Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4614

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 3809
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanslagen zuiveringsheffing (bedrijfsruimte) jaren 2012 t/m 2015 en rioolheffing jaren 2013 t/m 2015

Belanghebbende, eigenaar van een woning, verhuurt de woning aan een derde. De woning staat met een aantal soortgelijke woningen op een terrein. Volgens belanghebbende hadden de aanslagen zuiveringsheffing en rioolheffing niet aan hem mogen worden opgelegd, omdat (i) sprake is van een recreatieterrein, (ii) het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden (ook in de zin van de Grondwet) en (iii) hij geen gebruiker is van de woning. Met betrekking tot de aanslagen zuiveringsheffing heeft belanghebbende voorts gesteld dat sprake is van een woonruimte (i.p.v. een bedrijfsruimte), één van de aanslagen niet binnen de driejaarstermijn is opgelegd en de ingenomen hoeveelheid water van een bepaald kalenderjaar, zoals door de heffingsambtenaar is herleid, onjuist is. De rechtbank stelt belanghebbende slechts in het gelijk inzake de herleiding van de hoogte van de ingenomen hoeveelheid water in een kalenderjaar. De rechtbank oordeelt daarover dat de heffingsambtenaar niet nader een wijze van herleiding heeft vastgesteld, wat uit het oogpunt van rechtsongelijkheid en consistentie wel geboden was. Voor al het overige stelt de rechtbank belanghebbende in het ongelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1910
V-N 2017/51.18.50
Viditax (FutD), 14-08-2017
FutD 2017-2091
NTFR 2017/2227
NLF 2017/2065 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 16/3809, 16/3811, 16/3812, 16/2171, 16/3810, 16/3813 en 16/3814

uitspraak van 26 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de volgende (voorlopige) aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimten en rioolheffing woningen over de navolgende jaren aan belanghebbende opgelegd.

Zaaknr.

Jaar

Aanslagnr.

Soort aanslag

Dagtek.

16/3809

2012

[aanslagnummer 1]

Zuiv.heff.

31-12-2015

16/3811

2013

[aanslagnummer 2]

Zuiv.heff.

31-03-2016

16/3812

2014

[aanslagnummer 3]

Zuiv.heff.

31-12-2015

16/2171

2015

[aanslagnummer 4]

Zuiv.heff. (voorlopig)

31-12-2015

16/3810

2013

[aanslagnummer 5]

Rioolheff.

31-12-2015

16/3813

2014

[aanslagnummer 6]

Rioolheff.

31-12-2015

16/3814

2015

[aanslagnummer 7]

Rioolheff.

31-12-2015

1.2.

Tegen deze belastingaanslagen, met uitzondering van de aanslag zuiveringsheffing 2013, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 19 februari 2016 deze aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 31 maart 2016, ontvangen bij de rechtbank op 5 april 2016, beroep ingesteld. Ter zake van de beroepen heeft de griffier van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 46. Het beroepschrift, althans in elk geval de aanvulling daarop bij brief van 7 mei 2016, is ook gericht tegen de aanslag zuiveringsheffing 2013 (zie nader 4.1).

1.4.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017 te Breda. Voor de aldaar verschenen en gehoorde personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de eerste zitting waarvan een afschrift op 30 januari 2017 aan partijen is verzonden.

1.6.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2017 te Breda. Voor de aldaar verschenen en gehoorde personen en het verhandelde ter zitting verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de nadere zitting, waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1.7.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). De woning heeft een eigen huisnummer en een eigen watermeter. De woning is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel en beschikt over eigen voorzieningen zoals een badkamer en sanitair.

2.2.

De woning is gelegen op een terrein genaamd ’[terrein A]’ (hierna: [terrein A]).

3 Geschil

3.1.

