Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4377

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
C/02/329733 / KG ZA 17-250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bewijsbeslag. Vordering tot afgifte of inzage in bescheiden. Vereisten artikel 843a RV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/329733 / KG ZA 17-250

Vonnis in kort geding van 8 juni 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser]

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaten: mr. M.J. Keuss en mr. W.A. Vader te Amsterdam,

tegen

[gedaagde1]

wonende te Bergen op Zoom,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaten: mr. V.R.M. Appelman en mr. M.C. Luiten te Rotterdam,

en tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde2] ,

gevestigd te Gorinchem,

2. [gedaagde3]

wonende te Gorinchem,

gevoegde partij aan de zijde van [gedaagde1] in conventie,

advocaat: mr. M. Mackaaij te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] [gedaagde1] en, in vrouwelijk meervoud, [gedaagde2] worden genoemd. [gedaagde2] zullen afzonderlijk als [gedaagde2] en [gedaagde3] worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 24 april 2017 met producties 1 tot het met 86;

  • -

    de brief van 16 mei 2017 van [eiser] met wijziging van eis,

  • -

    de van de zijde van [gedaagde1] toegezonden producties 1 tot en met 16,

  • -

    de brief van 16 mei 2017 met eis in reconventie;

- de incidentele conclusie tot voeging met producties 1 en 2,

- de mondelinge behandeling op 18 mei 2017 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald.

2 De feiten

in conventie en in reconventie:

2.1.

[eiser] is een uitleen- en arbeidsbemiddelingsbureau dat zich in het bijzonder bezig houdt met het (wereldwijd) werven en ter beschikking stellen van personeel in de maritieme branche.

2.2.

[gedaagde2] richt zich net als [eiser] op personeelsbemiddeling in de maritieme sector. [gedaagde3] is indirect bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde2] . Hij heeft [gedaagde2] in januari 2017 opgericht. In de periode van februari 2016 tot januari 2017 was [gedaagde3] in dienst bij CSC Crewing B.V. (hierna: CSC), een concurrent van [eiser] .

2.3.

[gedaagde1] is per 1 maart 2016 bij [eiser] in dienst getreden als Manager Marine tegen een salaris van € 9.500 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Daarvoor werkte hij ook in de maritieme branche en uit dien hoofde kende hij [gedaagde3] .

2.4.

In de tussen [eiser] en [gedaagde1] gesloten arbeidsovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“(…)

Artikel 11 Nevenwerkzaamheden

Werknemer zal gedurende het bestaan van het dienstverband zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever geen werkzaamheden voor derden verrichten, al dan niet tegen betaling, en zich onthouden van zaken doen voor eigen rekening. Evenmin zal werknemer enige financiële of andere voordelen van derden aanvaarden of bedingen, hetzij direct, hetzij indirect, welke geacht kunnen worden in verband te staan met zijn werkzaamheden bij of voor werkgever.
(…)
Artikel 13 Geheimhouding

Werknemer verbindt zich zowel gedurende het bestaan van het dienstverband als nadat het dienstverband om welke reden dan ook is geëindigd, op geen enkele wijze aan wie dan ook (daarbij inbegrepen andere personeelsleden van werkgever, tenzij deze(n) in verband met hun werkzaamheden in dienst van werkgever van een en ander op de hoogte dienen te worden gesteld) enige mededeling te doen van gegevens van vertrouwelijke aard betreffende de onderneming van werkgever waarvan werknemer in het kader van zijn werkzaamheden bij werkgever kennis heeft genomen en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of behoort te kennen.

Artikel 14 Concurrentiebeding

Werknemer verbindt zich om gedurende een periode van één (1) jaar na het einde van het dienstverband wereldwijd, direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor anderen, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk of gelijksoortig aan of anderszins concurrerend met dat van werkgever, noch daarbij zijn bemiddeling, in welke vorm ook, direct of indirect te verlenen en in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige opdrachtgever van werkgever (onder opdrachtgever wordt op enig moment verstaan: (rechts)personen die producten en/of diensten van werkgever afnemen of minder dan twee (2) jaar daarvoor producten en/of diensten van werkgever hebben afgenomen. Onder werkgever in de zin van dit artikel wordt verstaan werkgever of aan haar gelieerde ondernemingen).

Artikel 15 Relatiebeding

1. Het is werknemer niet toegestaan om gedurende een periode van één (1) jaar na beëindiging van zijn dienstverband, relaties van werkgever te benaderen, hetzij direct hetzij indirect, voor het voor eigen rekening of voor rekening van derden aanbieden van producten en/of diensten gelijk of verwant aan welke die door werkgever worden geleverd of nog zullen worden geleverd of op andere wijze met de betreffende relaties zakelijke betrekkingen aan te gaan welke op enigerlei wijze schadelijk kunnen zijn voor de onderneming van werkgever (onder relaties wordt op enig moment verstaan: (rechts)personen die producten en/of diensten van werkgever afnemen of minder dan twee (2) jaar daarvoor producten en/of diensten van werkgever hebben afgenomen. Onder werkgever in de zin van dit artikel wordt verstaan werkgever of aan haar gelieerde ondernemingen).

2. Het is werknemer niet toegestaan na beëindiging van het dienstverband opdrachtgevers en werknemers van werkgever te benaderen teneinde deze te bewegen hun overeenkomst met werkgever te beëindigen (onder opdrachtgever wordt op enig moment verstaan: (rechts)personen die producten en/of diensten van werkgever afnemen of minder dan twee (2) jaar daarvoor producten en/of diensten van werkgever hebben afgenomen. Onder werkgever in de zin van dit artikel wordt verstaan werkgever of aan haar gelieerde ondernemingen).

