Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4297

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
20-07-2017
Zaaknummer
02/820573-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voortgezette handeling verduistering in dienstbetrekking en gewoontewitwassen, kwalificatieverweer gewoontewitwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820573-14

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten

raadsman mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juli 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot en met 28 februari 2014 te Tilburg en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 970.463,23 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als hoofd administratie, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door extra boekingsregels - waaronder zijn, verdachte’s bankrekeningnummer - aan crediteurenkaarten toe te voegen, (mede) waardoor een (groot) aantal (fictieve) betalingen aan crediteuren naar de bankrekening van hem, verdachte, werden overgeboekt/overgemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot en met 28 februari 2014, te Tilburg, althans in Nederland, en/of te Poppel (België) voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen van ongeveer 970.436,23 Euro, althans een (groot) geldbedrag heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten genoemde geldbedragen van ongeveer 970.436,23 Euro gebruik heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, die geldbedragen van zijn bankrekening afgehaald, onder meer door

- voor een bedrag van 109.462,-- euro bestellingen te plaatsen bij [bedrijf] en/of

- een bedrag van 186.614,-- euro uit te geven aan de aankoop van voetbalshirtjes en/of

- contant geld op te nemen van zijn, verdachte’s bankrekening, voor een bedrag van ongeveer 337.938,-- Euro

terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

3 De voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Ten aanzien van het verwijt onder 2, dat verdachte ook in België gelden heeft witgewassen, heeft Nederland op grond van artikel 7 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht rechtsmacht,

nu verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit, witwassen op grond van de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en op dit vergrijp ook door de wet in België een straf is gesteld, gezien het bepaalde in artikel 505 van het Strafwetboek in België. De officier van justitie kan derhalve worden ontvangen in de strafvervolging.

Ook ten aanzien van het overige ten laste gelegde is de officier van justitie ontvankelijk in de strafvervolging.

3.3

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking. De officier van justitie heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen over de omvang van het fraudebedrag, met bijlagen, en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde gewoontewitwassen. De officier van justitie heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen over de inkomsten en uitgaven van verdachte, met bijlagen, en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde gewoontewitwassen. Wel heeft de raadsman een kwalificatieverweer gevoerd ten aanzien van het ten laste gelegde gewoontewitwassen door contant geld op te nemen van zijn bankrekening voor een bedrag van 337.938,00 euro.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Nu verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering

en acht de rechtbank dat dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam] namens [bedrijf] ;1

- het proces-verbaal van bevindingen over de omvang van het fraudebedrag, met bijlagen;2

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 5 juli 2017.3

Ten aanzien van feit 2

Nu verdachte ten aanzien van feit 2 een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering

en acht de rechtbank dat dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen over de inkomsten en uitgaven van verdachte, met bijlagen;4

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 5 juli 2017.5

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen zoals genoemd in het dossier, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de periode, de omvang en de intensiteit kan worden bewezen verklaard als gewoontewitwassen zoals ten laste gelegd.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot en met 28 februari 2014 te Tilburg en/of (elders) in Nederland, (telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 970.463,23 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als hoofd administratie, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door extra boekingsregels - waaronder zijn, verdachte’s bankrekeningnummer - aan crediteurenkaarten toe te voegen, (mede) waardoor een (groot) aantal (fictieve) betalingen aan crediteuren naar de bankrekening van hem, verdachte, werden overgeboekt/overgemaakt;

2.

in of omstreeks de periode van 01 mei 2011 tot en met 28 februari 2014, te Tilburg, althans in Nederland, en/of te Poppel (België) voorwerpen, te weten een of meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 970.436,23 euro, althans een (groot) geldbedrag heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van voorwerpen, te weten genoemde geldbedragen van ongeveer 970.436,23 Euro gebruik heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, die geldbedragen van zijn bankrekening afgehaald, onder meer door

- voor een bedrag van 109.462,-- euro bestellingen te plaatsen bij [bedrijf] en/of

- een bedrag van 186.614,-- euro uit te geven aan de aankoop van voetbalshirtjes en/of

- contant geld op te nemen van zijn, verdachte’s bankrekening, voor een bedrag van ongeveer 337.938,-- euro

terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is in de derde regel van het onder feit 2 ten laste gelegde het woord “in totaal” weggevallen. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

5.1

Feit 1

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van feit 1 uitsluit. Dit levert het hierna genoemde strafbare feit op.