In geschil is primair of de onder 1.1 vermelde belastingaanslagen zuiveringsheffing en rioolheffing terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Subsidiair bestrijdt belanghebbende van bepaalde aanslagen de hoogte.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde op de zittingen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de belastingaanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Op de eerste zitting is geconstateerd dat belanghebbende binnen de bezwaartermijn beroep heeft ingesteld tegen de aanslag zuiveringsheffing 2013. Partijen hebben op die zitting ingestemd met prorogatie.

Zuiveringsheffing

Juridisch kader

4.2.

In de Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta (hierna: de Verordening zuiveringsheffing) staat voor ieder van de onderhavige jaren het volgende, voor zover van belang, vermeld:

‘Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

(…)

d woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

e bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.

(…)

Artikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht

(…)

2 Aan de heffing worden onderworpen:

a ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;

(…)

3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:

a in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing is aangewezen;

b in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

c in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.

(…)

Artikel 4 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid

1 De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar (…).

(…)

Artikel 10 Tabel afvalwatercoëfficiënten

(…)

2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt berekend volgens de formule A x B, waarbij

A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;

B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.

3 Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze.

4 De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 122k van de Waterschapswet.

(…)

Artikel 15 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten

1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.

2. Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de heffingsambtenaar BWB.’

Artikel 16 Vervuilingswaarde van woonruimten

1. In afwijking van (…), wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één vervuilingseenheid.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.’

Hadden de aanslagen aan [terrein A] moeten worden opgelegd?

4.3.1.

Belanghebbende heeft met betrekking tot de aanslagen zuiveringsheffing gesteld dat sprake is van een recreatieterrein in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing en dat daarom niet aan hem maar aan [terrein A] aanslagen hadden moeten worden opgelegd. De heffingsambtenaar heeft dit standpunt betwist mede met verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof ’s Hertogenbosch 26 maart 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AO8697.

4.3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woningen op [terrein A] in volle eigendom zijn van verschillende eigenaren. De paden, omheiningen en de aanwezige collectieve voorzieningen zijn eigendom van de VVE. Naar de rechtbank begrijpt wordt de woning van belanghebbende permanent gebruikt voor huisvesting van buitenlandse werknemers, en geldt dat ook voor een aantal andere woningen op het terrein. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat het terrein van [terrein A] geen gedeelde voorzieningen kent zoals een slagboom, de aanwezigheid van een parkplattegrond op het terrein, een centrale balie/receptie, wasgelegenheid en toiletvoorzieningen zoals op een verblijfsrecreatieterrein gebruikelijk is. De rechtbank is gelet op alle voornoemde omstandigheden van oordeel dat geen sprake is van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden dat sprake is van collectieve parkeervoorzieningen, riolering, paden en verlichting, omheiningen en groen, zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Opmerking verdient verder dat indien [terrein A] wel als recreatieterrein zou kunnen worden aangemerkt, dit nog niet meebrengt dat ter zake van de woning van belanghebbende bij [terrein A] en niet bij belanghebbende geheven moet worden. Voor de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing moet immers ook sprake zijn van een ‘voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte’ (vgl. HR 15 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AS2768). Gelet op het gebruik van de woning kan niet worden gezegd dat deze voor recreatiedoeleinden bestemd is. Bovendien is de woning van belanghebbende niet als ‘woonruimte’ aan te merken (zie 4.5.3).

Gelijkheidsbeginsel

4.4.1.

Belanghebbende heeft zich voorts beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel. Daarvoor heeft belanghebbende aangevoerd dat bij de recreatieparken ‘[recreatiepark B]’ en ‘[recreatiepark C]’ de parken – en niet de eigenaren van de woningen op het park – worden aangeslagen voor de zuiveringsheffing. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat geen sprake is van gelijke gevallen; de voorzieningen op de twee andere parken stellen beduidend meer voor dan bij [terrein A].

4.4.2.

Mede gelet op het verweer van de heffingsambtenaar zijn er geen aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat sprake is geweest van begunstigend beleid of oogmerk tot begunstiging bij de heffingsambtenaar.

