Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4277

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
16/4322
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1567, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 52a AWR, art. 8:42 Awb.

Informatiebeschikking wegens schending administratieplicht.

Belanghebbende is vennoot van een v.o.f. en drijft een eenmanszaak. Voor zover de informatiebeschikking ziet op de v.o.f. is deze terecht gegeven nu ondanks een omvangrijke kasstroom geen dagelijkse kasadministratie is bijgehouden, er sprake is van hoge negatieve kassaldo’s en primaire gegevens en vastleggingen van verhuuractiviteiten ontbreken. De rechtbank verleent geen nieuwe termijn omdat de gebreken in de administratie onherstelbaar zijn. Conform het nadere standpunt van de inspecteur vernietigt de rechtbank de beschikking voor zover die ziet op de eenmanszaak. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden. Belanghebbende heeft niet aan haar stelplicht voldaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1847
Viditax (FutD), 02-08-2017
FutD 2017-1936
NTFR 2017/2237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank zeeland-west-brabant

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

zaaknummer: BRE 16/4322

uitspraak van 17 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met betrekking tot de op te leggen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2012 heeft de inspecteur aan belanghebbende een informatiebeschikking gegeven als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2016 de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 5 juli 2016 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017.

Van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

Dit beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers BRE 15/7002, BRE 15/7003, BRE 15/7004, BRE 15/7898, BRE 15/7899, BRE 16/4317, BRE 16/4318, BRE 16/4319, BRE 16/4320 en BRE 16/4321.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende was tot eind 2012 vennoot van [A V.O.F.], gevestigd op het adres [adres] te [woonplaats] (de Vof). De bedrijfsactiviteiten van de Vof bestaan uit de handel in en het verhuren van nieuwe en gebruikte personenauto’s en bedrijfsauto’s. Begin januari 2012 is belanghebbende een onderneming gestart in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [eenmanszaak]. De ondernemingsactiviteiten van [eenmanszaak] zijn dezelfde als die van de vof.

2.2.

Op 3 december 2014 is de inspecteur begonnen aan een boekenonderzoek bij de Vof, van welk onderzoek hij op 2 december 2015 een concept controlerapport heeft uitgebracht (bijlage 10 bij het verweerschrift). In het concept controlerapport is onder meer het volgende vermeld:

3.3 Kasadministratie

De kasadministratie valt onder verantwoordelijkheid van [de vader van belanghebbende]. Tijdens de controle is vastgesteld dat er binnen de onderneming een omvangrijke stroom contant geld om gaat zonder dat hiervoor een kasboek wordt bijgehouden. Dit is, gezien de aard van de onderneming en het aantal kasmutaties, vereist dat belastingplichtige dagelijks een gedegen kasadministratie bijhoudt en ook regelmatig controleert. (…) De kasbescheiden die er waren worden pas veel later ingeboekt door de adviseur. Hieruit blijkt dat contante uitgaven niet op juiste data geboekt kunnen zijn. Hierdoor geeft de kasadministratie geen getrouw beeld weer van het aanwezige kasgeld op een bepaald moment. (…)

3.3.1

Negatieve kassaldo’s

In de administratie komen negatieve saldo’s voor.

(…)

2012

In 2012 is de hoogste negatieve kas op 30-04-2012 een bedrag van € 140.981,64. Om deze negatieve kassaldo’s in 2012 weg te werken zijn er (…) tijdens het afwerken van de administratie van 2013, diverse voorafgaande journaalposten gemaakt die hun oorsprong vinden in boekjaar 2012. De gesaldeerde uitkomst van deze voorafgaande journaalposten verklaren dat er in 2012 € 49.722,- meer ontvangsten zijn geweest. Per saldo is er daarna nog een correctie nodig om de resterende negatieve saldo’s van totaal € 91.259,64 in de kas te voorkomen. (…)

4.2

Huuropbrengsten auto’s

Er worden auto’s verhuurd aan derden, uit de administratie blijkt ook dat deze auto’s gebruikt/ verhuurd worden op tijdstippen waarvoor er in de administratie geen (omzet) factuur is terug te vinden. Er worden boetes betaald voor auto’s terwijl er geen huur opbrengst van deze auto’s zijn. Kilometerstanden, vermeldt op aanwezige huurcontracten sluiten niet op elkaar aan. Gezien het feit dat er door de onderneming geen sluitende verhuur administratie is bijgehouden is het waarschijnlijk dat de daadwerkelijke huur ontvangsten niet volledig verantwoord zijn.”