Artikel 16 Boete

Werknemer die het bepaalde in de artikelen 11, 13, 14 en 15 niet in acht neemt, zal aan werkgever een direct opvorderbaar bedrag van € 10.000 per overtreding verbeuren, naast een bedrag van € 1.000 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever om in plaats van voornoemde boete er voor te kiezen van werknemer een volledige schadevergoeding te vorderen. (…)

Artikel 17 Documenten

Het is werknemer verboden op welke wijze dan ook documenten, correspondentie of informatiedragers (of afschriften/back-ups hiervan), die hij in verband met zijn werkzaamheden bij werkgever onder zich heeft verkregen, in zijn particuliere bezit te hebben of te houden, tenzij dit voor de uitoefening van zijn werkzaamheden voor werkgever is vereist. Werknemer is verplicht om dergelijke documenten, correspondentie en informatiedragers (en afschriften/back-ups hiervan) aan het einde van het dienstverband of bij non-activiteit om welke reden dan ook onmiddellijk aan werkgever ter hand te stellen.
(…)”.

2.5.

Op 6 februari 2017 heeft [gedaagde1] zijn arbeidsovereenkomst met [eiser] vanwege zijn thuissituatie opgezegd tegen 1 april 2017. [eiser] heeft bij e-mail van 13 februari 2017 de beëindiging van het dienstverband met [gedaagde1] per 1 april 2017 bevestigd. In deze e-mail staat onder meer het volgende:

“(…) We respecteren je beslissing om nu voor je gezin te kiezen.
We denken aan de volgend tijdsplanning:
(…)
Laatste werkdag 24 februari
(…)

Natuurlijk blijven de artikelen van je arbeidscontract aangaande geheimhouding, concurrentie- en relatiebeding (artikel 13,14,15 en 16) van kracht gedurende 1 jaar na beëindiging dienstverband.

[naam] , dank voor onze plezierige samenwerking en alles wat je voor Marine en binnen [eiser] hebt bereikt gedurende jouw relatief korte dienstverband! (…)”

2.6.

Bij e-mail van 20 februari 2017 heeft [eiser] [gedaagde1] onder meer het volgende meegedeeld:

“Helaas zijn wij geconfronteerd met activiteiten van jouw kant die ons onaangenaam verrast hebben. We hebben het over het benaderen van onze professionals vanuit jouw privé account met het doel om CV’s te verzamelen ten behoeve van de nieuwe CV generator. Jouw uitleg hiervoor is geweest dat jouw Outlook-account niet beschikbaar was en dat je daarom je privé account hebt gebruikt. Niemand binnen [eiser] is echter op de hoogte van deze actie en het bevreemdt ons dan ook dat jij je met dit soort acties bezighoudt, met name gezien jouw naderende vertrek bij [eiser] . We kunnen jouw uitleg echter niet toetsen maar naar onze mening heb je de schijn tegen en wijst dit op activiteiten die wellicht in strijde zouden kunnen zijn met het op jou rustende concurrentie- en relatiebeding.
Dit alles heeft ons doen besluiten om je alsnog per direct te ontheffen uit je functie en je vrij te stellen van arbeid met behoud van salaris tot de datum van beëindiging van je dienstverband, te weten 1 april 2017. (…)”

2.7.

Bij beschikking van 15 maart 2017, aangevuld met een beschikking van 4 april 2017 (hierna samen: de beschikking) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op het daartoe strekkende verzoek van [eiser] dat gericht was tegen [gedaagde1] , zonder [gedaagde1] te horen, verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte en conservatoir bewijsbeslag op na te noemen bescheiden, voor zover deze bescheiden zich bevinden in het woonhuis en de auto’s van [gedaagde1] (te Bergen op Zoom) en ten kantore van [gedaagde2] aan de [adres] en [adres] te Gorinchem. In de beschikking van 15 maart 2017 is het verlof als volgt verwoord:
“2.1. verleent [eiser] verlof tot het ten laste van [gedaagde1] leggen van conservatoir beslag tot afgifte op alle documenten, correspondentie en informatiedragers (en afschriften/backups hiervan) die [gedaagde1] in verband met zijn werkzaamheden voor [eiser] onder zich heeft en onder de reikwijdte van artikel 17 van de Arbeidsovereenkomst vallen op de plaatsen genoemd onder punt 5.8. van het aangehechte verzoekschrift,

2.2.

verleent [eiser] verlof tot het ten laste van [gedaagde1] leggen van conservatoir bewijsbeslag op afschriften van de volgende (digitale) bescheiden die zien op de periode 1 maart 2016 tot en met heden:

- alle documenten, correspondentie en informatiedragers (en afschriften/backups hiervan) die [gedaagde1] in verband

met zijn werkzaamheden voor [eiser] onder zich heeft en daarmee onder de reikwijdte van artikel 17

Arbeidsovereenkomst vallen,

- alle bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde1] , gedurende zijn dienstverband met [eiser] in strijd met artikel 11

Arbeidsovereenkomst werkzaamheden voor derden of voor eigen rekening heeft verricht, waaronder begrepen

bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde1] daarvoor wellicht financiële compensatie of ander voordeel krijgt of

bedongen heeft, waaronder in ieder geval begrepen:

- enige (arbeids)overeenkomst (van opdracht) gesloten tussen enerzijds [gedaagde1] , of een door hem beheerste rechtspersoon, en anderzijds [gedaagde2] en/of [gedaagde3] ;

- loonstroken, salarisspecificaties, declaraties, facturen, betaalbewijzen zoals bankafschriften, en/of jaaroverzichten van dienstverbanden of opdrachtrelaties, waaronder in ieder geval begrepen een dienstverband of opdrachtrelatie met [gedaagde2] of [gedaagde3] ;

- alle correspondentie tussen [gedaagde1] en [gedaagde3] , of een ander aan [gedaagde2] verbonden persoon, aangaande het verrichten van nevenwerkzaamheden door [gedaagde1] ten behoeve van [gedaagde3] , [gedaagde2] of andere (rechts)persoon, althans correspondentie die er op wijst dat [gedaagde1] het Concurrentie- en Relatiebeding zal schenden, op de plaatsen genoemd onder punt 5.8 van het aangehechte verzoekschrift”

De voorzieningenrechter heeft bevolen dat de in beslag genomen zaken in afwachting van een beslissing van de rechter in de bodemzaak ter gerechtelijke bewaring worden afgegeven aan DigiJuris.