4.4.3.

Beoordeeld dient te worden of de heffingsambtenaar een meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen door een fout gunstiger heeft behandeld dan belanghebbende zelf (de zogenoemde meerderheidsregel). Achtergrond van de meerderheidsregel is de bescherming van belastingplichtigen tegen een willekeurige ongelijke behandeling (vgl. HR 16 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2576). Wat betreft de vergelijkbare gevallen moet sprake zijn van onderling te vergelijken gevallen, dat wil zeggen gevallen die het kenmerk of de kenmerken gemeen hebben ter zake waarvan de fout is gemaakt (vgl. HR 17 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5015, BNB 1992/294).

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de voormelde achtergrond, (de woning van) belanghebbende voor de toepassing van de meerderheidsregel niet te vergelijken is met (woningen van) eigenaren op de twee andere parken, waar het gaat om de kwestie of sprake is van een recreatieterrein. Beantwoording van de vraag of een park als een recreatieterrein is aan te merken, hangt namelijk af van een waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. En niet in geschil is dat er feitelijke verschillen zijn tussen [terrein A] en de twee andere parken (vgl. aanvulling beroepschrift, punt 5.2.1). Dat volgens belanghebbende deze feitelijke verschillen onvoldoende zijn om te kunnen verklaren dat (de eigenaren bij) de twee andere parken anders worden behandeld dan (de eigenaren bij) [terrein A], kan aan het voorgaande niet afdoen. Immers, ook indien juist zou zijn dat de twee andere parken ten onrechte als recreatieterrein zijn aangemerkt, blijft staan dat er feitelijke verschillen zijn waardoor niet gezegd kan worden dat sprake is van een groep vergelijkbare gevallen. Anders gezegd, ook indien de twee andere parken ten onrechte zouden zijn aangemerkt als recreatieterrein, brengt dat nog niet mee dat de ongelijke behandeling van belanghebbende op willekeur is gebaseerd, aangezien het gaat om een waarderingskwestie en de feiten anders zijn.

Niet uit te sluiten is dat belanghebbende voor de toepassing van de meerderheidsregel wel vergeleken kan worden met (ook) de eigenaren op de twee andere parken, waar het gaat om het criterium ‘voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimte’. Belanghebbende heeft in dat kader echter geen stellingen naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat door een fout in de meerderheid van de gevallen de Verordening onjuist is toegepast.

4.4.4.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnota bij de eerste zitting nog de vraag opgeworpen of de Verordening zuiveringsheffing in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, omdat iemand die op een recreatieterrein woont beter af is dan iemand die niet op een recreatieterrein woont. De rechtbank laat in het midden of dit laatste altijd het geval is. De regeling voor recreatieterreinen is gebaseerd op artikel 122h van de Waterschapswet. De regeling kan daarom gelet op het toetsingsverbod (artikel 120 Grondwet) niet aan de Grondwet worden getoetst. Van schending van het discriminatieverbod in het EVRM of IVBPR is evenmin sprake, nu de keuze voor een regeling voor recreatieterreinen binnen de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid valt.

4.4.5.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt dus.

Bedrijfsruimte of woonruimte?

4.5.1.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de aanslagen zuiveringsheffing bedrijfsruimte onterecht zijn opgelegd nu in zijn geval sprake is van een woonruimte (indien geen sprake is van een recreatieterrein).

4.5.2.

De rechtbank verwijst voor de begrippen ‘woonruimte’ en ‘bedrijfsruimte’ naar artikel 1, aanhef en onder d en e, van de Verordening zuiveringsheffing zoals onder 4.2 staat vermeld. Het begrip woonruimte moet in overeenstemming met artikel 122h, eerste lid van de Waterschapswet worden opgevat. Uit jurisprudentie en de wetgeschiedenis van de Waterschapswet volgt dat sprake is van een woonruimte indien de woning door een gezin of een met een gezin gelijk te stellen leefeenheid wordt bewoond. Van laatstgenoemde is sprake indien personen, die naar het spraakgebruik geen gezin vormen, gezamenlijk een huishouding voeren welke de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft. Zie voor een en ander de uitspraak van deze rechtbank van 7 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5545 met verwijzing naar HR 23 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8591, BNB 1984/283 en Kamerstukken II 1998/1999, 26 235, nr. 3, p. 13.