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de informatiebeschikking terecht is gegeven. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

3.2.

Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking.

3.3.

De inspecteur concludeert ter zitting nader tot gegrondverklaring van het beroep voor zover de informatiebeschikking betrekking heeft op [eenmanszaak] en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de informatiebeschikking in zoverre.

4 Beoordeling van het geschil

4.0.

Ter zitting heeft de inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven voor zover die ziet op [eenmanszaak] en daarom in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank acht dat standpunt juist nu het recht doet aan de feiten en niet is gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard.

4.1.

Op grond van artikel 52, eerste lid, van de Awr dient een administratie te worden gevoerd naar de eisen van het bedrijf en op zodanige wijze dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de ondernemer en de voor de heffing van belastingen van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Wordt aan deze verplichting niet voldaan dan kan de inspecteur, op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr, dit vaststellen bij een informatiebeschikking.

4.2.

Uit de bevindingen van het door de inspecteur bij de Vof ingestelde boekenonderzoek zoals opgenomen in het concept controlerapport van 2 december 2015, komt onder meer naar voren dat er geen dagelijkse kasadministratie werd bijgehouden terwijl in de door de Vof gedreven onderneming een omvangrijke stroom contant geld omgaat. Tevens is vastgesteld dat – evenals in 2011 – in 2012 sprake is van hoge negatieve kassaldo’s. Ook is geconstateerd dat primaire gegevens en vastleggingen, onder meer met betrekking tot de verhuur van auto’s, ontbreken. Gegeven deze bevindingen moet worden geoordeeld dat de administratie van de Vof niet naar de eisen van het bedrijf is gevoerd en dat niet te allen tijde de rechten en verplichtingen daaruit duidelijk blijken. Hetgeen belanghebbende daarover heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen. De informatiebeschikking is dus in zoverre terecht gegeven.

4.3.

Het standpunt van belanghebbende dat de informatiebeschikking moet worden vernietigd omdat deze niet tijdig is gegeven nu de inspecteur al eerder had geconstateerd dat de administratie gebreken vertoonde, vindt geen steun in het recht. De rechtbank verwerpt daarom belanghebbendes standpunt. De stelling van belanghebbende dat de informatiebeschikking moet worden opgelegd in de fase waarin de vermeende schending van de administratieplicht wordt geconstateerd, wordt verworpen onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2895). De stelling van belanghebbende dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd wordt eveneens verworpen, nu belanghebbende niet voldoende concreet heeft gesteld welke bestaande stukken ontbreken die van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is voorts geen sprake. Al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.4.

Op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr stelt de rechtbank bij een ongegrondverklaring van het beroep een nieuwe termijn voor het voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichtingen in situaties waarin daar nog gevolg aan kan worden gegeven. De rechtbank is van oordeel dat aan de administratie van de Vof dusdanige ernstige gebreken kleven, dat belanghebbende niet alsnog gevolg kan geven aan de in artikel 52 van de Awr opgenomen administratieplicht. De rechtbank zal belanghebbende daarom geen termijn geven om te voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichting.

4.5.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.0, wordt het beroep gegrond verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    wijzigt de informatiebeschikking aldus dat daarin wordt vastgesteld dat belanghebbende ter zake van de vof waarin belanghebbende firmant is, niet heeft voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 52 van de Awr;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.482;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter en mr. drs. M.H. van Schaik en mr. R.C.H.M. Lips, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017.

De griffier De voorzitter

H. van Lingen mr. W.A.P. van Roij

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.