2.8.

Op 11 april 2017 heeft de deurwaarder met bijstand van een technisch expert van DigiJuris beslag gelegd.

2.9.

Wat het conservatoir bewijsbeslag betreft heeft de deurwaarder geen proces-verbaal gemaakt ten behoeve van [eiser] (waarin de in beslag genomen bescheiden globaal zijn beschreven). Stukken waaruit blijkt wat dit beslag omvat zijn niet in het geding gebracht.

2.10.

Uit een door de deurwaarder opgemaakt proces-verbaal van 11 april 2017 betreffende het conservatoir beslag tot afgifte (productie 74 dagvaarding) blijkt dat de deurwaarder in de woning van [gedaagde1] beslag heeft gelegd op een groot aantal, in dat proces-verbaal genoemde “roerende (fysieke) zaken”. In het proces-verbaal is verder vermeld dat hij een kopie heeft gemaakt van de Gmailaccount van [gedaagde1] en dat de bescheiden op die account nog zullen worden onderzocht. Er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt welke bescheiden van de Gmailaccount zijn beslagen.

2.11.

[gedaagde2] en [gedaagde3] hebben [eiser] en [gedaagde1] in kort geding gedagvaard en opheffing gevorderd van het beslag op de volledige digitale (cloud)omgeving van [gedaagde2] die bij haar op kantoor door de deurwaarder is gekopieerd, van het beslag op (de bestanden op) de laptop van [gedaagde3] die de deurwaarder bij de beslaglegging in de woning van [gedaagde1] heeft aangetroffen en van het beslag op (de bestanden/bescheiden op) de Samsung-telefoon die de deurwaarder eveneens in de woning van [gedaagde1] heeft aangetroffen, met uitzondering van de bestanden in verband met het gebruik van het betreffende telefoonnummer en in verband met het (gebruik van het) Gmailadres van [gedaagde1] . Aan die vordering hebben zij – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat [gedaagde2] en [gedaagde3] eigenaar zijn van de bescheiden, de laptop en de telefoon.

2.12.

Bij vonnis van 17 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

In conventie vordert [eiser] na wijziging van haar eis en enigszins verkort weergegeven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde1] te veroordelen tot afgifte van alle digitale bescheiden die hij in strijd met artikel 17 van de arbeidsovereenkomst onder zich houdt en toebehoren aan [eiser] onder de uitdrukkelijke bepaling dat alle (digitale) kopieën daarvan worden vernietigd;

2. [gedaagde1] te veroordelen tot afgifte van dan wel inzage in de bescheiden waarop met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir (bewijs)beslag is gelegd, althans [gedaagde1] te veroordelen te gehengen en te gedogen dat door de bewaarder alle op 11 april 2017 in beslag genomen bescheiden aan [eiser] worden afgegeven;

3. [gedaagde1] te veroordelen tot nakoming van het met [eiser] overeengekomen concurrentiebeding en zich onmiddellijk te onthouden van elk doen en nalaten in strijd met dit concurrentiebeding;

4. [gedaagde1] te veroordelen tot nakoming van het met [eiser] overeengekomen geheimhoudingsbeding en zich onmiddellijk te onthouden van elk doen en nalaten in strijd met dit geheimhoudingsbeding;

5. [gedaagde1] te veroordelen tot nakoming van het met [eiser] overeengekomen relatiebeding en zich onmiddellijk te onthouden van elk doen en nalaten in strijd met dit relatiebeding;

6. te bepalen dat voor iedere overtreding door [gedaagde1] van de veroordeling sub 1, 3, 4 en/of 5 een dwangsom aan [eiser] wordt verbeurd van € 10.000,--, vermeerderd met

€ 1.000,-- per dag dat een overtreding voortduurt;

7. [gedaagde1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.000,-- bij wijze van voorschot op verbeurde boetes, vermeerderd met rente;

8. [gedaagde1] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

In reconventie vordert [gedaagde1] , eveneens wat verkort weergegeven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het op 11 april 2017 ten laste van [gedaagde1] gelegde (bewijs-)beslag op alle bescheiden op te heffen, met uitzondering van de bescheiden waarvan in conventie door [gedaagde1] is aangegeven dat deze kunnen worden afgegeven;

2. [eiser] op straffe van verbeurte van een dwangsom, te veroordelen de in sub 1 aangeduide bescheiden (waarvan het beslag dient te worden opgeheven) die zich bij de gerechtelijk bewaarder bevinden, te vernietigen althans te laten vernietigen,

3. [eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.

4 Het incident tot voeging

[gedaagde2] heeft gevorderd zich voorwaardelijk te voegen in de procedure in conventie aan de zijde van [gedaagde1] , indien de vordering tot opheffing niet wordt toegewezen. [eiser] en [gedaagde1] hebben ter zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen toewijzing van de vordering, waarop de voorzieningenrechter de vordering in het incident heeft toegewezen. De kosten in het incident zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie:

5.1.

In verband met de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden beoordeeld, tenzij anders is aangegeven.

spoedeisend belang

5.2.