4.5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in de onderhavige jaren niet door een gezin werd bewoond. Evenmin is aan de orde (nu dit gesteld noch aannemelijk is geworden) dat de woning werd bewoond door personen die gezamenlijk een huishouding voerden die de voor een gezin kenmerkende eigenschappen heeft. Volgens belanghebbende werd de woning bewoond door buitenlandse werknemers. Niet aannemelijk is geworden dat er tussen de bewoners enige andere betrekking, samenhang of bindende factor bestaat dan het in de vorm van medegebruik gezamenlijk gebruiken van de voorzieningen in de woning. Nu de woning in de onderhavige jaren niet wordt bewoond door een gezin of een daarmee gelijk te stellen leefeenheid kan de woning niet worden aangemerkt als woonruimte, en zijn de aanslagen zuiveringsheffing terecht voor een bedrijfsruimte opgelegd.

Tijdigheid aanslag 2012

4.6.1.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat de aanslag zuiveringsheffing 2012 buiten de driejaarstermijn is opgelegd. Volgens belanghebbende vangt de driejaarstermijn aan op 1 januari 2012 en eindigt deze op 31 december 2014.

4.6.2.

Vast staat dat de heffingsmaatstaf van voormelde aanslag bepaald is naar het waterverbruik en niet forfaitair is vastgesteld. Nu de betreffende aanslag niet op forfaitaire wijze is bepaald maar aan de hand van het waterverbruik, wordt de belastingschuld overeenkomstig artikel 11, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang gelezen met artikel 123 van de Waterschapswet geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het tijdvak eindigt, waarna de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld. Vergelijk Hof Arnhem van 7 februari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV7054. Nu als heffingsjaar het kalenderjaar heeft te gelden (artikel 5 van de Verordening zuiveringsheffing) kan de grootte van de belastingschuld eerst worden vastgesteld na afloop van het jaar 2012. Aangezien de aanslag zuiveringsheffing 2012 op 31 december 2015 is opgelegd, is de aanslag binnen de driejaarstermijn van artikel 11, derde lid van de AWR vastgesteld. Bij het voorgaande verdient opmerking dat weliswaar op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening zuiveringsheffing bij een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15 van de Verordening zuiveringsheffing, de belastingschuld reeds bij het begin van het heffingsjaar ontstaat, maar dat van een dergelijke bedrijfsruimte hier geen sprake is. Belanghebbende heeft namelijk niet voldaan aan de in dat artikel vermelde bewijslast (vgl. ook 4.7.4 hierna).

Hoogte vervuilingseenheden 2012

4.7.1.

De aanslag zuiveringsheffing 2012 is opgelegd naar 5,4 vervuilingseenheden. Dit aantal is gebaseerd op een formule die is vermeld in artikel 10, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing. Bij de toepassing van de formule is als basis genomen het waterverbruik volgens het waterbedrijf in de periode tussen 3 december 2011 en 29 november 2012 van 235 m3, welk verbruik vervolgens is herleid tot een verbruik voor het kalenderjaar 2012 van 235 m3/361 dagen x 365 dagen = 237 m3. Dit getal is vervolgens vermenigvuldigd met een afvalwatercoëfficiënt per m3 van 0,023.

4.7.2.