5.2

Feit 2: kwalificatieverweer

Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:2842) heeft de raadsman betoogd dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond aan de orde is ten aanzien van het bewezen geachte witwassen van het door verdachte uit eigen misdrijf verworven geldbedrag van € 337.938,00 dat hij contant van zijn bankrekening heeft opgenomen, omdat slechts kan worden vastgesteld dat verdachte dat geldbedrag voorhanden heeft gehad. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest geoordeeld dat het enkel voorhanden hebben van een geldbedrag dat afkomstig is uit eigen misdrijf niet kan worden gekwalificeerd als witwassen, indien niet kan worden vastgesteld dat er een handeling is verricht gericht op het verbergen of verhullen van een criminele herkomst. Verdachte dient om die reden ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond hier niet aan de orde is. Het is weliswaar juist dat het enkel voorhanden hebben van een uit eigen misdrijf verworven geldbedrag geen witwassen oplevert in de zin van de jurisprudentie van de Hoge Raad, maar de rechtbank acht bewezen dat verdachte het geldbedrag van € 337.938,00 ook heeft omgezet. Ter zitting heeft verdachte immers verklaard dat hij alle door hem verduisterde geldbedragen heeft uitgegeven. Voor omzetting gaat de kwalificatie-uitsluitingsgrond niet op, zodat het verweer van de raadsman geen gevolgen heeft voor de kwalificatie.

5.3

Feit 1 en 2: kwalificatie voortgezette handeling

De rechtbank overweegt dat volgens recente jurisprudentie van de Hoge Raad, in een aantal op 20 juni 2017 gewezen arresten (onder meer ECLI:NL:HR:2017:1113) voor de vraag of er sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepalend is of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in tijd opvolgende gedragingen - ook ten aanzien van het “wilsbesluit” - zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan wordt gemaakt.

In de onderhavige zaak zijn de verduisterde geldbedragen weliswaar op verschillende momenten en op een andere wijze witgewassen, maar moet dit gewoontewitwassen in het onderhavige geval als een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht worden beschouwd. Het verduisteren van geldbedragen en het vervolgens witwassen van die geldbedragen zijn handelingen die naar het oordeel van de rechtbank in de kern genomen voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit van verdachte. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het witwassen feitelijk betrekking heeft op het gebruik maken van het verduisterde geld, waarbij geen sprake is van bijzondere witwasconstructies. Het betreffen gelijksoortige en elkaar in tijd opvolgende gedragingen, waardoor de verschillende bewezen geachte gedragingen, ook ten aanzien van het wilsbesluit, zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan één verwijt kan worden gemaakt.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

Feiten 1 en 2:
de voortgezette handeling van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd, en een gewoonte maken van witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de verduistering en het gewoontewitwassen zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het leven van verdachte is inmiddels ten goede veranderd. Verdachte heeft een vriendin en zij verwachten een kind. Ook wil verdachte een aanvang maken met het terugbetalen van de schulden aan zijn slachtoffers.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer 3 jaar schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking, en daarbij in totaal bijna een miljoen euro van zijn werknemer weggenomen. Gebruikmakend van zijn functie als hoofd administratie bij [bedrijf] en het door zijn werkgever in hem gestelde vertrouwen heeft hij op slinkse wijze geldbedragen naar zijn eigen bankrekening overgemaakt. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan de voortgezette handeling van gewoontewitwassen van dit geld. Het buitgemaakte geld heeft hij naar eigen zeggen uitgegeven en is “verdwenen”, waardoor grote financiële schade is toegebracht aan zijn werkgever. De verdachte heeft zich bij dit alles kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Uit het dossier blijkt dat verdachte van dit geld vooral een luxe leventje heeft geleid.

De rechtbank is van oordeel dat een lange gevangenisstraf op zijn plaats is, waarbij de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS en de straffen die de rechtbank voor soortgelijke feiten pleegt op te leggen als uitgangspunt worden genomen.

Voor fraude zoals hier aan de orde is volgens de oriëntatiepunten bij een first offender en een benadelingsbedrag van 1 miljoen euro een gevangenisstraf van 24 maanden uitgangspunt. Diverse factoren kunnen volgens de oriëntatiepunten strafverhogend werken, zoals recidive, de duur van de gedraging, de vraag of de verdachte de gedraging uit eigen beweging heeft beëindigd, de mate waarin hij uit de gedraging zelf voordeel heeft gekregen en de mate waarin hij het ontstane nadeel ongedaan heeft gemaakt.

