duur van één jaar in dienst treedt. De rechtbank heeft daarbij het volgende in onderlinge samenhang in aanmerking genomen.

4.4.1.

In artikel 4, tweede lid van de uitzendovereenkomst staat dat deze pas wordt geacht te zijn aangegaan en aangevangen op het tijdstip waarop de uitzendkracht daadwerkelijk met de werkzaamheden aanvangt. Deze datum kan dus op een later moment zijn gelegen dan de in het eerste lid van betreffend artikel 4 genoemde datum van indiensttreding. In het tweede lid van betreffend artikel 4 is echter niet bepaald dat de uitzendovereenkomst bij een later begin ook later eindigt.

In artikel 4, vierde lid van de uitzendovereenkomst is bepaald dat deze eindigt op het moment dat de uitzendkracht na het seizoen terugkeert naar het woonland en niet terugkomt naar Nederland.

Het voorgaande brengt mee dat de uitzendkrachten op basis van de tekst van de uitzendovereenkomst voor een kortere duur dan één jaar in dienst bij belanghebbende konden zijn.

4.4.2.

Verder is van belang dat geen loondoorbetalingsverplichting gold (zie de uitzendovereenkomst) en de arbeidsduur in de uitzendovereenkomst is gesteld op minimaal 300 uur. Voor belanghebbende had het opnemen van de eenjaarstermijn in de uitzendovereenkomst in dit opzicht geen mogelijke negatieve consequenties in het geval zij geen werk voor de uitzendkrachten had. Daarbij komt dat juist in de rede lag dat indien belanghebbende niet voor werk zou kunnen zorgen, een buitenlandse uitzendkracht zou meewerken aan de beëindiging van de overeenkomst (of een beëindiging zou initiëren), juist omdat een buitenlandse uitzendkracht naar Nederland kwam om geld te verdienen en belanghebbende de huisvesting van de uitzendkracht verzorgde en de inkoopkosten daarvan doorberekende aan de uitzendkracht. Gelet op het voorgaande leidde het opnemen van de eenjaarstermijn – behoudens de voorziene periode van maximaal zes maanden voor uitzending aan [A BV] – niet tot een reële verplichting voor belanghebbende ten opzichte van de uitzendkrachten, althans niet aannemelijk is geworden dat dit wel het geval was. In dat opzicht heeft de eenjaarstermijn geen wezenlijk materiële betekenis.

Hetzelfde geldt, vice versa, voor de uitzendkrachten ten opzichte van belanghebbende. Het opnemen van de eenjaarstermijn leidde – behoudens voor de voorziene periode van maximaal zes maanden voor uitzending aan [A BV] – niet tot een reële verplichting van de uitzendkracht aan belanghebbende (althans niet aannemelijk is geworden dat dit wel het geval was). Dat de uitzendkracht in wezen de vrijheid had om na het aspergeseizoen te gaan werken waar hij wilde, vindt ook steun in artikel 4, vierde lid, van de uitzendovereenkomst (zie ook 4.4.1). Dat er wel een reële verplichting zou zijn, ligt ook niet voor de hand, mede gelet op de afwezigheid van een loondoorbetalingsverplichting. Ook vanuit de uitzendkracht bezien heeft de eenjaarstermijn dus geen wezenlijk materiële betekenis.

Het voorgaande duidt erop dat de eenjaarstermijn alleen is opgenomen om te voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de lage sectorpremie (zie 4.2) maar in de rechtsverhouding tussen de uitzendkracht en belanghebbende geen wezenlijke betekenis had.

4.4.3.

Dat de eenjaarstermijn geen reële betekenis had, vindt bovendien steun in de feitelijke gang van zaken. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende met 214 uitzendkrachten een uitzendovereenkomst gesloten, maar van hen is niemand feitelijk een heel jaar bij belanghebbende in dienst geweest.

Belanghebbende is pas in week 22 van het jaar 2014, welke liep van 28 mei tot en met 1 juni, begonnen met het zoeken van andere opdrachtgevers voor de uitzendkrachten, terwijl de uitzendovereenkomst met daarin de eenjaarstermijn met alle 214 uitzendkrachten toen reeds was overeengekomen. De pogingen om andere opdrachtgevers te vinden hebben slechts drie weken geduurd, zodat ook de pogingen om de uitzendkrachten een heel jaar in dienst te houden, mede gelet op het aantal uitzendkrachten, marginaal zijn geweest.

4.5.

Gelet op het al het vorenstaande, is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3, tweede lid van het Besluit Wfsv.

4.6.

Voor dat geval stelt belanghebbende dat de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat belanghebbende de lage sectorpremie mocht toepassen. Zij beroept zich allereerst op de in 2.7 weergegeven vragen en antwoorden en stelt dat haar situatie in het onderhavige jaar gelijk was aan de daarin bedoelde situatie(s). Verder wijst zij op het in 2.8 bedoelde e-mailbericht waarin staat dat de hoge sectorpremie van toepassing is op arbeidsovereenkomsten die van rechtswege eindigen bij seizoenseinde. Nu belanghebbende de intentie had om de uitzendkrachten ook na het einde van het seizoen ter beschikking te stellen, zou volgens haar dus de lage sectorpremie mogen worden toegepast.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – op wie in dit opzicht de bewijslast rust – niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

Ten aanzien van de in 2.7 weergegeven vragen en antwoorden merkt de rechtbank op dat deze uitgaan van de situatie dat met de uitzendkracht een overeenkomst voor een jaar is overeengekomen. Nu geen sprake is van een reële betekenis van de bepaling in de uitzendovereenkomst over de eenjaarstermijn, was de situatie van belanghebbende in het onderhavige jaar dus niet gelijk aan de situaties als bedoeld in de in 2.7 weergegeven vragen en antwoorden. De juridische status van het document met de vragen en antwoorden, kan dan in het midden blijven.

Uit de omstandigheid dat in een e-mailbericht een situatie is genoemd waarin de hoge sectorpremie van toepassing is, kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat als deze situatie zich niet voordoet dit betekent dat de lage sectorpremie van toepassing is.

4.8.

Nu de berekening van de naheffingsaanslag niet in geschil is, dient gelet op het voorgaande het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 27 juli 2017 door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. M.R.T. Pauwels en mr. dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is het proces-verbaal ondertekend door mr. M.R.T. Pauwels.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.