Belanghebbende heeft hiertegen het volgende aangevoerd:

- het hanteren van het waterverbruik van 237 m3 is niet juist. Omdat een groot deel van het water is gebruikt voor de grondige verbouwing van tweetal omliggende huisjes, dient een gedeelte van het waterverbruik niet aan de woning te worden toegerekend;

- de periode waarover het waterbedrijf het waterverbruik heeft berekend, is niet gelijk aan het kalenderjaar zoals genoemd in het tweede lid van artikel 10 van de Verordening zuiveringsheffing. Volgens belanghebbende moet van het waterverbruik van 237 m3 voor 2011/2012 één maand aan 2011 worden toegerekend, en moet voor het waterverbruik van 150 m3 voor 2012/2013 één maand aan 2012 worden toegerekend.

- het is niet redelijk en billijk om ten aanzien van de woning de fictieve vervuilingswaarde van 0,023 m3 te hanteren terwijl uit het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 blijkt dat het vervuilingscoëfficiënt per m3 water van een recreatiewoning 0,021 m3 is.

4.7.3.

Het eerste argument helpt belanghebbende niet. De heffingsgrondslag wordt bepaald door de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De heffingsmaatstaf is de vervuilingswaarde, die wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden (artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing). Niet in geschil is dat voor de bepaling van het aantal vervuilingseenheden hier terecht de formule A x B van artikel 10, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing is gebruikt. Onderdeel A van de formule is het aantal m3 ten behoeve van de bedrijfsruimte ingenomen water. Het feit dat hier een hoeveelheid ten behoeve van de woning ingenomen water is gebruikt voor andere woningen, is dus niet van belang voor de bepaling van de heffingsgrondslag. Het doel van het waterverbruik is immers niet maatgevend. Dat het water is gebruikt voor andere woningen doet niet eraan af dat het water eerst ten behoeve van de woning is ingenomen.

4.7.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de ingenomen hoeveelheid water (hierna ook: het waterverbruik) in de periode tussen 3 december 2011 en 29 november 2012 235 m3 is geweest. Artikel 10, derde lid, van de Verordening zuiveringsheffing bepaalt dat indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en aan het aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, de ambtenaar belast met de heffing die hoeveelheid vaststelt op een door hem nader vast te stellen wijze. Volgens de toelichting bij de Verordening zuiveringsheffing wordt in het geval dat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf afrekent niet gelijk is aan het kalenderjaar, de beschikbare gegevens herleid tot verbruik over het kalenderjaar.

Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar enige beleidsvrijheid met betrekking tot de herleiding van het waterverbruik. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de heffingsambtenaar daaraan invulling heeft gegeven op zichzelf niet onredelijk is, in aanmerking genomen dat de door belanghebbende bepleite methode als praktisch nadeel heeft dat aan het eind van het belastingtijdvak nog niet alle gegevens bekend zijn. Uit artikel 10, derde lid, van de Verordening zuiveringsheffing volgt echter dat de herleiding dient te gebeuren op “een door [de heffingsambtenaar] nader vast te stellen wijze”. De heffingsambtenaar kon desgevraagd op de eerste zitting niet duidelijk maken waarop de door hem toegepaste herleiding (zie 4.7.1) is gebaseerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de heffingsambtenaar niet nader een wijze van herleiding heeft vastgesteld, wat uit het oogpunt van rechtsgelijkheid en consistentie wel geboden was. De rechtbank stelt het waterverbruik in goede justitie tijdsevenredig vast op 11/12 x 235 m3 plus 1/12 x 150 m3 is afgerond 227,9 m3. Niet aannemelijk is geworden dat het waterverbruik lager is. Het tweede argument van belanghebbende treft dus gedeeltelijk doel.

4.7.5.

