Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4298

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
02/800513-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

“De rechtbank heeft op het beroep beslist en de beslissing van de rechter-commissaris in volle omvang ex nunc beoordeelt.

De onderzoeksgrond komt te vervallen omdat de derde verdachte was aangehouden en verhoord. De herhalingsgrond wordt wel aangenomen omdat verdachte heeft niet heeft gehandeld in een opwelling omdat zij een week voor de pleegdatum heeft gedreigd dat ze degene die een naam noemt of “erbij naait” kapot zou maken.

Met betrekking tot de schorsing van de voorlopige hechtenis kan de rechtbank zich verenigen met de door de rechter-commissaris genomen beslissing en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/800513-17

Beschikking op het beroep d.d. 10 juli 2017 tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot het niet aannemen van de recidivegrond en tot schorsing van de voorlopige hechtenis

in de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[verdachte]

geboren te Tilburg op [geboortedatum]

wonende te [adres] .

Op dit beroep heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 Deprocedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering tot bewaring d.d. 10 juli 2017

- de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 10 juli 2017 tot inbewaringstelling;

- de beslissing van de rechter-commissaris d.d. 10 juli 2017 tot schorsing van de

inbewaringstelling;

- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer d.d. 13 juli 2017,

waaruit blijkt dat de officier van justitie is gehoord.

Tevens is verdachte, bijgestaan door haar raadsman, gehoord.

2 De beoordeling.

De rechter-commissaris heeft, zo blijkt uit het bevel tot inbewaringstelling, geoordeeld dat ten aanzien van verdachte gebleken is van ernstige bezwaren ten aanzien van de in de vordering genoemde feiten (niet ten aanzien van [naam] ) en heeft daarbij bepaald dat op grond van het nog te verrichten onderzoek (een medeverdachte moet nog worden opgespoord), de voorlopig hechtenis van verdachte noodzakelijk is in verband met collusiegevaar. Daarnaast heeft de rechter-commissaris, naar aanleiding van een schorsingsverzoek, bepaald dat de persoonlijke belangen van verdachte zwaarder wegen dan de belangen van justitie en heeft hij de voorlopige hechtenis van verdachte onder voorwaarden geschorst. Omdat de rechter-commissaris de recidivegrond niet heeft aangenomen, heeft de officier van justitie tegen deze impliciete afwijzing van de recidivegrond en tegen de schorsingsbeslissing van de rechter-commissaris hoger beroep ingesteld.

De eerste vraag die bij de beoordeling van het hoger beroep voorligt, is of de rechtbank het beroep ex tunc of ex nunc moet beoordelen. Wanneer volgens de wetgever voor de rechtbank alleen een beoordeling ex tunc tot de mogelijkheden zou hebben behoord, zou de

rechtbank slechts de bevoegdheid zijn gegeven om het beroep af te wijzen of gegrond te verklaren. De twee enige opties die daarbij naar het oordeel van de rechtbank passen. Art 448 van het Wetboek van Strafvordering geeft de rechtbank echter naast de mogelijkheid tot afwijzen de mogelijkheid om te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden. Met die laatste mogelijkheid heeft de wetgever blijkbaar een ruimere bevoegdheid willen creëren dan alleen gegrondverklaring. Die bepaling strekt er naar het oordeel van de rechtbank toe om met in achtneming van alle op het moment van behandeling van het beroep bekende feiten omstandigheden op het beroep te beslissen en de beslissing van de rechter-commissaris in volle omvang ex nunc te beoordelen. De rechtbank dient dan ook te bezien of er ernstige bezwaren zijn, welke gronden aan de voorlopige hechtenis ten grondslag dienen te worden gelegd en of er redenen zijn voor schorsing. Allemaal zaken neergelegd in de bepalingen van de wet.

Op grond van het proces-verbaal van de politie en het verhoor van verdachte in raadkamer, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van ernstige bezwaren tegen verdachte ten aanzien van de in de vordering inbewaringstelling genoemde feiten.

Met betrekking tot de onderzoeksgrond heeft de rechtbank tijdens het onderzoek in raadkamer geconstateerd dat de derde verdachte waarvan sprake was, ook is aangehouden, is gehoord en inmiddels ook in vrijheid is gesteld. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat daarmee de onderzoeksgrond (het collusiegevaar) is komen te vervallen.

Voor wat betreft de recidivegrond is de rechtbank van oordeel dat de vrees bestaat dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Vast is komen te staan dat verdachte heeft gehandeld uit boosheid en helemaal buiten zinnen was. Verdachte is dan ook naar de woning van de getuige [naam getuige] gereden, maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet alleen gedaan in een opwelling. Uit hetgeen de officier van justitie in haar appèlschriftuur naar voren heeft gebracht en uit de daaraan gehechte uitgewerkte telefoongesprekken van 11 juni 2017 en 21 juni 2017, kan de rechtbank concluderen dat verdachte al ruim een week voor 4 juli 2017 in die telefoongesprekken heeft gedreigd dat ze degene die een naam noemt of “erbij naait” kapot zou maken. Hierbij komt dat het onderzoek nog in volle gang is en de officier van justitie heeft aangegeven dat nog verscheidene getuigen (opnieuw) moeten worden gehoord. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de vrees dat verdachte, lopende het onderzoek, opnieuw een strafbaar feit pleegt, reëel is en de vrijheidsbeneming van verdachte vordert. De rechtbank zal dan ook de recidivegrond toevoegen.

Voor wat betreft de beslissing van de rechter-commissaris tot schorsing van de voorlopige hechtenis kan de rechtbank zich verenigen met de door de rechter-commissaris genomen

beslissing, nu uit het onderzoek in raadkamer is gebleken dat de persoonlijke belangen van verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis zwaarder hebben te wegen dan de in het bevel bedoelde redenen van maatschappelijke veiligheid. Daarbij is de rechtbank voorts van mening dat het er alle schijn van heeft dat de aanhouding en voorgeleiding van verdachte bij de rechter-commissaris op haar een dusdanige impact heeft gehad, dat de vrees dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen voldoende wordt ingeperkt door de in de schorsingsbeslissing van de rechter-commissaris opgenomen voorwaarden.

3 De beslissing

De rechtbank

- voegt aan het bevel inbewaringstelling d.d. 10 juli 2017 de recidivegrond toe;

- bepaalt dat de in het bevel inbewaringstelling d.d. 10 juli 2017 opgenomen onderzoeksgrond komt te vervallen;

- verklaart het door de officier van justitie ingestelde beroep tegen de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis d.d. 10 juli 2017 ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Felix en mr. Poelert, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Nouws op 14 juli 2017.