Het door [eiser] gestelde onrechtmatige handelen, kort gezegd bestaande in het concurreren door [gedaagde1] met gebruikmaking van informatie en relaties van [eiser] en de voortdurende schade die [eiser] stelt als gevolg daarvan te ondervinden, brengen naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat dat [eiser] in beginsel een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot afgifte en inzage en bij haar vorderingen tot nakoming. Wat de vorderingen tot afgifte en inzage betreft is dit belang meer in het bijzonder (ook) gelegen in de stelling van [eiser] dat zij de schade zal kunnen vaststellen, kan voorkomen dat vertrouwelijke informatie onbevoegd door derden wordt gebruikt en maatregelen kan nemen ter beperking van de schade.

5.3.

Het voorgaande geldt niet voor de vordering tot betaling van een voorschot op verbeurde boetes wegens overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. [eiser] heeft niet gesteld waarom ten aanzien van deze vordering een voorlopige voorziening geboden is en een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Zoals [gedaagde1] terecht heeft aangevoerd, kan deze vordering niet bedoeld zijn om [gedaagde1] tot nakoming van bedingen in de arbeidsovereenkomst te bewegen. De voorzieningenrechter zal [eiser] in haar vordering sub 7 niet-ontvankelijk verklaren.

de vordering tot afgifte van artikel 17-bescheiden

5.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat [gedaagde1] de in het proces-verbaal van 11 april 2017 betreffende het conservatoir beslag tot afgifte genoemde fysieke bescheiden inmiddels aan [eiser] heeft verstrekt. Volgens [eiser] heeft [gedaagde1] in strijd met artikel 17 van de arbeidsovereenkomst thans nog de beschikking over digitale bescheiden.

5.5.

[gedaagde1] heeft aangevoerd dat hij (onverplicht) bereid is om de bescheiden die genoemd zijn in de bijlagen 1 en 2 bij de pleitnota van zijn advocaat aan [eiser] af te geven. In zoverre zal de vordering worden toegewezen. Of [gedaagde1] gehouden is tot afgifte van andere artikel 17-bescheiden, kan pas worden bepaald na de na te noemen selectie door een of meerdere deskundigen.

de vordering tot afgifte of inzage bescheiden bewijsbeslag

5.6.

[eiser] stelt naar de kern genomen dat [gedaagde1] in strijd heeft gehandeld met de artikelen 11, 13, 14, 15 en 17 van zijn arbeidsovereenkomst en onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld doordat hij zich tijdens zijn dienstverband (vertrouwelijke) informatie van [eiser] (“essentiele onderdelen van de infrastructuur van [eiser] ”) heeft toegeëigend door die informatie toe te zenden naar zijn privé-e-mailaccount en door informatie buiten het domein van [eiser] te houden, welke informatie [gedaagde1] , samen met [gedaagde3] met wie hij die informatie heeft gedeeld, heeft gebruikt voor het opbouwen van het bedrijfsdebiet van [gedaagde2] , althans ten behoeve van [gedaagde2] heeft gebruikt. Daarnaast is het volgens [eiser] aannemelijk dat [gedaagde1] na de beëindiging van het dienstverband voor [gedaagde2] direct of indirect werkzaamheden verricht, dan wel dat hij anderszins betrokken is bij [gedaagde2] .

Meer concreet stelt [eiser] de volgende feiten en omstandigheden, waartoe zij verwijst naar na te noemen, door haar overgelegde producties:

  1. [gedaagde1] heeft verschillende keren vanaf zijn privé-e-mailaccount ( [emailadres] uitzendkrachten uit de database van [eiser] benaderd met het verzoek hun curriculum vitae (CV) te updaten en dat CV vervolgens naar zijn privé-e-mailaccount toe te zenden (producties 13-20), terwijl het opvragen van CV’s en het directe contact met uitzendkrachten niet tot de werkzaamheden van [gedaagde1] als Manager Marine behoorde en hij zijn dienstverband kort daarop zou beëindigen. Sollicitaties van potentiële uitzendkrachten en voornoemde CV’s heeft hij niet doorgezonden naar [eiser] maar voor zichzelf behouden (producties 68-69). Begin 2017 heeft [gedaagde1] aan een toenmalige collega, de heer [naam] , opdracht gegeven om de gegevens van de volledige bemanning van [eiser] (1.221 werknemers en de “inner circle” van [eiser] ) uit de systemen te halen en te verwerken in een Excel-bestand. [naam] heeft dit bestand op 6 januari 2017 toegezonden aan het privé-e-mailadres van [gedaagde1] (productie 4). [gedaagde1] heeft op deze wijze een eigen database aangelegd die hij heeft gebruikt ten behoeve van [gedaagde2] . Kandidaten die bij [eiser] in een sollicitatietraject zaten heeft hij ertoe bewogen die sollicitatie niet voort te zetten (productie 70). De door [gedaagde1] gecreëerde persoonlijke database met CV’s is aangewend door [gedaagde2] ; [naam] en andere werknemers van [eiser] ontvingen begin april 2017 een e-mail van [gedaagde3] waarin zij worden uitgenodigd een formulier in te vullen teneinde te worden opgenomen in een database van [gedaagde2] (productie 75).

  2. [gedaagde1] heeft vanaf het begin van zijn dienstverband, zonder dat daartoe een noodzaak bestond, doorlopend (vertrouwelijke) bedrijfsinformatie van [eiser] naar zijn privé-e-mailaccount gezonden (producties 26 t/m 67). De informatie die hij na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst naar zijn privé-e-mailaccount heeft gezonden kan worden gebruikt bij de oprichting van een concurrerend bedrijf. [eiser] noemt als voorbeeld het Safety Handbook, de Code of Conduct, een telefoonlijst en diverse manuals en formulieren van [eiser] .