De aanslag zuiveringsheffing 2012 is door de heffingsambtenaar berekend op basis de hoeveelheid ingenomen water en is uitgedrukt in vervuilingseenheden. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Verordening zuiveringsheffing wordt het aantal vervuilingseenheden bepaald door de hoeveelheid ingenomen water te vermenigvuldigen met de afvalwatercoëfficiënt dat behoort bij de klasse van de in Bijlage 2 (tabel watercoëfficiënten) van de Verordening zuiveringsheffing opgenomen tabel. De indeling in een klasse geschiedt op grond van artikel 10, vierde lid, van de Verordening Zuiveringsheffing in samenhang met artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009. Volgens de tabel van artikel 2 van voornoemd besluit is de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water van de niet in de tabel vermelde bedrijfsruimten 0,021. Op grond van bijlage 2 (tabel watercoëfficiënten) valt de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water van 0,021 binnen de bandbreedte van klasse 8 van de tabel watercoëfficiënten. Klasse 8 heeft volgens de tabel watercoëfficiënten een afvalwatercoëfficiënt van 0,023. De toegepaste afvalwatercoëfficiënt van 0,023 is dus juist.

Belanghebbende voert aan dat het onredelijk is om een afvalwatercoëfficiënt van 0,023 te hanteren terwijl op basis van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde de vervuilingswaarde 0,021 bedraagt. Dit argument kan belanghebbende niet baten. Het is inherent aan het werken met klassen dat zo’n effect kan optreden. Het werken met klassen is op zichzelf niet onredelijk en is bovendien in de Waterschapswet (artikel 122k) neergelegd. Dit laatste maakt dat de rechter de redelijkheid van de klassen niet mag toetsen, behoudens aan internationale verdragen. Van schending van een internationaal verdrag is echter geen sprake.

4.7.6.

De aanslag zuiveringsheffing 2012 moet gelet op het voorgaande worden verminderd tot een opgelegd naar (227,9 m3 x 0,023 is) 5,2 vervuilingseenheden, dus – gelet op het tarief van € 49,60 – van € 267,84 naar € 257,90.

Gebruiker?

4.8.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnota bestreden dat hij aangemerkt kan worden als gebruiker voor de rioolheffing. Zo – gelet op enerzijds de daarvoor aangevoerde gronden en anderzijds artikel 3 van de Verordening zuiveringsheffing inzake de heffingsplicht – dit verweer ook geacht moet worden betrekking te hebben op de aanslagen zuiveringsheffing, faalt het verweer (zie 4.14 hierna).

Conclusie

4.9.

Gelet op al wat hiervoor is overwogen, is het beroep betreffende de aanslag zuiveringsheffing 2012 gegrond en zijn de overige beroepen betreffende de aanslagen zuiveringsheffing ongegrond.

Rioolheffing

Juridisch kader

4.10.

In de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing van de [gemeente X] (hierna: de Verordening rioolheffing) staat het volgende, voor zover van belang, vermeld:

Artikel 1 Begripsomschrijving [rb: tekst jaren 2013 tot en met 2015]

Deze verordening verstaat onder:

a. perceel: een onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken of een roerende zaak;

(…)

e. recreatieterrein: een terrein met inbegrip van de roerende en onroerende opstallen dat is bestemd voor verblijfsrecreatie, (…);’

‘Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht [rb: tekst jaar 2013]

  1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  2. Als gebruiker wordt aangemerkt:

  1. degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, het perceel al dan niet door eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

  2. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 3 - voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

(…)

4. Het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld.

5. Als gebruiker van een recreatieterrein wordt aangemerkt degene die het recreatieterrein exploiteert, dan wel een vereniging van eigenaren of gebruikers van de percelen die deel uitmaken van het recreatieterrein.’

‘Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht [rb: tekst jaren 2014 en 2015]

1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Met betrekking tot de rioolheffing wordt:

a) als gebruiker wordt aangemerkt degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

(…)

d) het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

3. Als gebruiker van een recreatieterrein wordt aangemerkt degene die het recreatieterrein exploiteert, dan wel een vereniging van eigenaren of gebruikers van de percelen die deel uitmaken van het recreatieterrein.’

Artikel 4 Belastingobject [rb: tekst jaren 2013 tot en met 2015]

(…)

2. Percelen die op een recreatieterrein zijn gelegen, worden als één perceel in de heffing betrokken als een recreatieterrein.’