De rechtbank heeft, deze factoren wegend, in het nadeel van verdachte acht geslagen op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij in 2007 en 2010 is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De laatste keer is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden wegens een miljoenenoplichting van zijn toenmalige werkgever, maar dat heeft hem er niet van weerhouden om kort nadat hij was vrijgekomen en kort na zijn indiensttreding bij [bedrijf] , opnieuw ernstig in de fout te gaan. Dit is dan ook sterk strafverzwarend. Mede in dat licht bezien hecht de rechtbank geen geloof aan de stelling van de verdediging dat verdachte zijn leven inmiddels heeft gebeterd.

De rechtbank zal tevens de lange duur van de gedragingen van verdachte en de mate waarin hij daaruit voordeel heeft verkregen in het nadeel van verdachte meewegen. Ook zal de rechtbank in zijn nadeel meewegen dat hij na ontdekking door zijn werkgever van de fraude is vertrokken naar het buitenland en langdurig voortvluchtig is geweest en dat [bedrijf] zeer fors is gedupeerd, zoals ter zitting is gebleken uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.

Voor zover de raadsman in het kader van de strafmaat heeft willen betogen dat verdachte handelde onder dwang, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden omdat dit volstrekt onvoldoende is onderbouwd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf] vordert voor het ten laste gelegde feit 1 een schadevergoeding van € 974.000,00 aan materiële schade, een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade en een bedrag aan proceskosten.

Aangezien de benadeelde partij reeds in het bezit is van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, waarbij de burgerlijke rechter de gevorderde hoofdsom van € 974.000,00 aan materiële schade heeft toegewezen, oordeelt de rechtbank - conform vaste jurisprudentie - dat de benadeelde partij bij gebrek aan belang voor dat deel niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Voor de gevorderde immateriële schade geldt dat die niet is geleden door de benadeelde partij zelf, maar door haar bestuurder en enig aandeelhouder. De benadeelde partij zal daarom (eveneens) niet-ontvankelijk worden verklaard in dit onderdeel van haar vordering.

De gevorderde proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor een deel zijn deze kosten al toegewezen in voornoemd vonnis van de burgerlijke rechter en voor een ander deel zien zij op de gevorderde immateriële schade. Voor het (afzonderlijk) toekennen van de gevorderde kosten rechtsbijstand ziet de rechtbank geen grond.

Aangezien de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal de rechtbank wel de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zoals (subsidiair) gevorderd door [bedrijf] en de officier van justitie.

9 Het beslag

9.1

De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen voetbalshirt met handtekeningen van het merk Nike met goednummer 1706430 op grond van artikel 36c onder 1 van het Wetboek van Strafrecht vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit goed is verkregen uit de baten van het feit.

9.2

De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de overige in beslag genomen goederen die hierna in de beslissing zijn genoemd, omdat deze goederen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 56, 321, 322, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feiten 1 en 2:

de voortgezette handeling van

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd,

en een gewoonte maken van witwassen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen goed, te weten:

- het Nike voetbalshirt met handtekeningen (goednummer 1706430)

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen goederen, te weten:

- zilverkleurige Apple Macbook Pro, inclusief oplader (goednummer 1706480);

- Apple iPod, inclusief oplader (goednummer 1706489);

- zwarte Samsung telefoon (goednummer 1706546);

- zwarte htc smartphone (goednummer 1706548);

- witte Apple iPhone (goednummer 1706553);

- Sandisk Transflash adapter (goednummer 1706558);

- twee dvd’s in doosje (goednummer 1706560);

- Tomtom navigatiesysteem (goednummer 1706563);

- Garmin Zumo navigatiesysteem (goednummer 1706571);

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in haar vordering;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [bedrijf] (feit 1), € 984.483,06 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schotanus, voorzitter, mr. Breeman en mr. Thielen-Swaanen, rechters, in tegenwoordigheid van Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 juli 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2014035966 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 548. Het proces-verbaal van aangifte, pagina’s 13 tot en met 21 van voornoemd eindproces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen omvang fraudebedrag, met bijlagen, pagina’s 207 tot en met 214 van voornoemd eind-proces-verbaal.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 5 juli 2017.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina’s 118 tot en met 204 van voornoemd eindproces-verbaal.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 5 juli 2017.