  3. Medio 2016 is [gedaagde1] in overleg getreden met [gedaagde3] over het oprichten van een eigen onderneming ( [gedaagde2] ), waarvan [gedaagde1] mede-eigenaar zou worden. CSC beschikt over e-mails daarover. [gedaagde1] en [gedaagde3] hebben afgesproken dat [gedaagde1] , zodra hij zijn arbeidsovereenkomst met [eiser] zou beëindigen, gedurende de looptijd van het met [eiser] overeengekomen concurrentiebeding maandelijks een bedrag van € 15.000,00 van [gedaagde2] / [gedaagde3] zou ontvangen als vergoeding voor te derven inkomsten. Cees Luneburg, Business Manager bij [eiser] heeft verklaard dat [gedaagde1] dit tegen hem heeft gezegd (prod. 77).

  4. [gedaagde1] heeft [gedaagde3] bij e-mail van 25 oktober 2016 een e-mailwisseling van eind oktober 2016 tussen hem en een potentiële opdrachtgever van [eiser] toegezonden (productie 71). Bij e-mail van 31 oktober 2016 heeft hij [gedaagde3] een LinkedIn oproep van één van zijn relaties toegezonden, waarin deze relatie vraagt om Egyptische bemanningsleden voor de koopvaardij. In die e-mail heeft [gedaagde1] [gedaagde3] meegedeeld: “Als je hulp nodig heb hoor ik het graag” (productie 72).

  5. [gedaagde1] beschikte tijdens zijn dienstverband bij [eiser] over een eigen e-mailaccount van [gedaagde2] ( [emailadres] . Hij heeft vanaf dit account een e-mail met daaronder de signature/digitale handtekening van [gedaagde2] verstuurd (productie 25).

  6. Kort na de toezending van het Excel-bestand door [naam] (zie hiervoor), heeft [naam] ontslag genomen en is hij bij [gedaagde2] in dienst getreden (producties 6 en 7). [gedaagde1] heeft er voor gezorgd dat het concurrentiebeding van [naam] werd beperkt, waardoor die indiensttreding mogelijk was (productie 5). Naast [naam] heeft [gedaagde1] tijdens zijn dienstverband Luneburg benaderd om over te stappen naar [gedaagde2] (productie 79).

5.7.

Volgens [gedaagde1] betreft de vordering van [eiser] een “fishing expedition” en voldoet deze niet aan de eisen van artikel 843a Rv. Hij betwist dat [gedaagde1] een rechtmatig belang heeft bij afgifte van en inzage in de bescheiden voor zover die niet zijn aan te merken als bescheiden in de zin van artikel 17 van de arbeidsovereenkomst. Volgens [gedaagde1] zijn de bescheiden waarvan [eiser] afgifte en inzage vordert onvoldoende bepaald.

artikel 843a Rv

5.8.

Artikel 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

bepaalde bescheiden

5.9.

Volgens artikel 843a Rv dienen de bescheiden waarvan inzage wordt gevorderd ‘bepaald’ te zijn. Dit betekent dat de bescheiden zo precies moeten zijn omschreven als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van [eiser] kan worden verlangd (vgl. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9958). De bescheiden behoeven niet individueel te zijn omschreven. Niet nodig is immers dat [eiser] met individuele bescheiden bekend is.

5.10.

Indien de vordering sub 2 van [eiser] zo moet worden begrepen dat inzage wordt gevorderd van alle bescheiden waarop de deurwaarder beslag heeft gelegd, kan deze niet worden toegewezen, reeds omdat niet duidelijk is hoe de deurwaarder de beslagen bescheiden heeft geselecteerd en of hij daarbij binnen de grenzen van het verlof is gebleven. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering sub 2 van [eiser] evenwel aldus dat zij afgifte of inzage verlangt van de bescheiden als beschreven in de beschikking van 15 maart 2017 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank.

5.11.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt, wenst [eiser] afgifte van of inzage in bescheiden waaruit blijkt dat [gedaagde1] in strijd met artikel 11 en 17 van zijn arbeidsovereenkomst tijdens zijn dienstverband bij [eiser] klantgegevens en (vertrouwelijke) informatie aan [eiser] heeft onttrokken om die vervolgens, ook na het einde van zijn dienstverband, te gebruiken ten behoeve van [gedaagde2] of [gedaagde3] . Dat [gedaagde1] nevenwerkzaamheden heeft verricht voor andere (rechts)personen is niet gesteld. De voorzieningenrechter zal de inzage, voor zover deze ziet op overtreding van artikel 11 van de arbeidsovereenkomst, daarom beperken tot bescheiden die betrekking hebben op [gedaagde2] , [gedaagde3] en/of aan hen gelieerde (rechts)personen. Gegeven het feit dat [eiser] niet bekend is met (alle) specifieke bescheiden waarvan zij afgifte en inzage vordert, oordeelt de voorzieningenrechter de in de beschikking genoemde bescheiden voor het overige voldoende bepaald. Daaraan doet niet af dat interpretatie nodig kan zijn van de artikelen in de arbeidsovereenkomst waarop de bescheiden betrekking hebben.

rechtmatig belang

5.12.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde1] naar voren gebracht dat hij en [gedaagde3] altijd al het voornemen hebben gehad om ooit samen te werken. Verder heeft hij naar voren gebracht dat zij op 20 januari 2017 een overeenkomst hebben gesloten die de toekomstige wijze van samenwerking binnen [gedaagde2] en de toekomstige aandeelhoudersverhoudingen binnen [gedaagde2] regelt. Op grond van die overeenkomst wordt [gedaagde1] volgens hem na 1 april 2018 25% mede-eigenaar van [gedaagde2] , nadat het concurrentie- en relatiebeding zijn werking zal hebben verloren. Hij heeft aangegeven dat de samenwerking bij [gedaagde2] mede de reden is geweest voor zijn ontslag bij [eiser] .