Recreatieterrein voor de rioolheffing?

4.11.

Belanghebbende heeft in het kader van de aanslagen rioolheffing dezelfde gronden – als bij de zuiveringsheffing – aangevoerd voor zijn stelling dat voor de rioolheffing sprake is van een recreatieterrein en dat daarom niet hij maar de VVE als gebruiker had moeten worden aangeslagen. De heffingsambtenaar heeft betoogd dat voor het begrip recreatieterrein aansluiting moet worden gezocht bij de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en dat de woning afzonderlijk is gewaardeerd voor de Wet WOZ.

De rechtbank verwerpt het eerste deel van het verweer van de heffingsambtenaar. De Verordening rioolheffing kent een eigen definitie van het begrip recreatieterrein; er wordt in die definitie niet verwezen naar de Wet WOZ. Dat in de Verordening rioolheffing (jaar 2013 en jaar 2014) bij de definitie van het begrip ‘perceel’ wel wordt verwezen naar de Wet WOZ kan daaraan niet afdoen. De definitie van het begrip recreatieterrein in de Verordening rioolheffing is ook niet woordelijk gelijk aan die in artikel 16, aanhef en letter e, van de Wet WOZ.

De heffingsambtenaar heeft voorts geen toelichting van de gemeentelijke wetgever op de definitie aangedragen die openbaar is gemaakt. Er zijn daarom nauwelijks aanknopingspunten voor de uitleg van de woorden ‘een terrein (…) dat is bestemd voor verblijfsrecreatie’. De rechtbank zal daarom beoordelen of hier naar spraakgebruik sprake is van een zodanig terrein. Aan de juridische bestemming – naar belanghebbende onbestreden heeft aangevoerd: recreatie – komt in dit kader weliswaar wel gewicht toe, maar zij is niet doorslaggevend. Het gaat om de feitelijke bestemming. Het ligt op de weg van belanghebbende, nu die zich erop beroept dat sprake is van een recreatieterrein, om de feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat in zijn geval sprake is van een recreatieterrein. In aanmerking genomen de feitelijke bestemming van de woning (huisvesting van buitenlandse werknemers) en dat van recreatieve voorzieningen niet is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende daarin niet is geslaagd.

Gelijkheidsbeginsel?

4.12.

Belanghebbende heeft zich, net als bij de aanslagen zuiveringsheffing, beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Wat de rechtbank daarover heeft overwogen in 4.4.2 en 4.4.3 heeft eveneens te gelden inzake de aanslagen rioolheffingen.

4.13.1.

Belanghebbende heeft in zijn pleitnota bij de eerste zitting nog de vraag opgeworpen of de Verordening rioolheffing in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet, omdat iemand die op een recreatieterrein woont beter af is dan iemand die niet op een recreatieterrein woont.

4.13.2.

Bij deze beroepsgrond moet het volgende worden vooropgesteld (zie HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495). Artikel 1 van de Grondwet verbiedt niet elk verschil in behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die verschillen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Verder is van belang dat artikel 228a van de Gemeentewet aan gemeenten de ruimte biedt om de rioolheffing met een zekere ruwheid vorm te geven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is aan de gemeenten namelijk een grote vrijheid verleend bij die vormgeving. Die vrijheid betreft “(h)et bepalen van de belastingplichtige, de heffingsgrondslag, de heffingsmaatstaf etcetera”.

4.13.3.

De rechtbank acht gelet op het in 4.11 vermelde verweer van de heffingsambtenaar aannemelijk dat de heffingsambtenaar in de praktijk de WOZ-afbakening heeft gevolgd voor de bepaling of sprake is van een recreatieterrein voor de rioolheffing. Voor zover de bestreden ongelijke behandeling in de praktijk plaats heeft gehad, is daarvoor een rechtvaardiging in het voeren van een gezamenlijke objectadministratie (vgl. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2495).

4.13.4.

Juridisch is de koppeling met de Wet WOZ echter niet gelegd (zie 4.11). Ook indien om die reden het voeren van een gezamenlijke objectadministratie niet een afdoende rechtvaardiging zou zijn, is de rechtbank van oordeel dat het discriminatieverbod niet is geschonden. Uit de Verordening rioolheffing volgt namelijk dat voor een recreatieterrein een geheel ander heffingsregime geldt dan voor een perceel dat zelfstandig in de heffing wordt betrokken. Ter zake van een perceel wordt een vast bedrag geheven, terwijl ter zake van een recreatieterrein geheven wordt op basis van het aantal kubieke meters afgevoerde – bij fictie gesteld op het aantal kubieke meters toegevoerde of opgepompte – water (tegen een tarief per m3 afgevoerd water). Niet aannemelijk is geworden dat het heffingsregime voor een recreatieterrein in zijn algemeenheid voordeliger is dan het regime voor percelen. Gelet hierop is de gemeentelijke wetgever met zijn keuze voor een afzonderlijk heffingsregime voor recreatieterreinen binnen de in 4.13.2 bedoelde grote vrijheid gebleven. Daarbij verdient opmerking dat tegen het gunnen van die vrijheid, gelet op artikel 120 van de Grondwet, niet met succes kan worden opgekomen met een beroep op artikel 1 van de Grondwet.

4.13.5.

Het beroep op artikel 1 van de Grondwet faalt derhalve. Voor zover belanghebbende ook een beroep doet op het discriminatieverbod dat is neergelegd in het EVRM en het IVBPR, faalt het beroep ook (vgl. 4.4.4).

Gebruiker?

4.14.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat hij niet de gebruiker is van de woning. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning volgtijdelijk door buitenlandse werknemers wordt gebruikt. Belanghebbende heeft eerst op de zitting in januari 2017 duidelijk gesteld dat de woning in de onderhavige jaren niet direct aan de buitenlandse werknemers maar aan een buitenlands bedrijf is verhuurd en dat dat bedrijf de woning aan de (buitenlandse) werknemers ter beschikking heeft gesteld. Belanghebbende concludeert op basis daarvan dat hij geen gebruiker is als bedoeld in artikel 3 van de Verordening rioolheffing en dat daarom de aanslagen niet aan hem kunnen worden opgelegd.

De rechtbank heeft belanghebbende na de eerste zitting in de gelegenheid gesteld om voormelde stelling schriftelijk te onderbouwen, maar belanghebbende heeft dat nagelaten. Tijdens de nadere zitting heeft belanghebbende verklaard dat er geen schriftelijke overeenkomsten zijn met het buitenlandse bedrijf. Het bewijsaanbod van belanghebbende tijdens de nadere zitting om op een andere manier zijn stelling aannemelijk te maken, heeft de rechtbank verworpen, nu belanghebbende daartoe eerder ruim de gelegenheid heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat bij gebrek aan onderbouwing de door belanghebbende aangevoerde stelling niet aannemelijk is geworden. Derhalve heeft de heffingsambtenaar belanghebbende terecht als gebruiker van de woning aangemerkt in de zin van artikel 3 van de Verordening rioolheffing.

Conclusie

4.15.

Gelet op het voorgaande en het feit dat de hoogte van de aanslagen rioolheffingen niet in geschil is, dienen de beroepen tegen deze aanslagen ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten en griffierecht

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet gebleken is dat beroepsmatig juridische bijstand is verleend en niet is verzocht om vergoeding van andere proceskosten. Wel krijgt belanghebbende het griffierecht vergoed.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep betreffende de aanslag zuiveringsheffing 2012 gegrond;

  • -

    vernietigt de op die aanslag betrekking hebbende uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag zuiveringsheffing 2012 tot € 257,90;

  • -

    verklaart de overige beroepen ongegrond;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juli 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.