5.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde2] zich net als [eiser] op personeelsbemiddeling in de maritieme sector richt. Volgens de eigen stellingen van [gedaagde1] zou in ieder geval een deel van het klantenbestand van [eiser] – volgens [gedaagde1] hooguit 10% – interessant kunnen zijn voor [gedaagde2] . De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat [eiser] en [gedaagde2] elkaars concurrenten zijn. Dat, naar [gedaagde1] heeft gesteld, [gedaagde2] veel kleiner is en dat [eiser] en [gedaagde2] zich niet hoofdzakelijk op hetzelfde werkgebeid richten, doet hier niet aan af.

5.14.

[gedaagde1] heeft niet weersproken dat hij in oktober 2016 de door [eiser] gestelde e-mails aan [gedaagde3] heeft gestuurd, waarmee [gedaagde1] [gedaagde3] op de hoogte heeft gebracht van de personeelsbehoefte van (potentiële) klanten van [eiser] . Daaruit kan mogelijk worden afgeleid dat [gedaagde1] bezig was om klanten van [eiser] door te spelen aan [gedaagde3] , al dan niet ten behoeve van de op te richten onderneming van [gedaagde2] . Hetgeen [gedaagde1] hier tegenover heeft gesteld, namelijk dat hij advies bij [gedaagde3] wilde inwinnen over de verzoeken omdat [gedaagde3] dan wel CSC beschikte over meer kennis ten aanzien van die verzoeken, is niet toereikend onderbouwd en is, mede gelet op de concurrentiepositie van CSC, voor de voorzieningenrechter onvoldoende overtuigend.

5.15.

Verder acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat [gedaagde1] zich tijdens zijn dienstverband heeft bediend van een e-mailaccount van [gedaagde2] . Voorshands valt niet in te zien, zoals [gedaagde1] tijdens de mondelinge behandeling heeft gesuggereerd, dat [eiser] de als productie 25 overgelegde e-mail heeft gefingeerd. Uit hetgeen [gedaagde1] en [gedaagde2] ter zitting naar voren hebben gebracht, blijkt immers dat de e-mailaccount van [gedaagde2] ook daadwerkelijk, in ieder geval enige tijd, heeft bestaan en is gebruikt. Hetgeen [gedaagde1] heeft gesteld ter onderbouwing van zijn betwisting dat hij bekend is met de overgelegde e-mail oordeelt de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende.

5.16.

[gedaagde1] heeft voorts niet weersproken dat hij verschillende werknemers van [eiser] op 30 januari 2017 vanaf zijn Gmailaccount heeft gevraagd om updates van hun CV’s. Dit kan er mogelijk op duiden, zoals [eiser] heeft aangevoerd, dat [gedaagde1] de updates wilde gebruiken ten behoeve van [gedaagde2] . [gedaagde1] heeft weliswaar naar voren gebracht dat Outlook die dag niet werkte en dat hij met behulp van de updates voor het management wilde aantonen dat de zogenaamde ‘cv-generator’ die de omzetting van CV’s naar [eiser] -CV’s zou moeten automatiseren niet zou werken, maar de voorzieningenrechter acht die verklaring weinig overtuigend. Het is voorshands niet erg waarschijnlijk dat [gedaagde1] zich bezighield met werkzaamheden die het ongelijk van het management, die volgens [gedaagde1] wel geloofde in de werking van de ‘cv-generator’, moesten aantonen, kort nadat [gedaagde1] de door hem gestelde overeenkomst met [gedaagde3] was aangegaan en kort voordat hij zijn arbeidsovereenkomst met [eiser] heeft opgezegd.

5.17.

Tot slot heeft [gedaagde1] niet weersproken dat hij na de opzegging van zijn dienstverband bij [eiser] bedrijfsdocumenten van [eiser] naar zijn privé-e-mailadres heeft toegezonden (Standard for Quality Management, Safety Handbook [eiser] Code of Conduct, een brief over ILO minimumloon, een telefoonlijst en diverse manuels en formulieren), welke documenten dienstig kunnen zijn bij het opstarten van een concurrerende onderneming. Uit het door de deurwaarder opgemaakt proces-verbaal van 11 april 2017 betreffende het conservatoir beslag tot afgifte blijkt dat [gedaagde1] verschillende documenten van [eiser] onder zich had. Dat [gedaagde1] die documenten toezond in verband met het maken van een ‘management review’ oordeelt de voorzieningenrechter voorshands niet aannemelijk. [gedaagde1] heeft onvoldoende toegelicht waarom de documenten die hij na de opzegging van zijn dienstverband aan zichzelf toezond, relevant waren voor het maken van zo’n review. Daar komt bij dat niet gebleken is dat [gedaagde1] een management review heeft gemaakt.

5.18.

Op grond van de voornoemde feiten en omstandigen, in onderlinge samenhang bezien, oordeelt de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [gedaagde1] in strijd met artikel 11 en 17 van zijn arbeidsovereenkomst tijdens zijn dienstverband bij [eiser] klantgegevens en (vertrouwelijke) informatie aan [eiser] heeft onttrokken om die te gebruiken ten behoeve van [gedaagde2] of [gedaagde3] en, nu hij volgens de eigen stellingen mede-aandeelhouder van [gedaagde2] zal worden, in feite indirect ten behoeve van hemzelf. Hieraan doet niet af dat, zoals [gedaagde1] heeft aangevoerd, het niet ongebruikelijk was om e-mails van zijn [eiser] -account naar zijn Gmailaccount te sturen om thuis te kunnen werken, dat [eiser] hiermee bekend was en dat het tot zijn werkzaamheden behoorde om CV’s te beoordelen. [eiser] heeft er belang bij te kunnen beschikken over bewijs aangaande overtreding van de artikelen 11 en 17 van de arbeidsovereenkomst vanwege de hiervoor, onder het kopje ‘spoedeisend belang’ genoemde redenen. Voor zover de bescheiden waarvan [eiser] inzage vordert betrekking hebben op de hiervoor genoemde overtredingen van artikel 11 en artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, heeft [eiser] daarbij een rechtmatig belang.

rechtsbetrekking

5.19.

[eiser] is partij bij de arbeidsovereenkomst met [gedaagde1] en de vordering heeft betrekking op overtreding van die overeenkomst. Uit het voorgaande volgt dat overtreding daarvan voldoende aannemelijk is. Mitsdien is voldaan aan het vereiste dat de bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is.

te zijner beschikking of onder zijn berusting

5.20.

[gedaagde1] , [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben aangevoerd dat fysieke en/of digitale bescheiden die zijn beslagen op het kantoor van [gedaagde2] in Gorinchem, althans aan de cloud-omgeving van [gedaagde2] zijn onttrokken, niet tot de beschikking van [gedaagde1] stonden. Dat geldt volgens hen ook voor de bescheiden die gekopieerd zijn van de door de deurwaarder in de woning van [gedaagde1] aangetroffen laptop en de Samsung-telefoon, behoudens die bescheiden op de Samsung-telefoon die gekoppeld zijn aan het telefoonnummer en het Gmailaccount van [gedaagde1] . Zij stellen dat de laptop en de telefoon van [gedaagde2] waren en dat [gedaagde1] geen toegang had tot de cloud-omgeving van [gedaagde2] , ook niet tot de cloud waarmee de laptop een koppeling had. [gedaagde1] , [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben een verklaring overgelegd van [gedaagde3] waarin hij bevestigt dat [gedaagde1] geen wachtwoord had voor de cloud van [gedaagde2] en dus geen toegang had tot die cloud. Daarnaast hebben zij een verklaring overgelegd van een ICT-deskundige van de beheerder van de cloud van [gedaagde2] , waarin vermeld is dat de cloud alleen te benaderen is door middel van een gebruikersnaam en wachtwoord via een door de beheerder verstrekte en geconfigureerde externe bureaubladverbinding. Volgens [gedaagde2] en [gedaagde3] was het wachtwoord slechts in bezit van [gedaagde3] en twee werknemers van [gedaagde2] en heeft de deurwaarder op het kantoor van [gedaagde2] een kopie gemaakt van de cloud toen twee werknemers van [gedaagde2] waren ingelogd, waardoor de deurwaarder geen wachtwoord nodig had. Vanaf de laptop heeft de deurwaarder geen kopie van de cloud kunnen maken nu [gedaagde1] niet beschikte over het wachtwoord en de deurwaarder [gedaagde3] niet om het wachtwoord heeft gevraagd, aldus [gedaagde2] en [gedaagde3] .

5.21.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vordering van [eiser] in dit geding alleen gericht is tegen [gedaagde1] en niet tegen [gedaagde2] . De vordering kan dan ook alleen worden toegewezen indien de door de deuwaarder beslagen bescheiden tot de beschikking van [gedaagde1] stonden of hij die bescheiden onder zijn berusting heeft gehad. In geval van digitale bestanden die niet zijn opgeslagen op een aangetroffen gegevensdrager maar die bewaard worden in de cloud, betekent dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat degene van wie inzage of afschrift wordt gevorderd toegang moet hebben tot die cloud teneinde aan de vordering te kunnen voldoen. De bewijslast van de stelling dat de door de deurwaarder beslagen bescheiden tot de beschikking van [gedaagde1] stonden, rust in beginsel op [eiser] .

5.22.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de deurwaarder desgevraagd bevestigd dat hem op het kantoor van [gedaagde2] te Gorinchem geen wachtwoord is verstrekt voor het kopiëren van bestanden uit de cloud. Mede gelet op de verklaringen van [gedaagde3] en de ICT-deskundige van de beheerder van de cloud van [gedaagde2] , is in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde1] beschikte over een wachtwoord die toegang gaf tot de bescheiden op de cloud en dus dat hij beschikte over die bescheiden. Voor zover de vordering ziet op afgifte of inzage van bescheiden die in de cloud waren opgeslagen, dient deze te worden afgewezen.

5.23.

De laptop en de telefoon zijn door de deurwaarder bij de beslaglegging aangetroffen in de woning van [gedaagde1] . [gedaagde1] , [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben niet gesteld dat voor de bescheiden die daarop waren opgeslagen een wachtwoord vereist was. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat [gedaagde1] daarover de beschikking had. Dat de laptop en/of telefoon van [gedaagde2] waren, zoals [gedaagde1] , [gedaagde2] en [gedaagde3] hebben aangevoerd, sluit niet uit dat [gedaagde1] de beschikking had over de daarop opgeslagen bescheiden.

gewichtige redenen

5.24.

[gedaagde1] stelt dat gewichtige redenen zich verzetten tegen inzage/afgifte van de overeenkomst die hij in januari 2017 met [gedaagde3] heeft gesloten. Hij stelt dat hij op straffe van een zeer aanzienlijke boete gehouden is aan geheimhouding van de inhoud van die overeenkomst en dat een derde bij die overeenkomst is betrokken wiens belangen dienen te worden beschermd. [gedaagde2] en [gedaagde3] stellen dat de bescheiden afkomstig van de cloud, de laptop en de Samsung-telefoon bedrijfsgevoelige informatie van [gedaagde2] bevatten.

5.25.

De voorzieningenrechter kan de standpunten van partijen vooralsnog niet beoordelen wegens onbekendheid met de beslagen bescheiden en kan de belangen van partijen daarom niet afwegen. Hij zal een beslissing aanhouden in verband met de selectie door na te noemen deskundige(n).

opheffing beslag

5.26.

Voor zover de beslagen bescheiden zien op het verrichten van nevenwerkzaamheden voor anderen dan [gedaagde2] , [gedaagde3] of aan hen gelieerde (rechts)personen, ontbreekt een gestelde feitelijke grondslag voor het bewijsbeslag, zodat dit in zoverre dient te worden opgeheven. In zoverre is de vordering in reconventie toewijsbaar. Gelet op hetgeen hiervoor omtrent het rechtmatig belang van [eiser] bij inzage is overwogen en het gestelde risico dat bescheiden door [gedaagde1] of [gedaagde2] / [gedaagde3] worden weggemaakt, prevaleert het belang dat [eiser] heeft bij handhaving van het beslag boven dat van [gedaagde1] , [gedaagde2] en [gedaagde3] bij opheffing daarvan. De vordering in reconventie zal dus voor het overige worden afgewezen.

deskundige(n)

5.27.

Alvorens de vordering tot afgifte of inzage kan worden toegewezen, dient een selectie te worden gemaakt met inachtneming van hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor over de opheffing van het beslag en over de beperking van het recht op inzage heeft overwogen. Daartoe zal de voorzieningenrechter een onderzoek bevelen door een of meer deskundigen, bijvoorbeeld een persoon met kennis van informatietechnologie (welke ook de bij het beslag betrokken persoon van DigiJuris kan zijn) en een jurist. Nu de bescheiden volgens de stellingen van [gedaagde1] , [gedaagde2] en [gedaagde3] vertrouwelijke informatie bevatten, zal de voorzieningenrechter de selectie laten uitvoeren door een onafhankelijke deskundige of onafhankelijke deskundigen die ten opzichte van partijen geheimhouding kan/kunnen betrachten.

5.28.

Partijen zullen in de gelegenheid gesteld worden om een, zo mogelijk eensluidend, voorstel te doen voor de persoon of personen die de selectie kan/kunnen uitvoeren. Daarnaast zullen zij zich kunnen uitlaten over de wijze waarop de selectie dient plaats te vinden en over de manier waarop met de gestelde vertrouwelijke informatie dient te worden omgegaan.

5.29.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv dient [eiser] de kosten van de deskundige(n) te voldoen.

vorderingen tot nakoming

5.30.

De vorderingen tot nakoming betreffen de nakoming van de verbintenissen die genoemd zijn in artikel 13, 14 en 15 van de arbeidsovereenkomst van [gedaagde1] .

5.31.

Volgens [gedaagde1] heeft [eiser] geen belang bij de vorderingen omdat de verplichting tot nakoming en de op een overtreding gestelde sanctie al in de arbeidsovereenkomst zelf besloten liggen. Voor zover [eiser] meent dat sprake is (of is geweest) van overtredingen van één of meerdere bedingen, heeft zij in de toekomst slechts belang bij een uitspraak van een rechter waarin een dergelijke schending wordt vastgesteld, zo stelt [gedaagde1] . Toewijzing van de vorderingen zou er volgens [gedaagde1] bovendien toe leiden dat [eiser] een opgelegde dwangsomveroordeling zal misbruiken om onder continue dreiging van verbeurte en inning van dwangsommen een heksenjacht jegens hem te ontketenen. Op voorhand is voorzienbaar dat die onnodige en onwenselijke situatie zal leiden tot meerdere executiegeschillen, aldus [gedaagde1] .

5.32.

Artikel 3:296 lid 1 bepaalt dat hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter op vordering van de gerechtigde wordt veroordeeld, tenzij uit de wet, de aard van de verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt. Daarnaast kan ook onvoldoende belang bij de vordering tot nakoming als bedoeld in artikel 3:303 BW toewijzing van de vordering in de weg staan.

5.33.

Zoals hiervoor is overwogen is, naar de op grond van artikel 843a Rv aan te leggen maatstaf, voldoende aannemelijk dat [gedaagde1] in strijd met artikel 11 en 17 van zijn arbeidsovereenkomst tijdens zijn dienstverband bij [eiser] klantgegevens en (vertrouwelijke) informatie aan [eiser] heeft onttrokken om die te gebruiken ten behoeve van [gedaagde2] of [gedaagde3] . Dat gebruik kan zich ook uitstrekken na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In dat verband is van belang dat de deurwaarder na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in het kader van de beslaglegging een groot aantal (vertrouwelijke) gegevens van [eiser] bij [gedaagde1] heeft aangetroffen, alsmede een laptop en een telefoon die volgens [gedaagde1] aan [gedaagde2] toebehoren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] er gelet op het een en ander belang bij dreigende overtredingen van de arbeidsovereenkomst door [gedaagde1] te voorkomen. De omstandigheid dat de verbintenissen waarvan nakoming wordt gevorderd reeds in de arbeidsovereenkomst zijn genoemd, brengt op zichzelf nog niet mee dat het belang bij de vorderingen tot nakoming ontbreekt. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van [eiser] sub 3, 4 en 5 toewijzen.

5.34.

De omstandigheid dat een boetebeding in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen, betekent niet dat geen dwangsomveroordeling aan de rechterlijke veroordeling verbonden kan worden. Het bestaan van het boetebeding kan in het gegeven geval evenwel een factor zijn waarmee bij de vaststelling van de dwangsomveroordeling rekening gehouden moet worden in het kader van de afweging van de belangen van partijen.

5.35.

Het opleggen van een dwangsom heeft als doel druk uit te oefenen op de schuldenaar om een tegen hem uitgesproken veroordeling na te komen. Het boetebeding in de arbeidsovereenkomst moet geacht worden ook al een prikkel tot nakoming te zijn. Afweging van de belangen van partijen in dit concrete geval leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat hij [gedaagde1] niet zal veroordelen tot betaling van een dwangsom. De vordering sub 6 van [eiser] zal worden afgewezen.

tussentijds appel

5.36.

De voorzieningenrechter zal tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.

5.37.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

stelt partijen in de gelegenheid om zich uiterlijk op 23 juni 2017 bij brief aan de griffie van het team handelsrecht uit te laten als bedoeld in 5.28 van dit vonnis;

6.2.

staat partijen toe om van dit vonnis tussentijds hoger beroep in te stellen;

6.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.