Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4274

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
15/7004
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag omzetbelasting. Bewijsaanbod. Vergrijpboete. Redelijke termijn.

Belanghebbende is een v.o.f. Bij een boekenonderzoek constateert de inspecteur een hoog negatief kassaldo en een negatief netto privé van één van vennoten. De inspecteur concludeert daaruit dat er omzet niet is verantwoord. In geschil is of de naheffingsaanslag en vergrijpboete terecht zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op het bestaan van een lening waarmee het kasverschil zou zijn verklaard.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur gerede twijfel heeft doen ontstaan over het bestaan van de lening. Het ter zitting gedane aanbod van belanghebbende om getuigen te horen verklaart de rechtbank tardief.

De rechtbank oordeelt wel dat de inspecteur het bedrag van de niet verantwoorde omzet te hoog heeft vastgesteld en de naheffingsaanslag daarom moet worden verminderd.

De vergrijpboete wegens grove schuld is terecht opgelegd. Wel vermindert de rechtbank de boete overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag en wegens overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1848
Viditax (FutD), 02-08-2017
FutD 2017-1937
NTFR 2017/2167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank zeeland-west-brabant

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

zaaknummer: BRE 15/7004

uitspraak van 17 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats Y],

belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Voor het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (het naheffingstijdvak) heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ter grootte van € 55.563. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij daartoe strekkende beschikkingen een boete opgelegd van € 13.890 en heffingsrente in rekening gebracht van € 5.205.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 29 oktober 2015 heeft belanghebbende tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.4.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 12 november 2015 de naheffingsaanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbende heeft (ook) daartegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven.

1.6.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017.

Van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

Dit beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers BRE 15/7002, BRE 15/7003, BRE 15/7898, BRE 15/7899, BRE 16/4317, BRE 16/4318, BRE 16/4319, BRE 16/4320, BRE 16/4321 en BRE 16/4322.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit de handel in en het verhuren van nieuwe en gebruikte personenauto’s en bedrijfsauto’s. In het naheffingstijdvak waren [H] (hierna: H) en diens zonen [A] en [D] de firmanten van belanghebbende.

2.2.

Op 3 december 2014 is de inspecteur begonnen aan een boekenonderzoek bij belanghebbende. Per brief van 19 januari 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat voor het jaar 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting zal worden opgelegd en in een andere brief met dezelfde dagtekening heeft de inspecteur medegedeeld dat in verband met die naheffingsaanslag tevens een boete zal worden opgelegd. Aan het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur het volgende ten grondslag gelegd:

“In de kas administratie van de onderneming op 9 december 2011 blijkt een negatieve kas van € 308.289,20. Rekening houdende met dit negatieve kassaldo en het negatieve netto privé van [H], wordt de omzet met € 348.000,- (inclusief 19% omzetbelasting) verhoogd.

Dat betekent dat er een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2011 moet worden opgelegd van € 55.563,-.”

De naheffingsaanslag met de boetebeschikking en beschikking heffingsrente zijn eveneens gedagtekend 19 januari 2015.

2.3.

Per brief van 27 januari 2015, door de inspecteur ontvangen op 28 januari 2015, heeft belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt.

2.4.

Naar aanleiding van de bij het boekenonderzoek opgedane bevindingen hebben tussen partijen e-mailwisselingen en briefwisselingen plaatsgevonden. In zijn brief van 27 maart 2015 aan de inspecteur heeft de gemachtigde onder meer het volgende medegedeeld:

“Door [C] is een contante storting geboekt. Naar recentelijk is gebleken is een lening afgesloten met [B] begin 2011. De geboekte storting vanuit privé dient derhalve ongedaan te worden gemaakt.”

2.5.

Met dagtekening 1 april 2015 heeft de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur een brief gestuurd die op 3 april 2015 is ontvangen en waarin belanghebbende opkomt tegen de door de inspecteur vastgestelde negatieve kas.

2.6.

Op 12 november 2015 heeft de inspecteur de bestreden uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar afgewezen.

2.7.

Op 2 december 2015 heeft de inspecteur het rapport van het boekenonderzoek uitgebracht. Volgens dit controlerapport, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, voldoet de administratie van belanghebbende niet aan de daaraan gestelde eisen. Zo wordt in paragraaf 3.4 van het rapport melding gemaakt van vele gebreken in de kasadministratie die volgens de inspecteur de conclusie rechtvaardigen dat de kasadministratie geen getrouw beeld geeft van de ontvangsten en uitgaven van de onderneming.

2.8.

In paragraaf 3.3.1 van het controlerapport wordt melding gemaakt van een negatief kassaldo dat door de adviseur aanvankelijk was weggewerkt door het inboeken van een drietal storting uit privémiddelen van in totaal € 294.554,73. In deze paragraaf is verder te lezen dat de inspecteur navraag heeft gedaan naar de herkomst van deze privémiddelen en daarop als verklaring werd gegeven dat recentelijk was gebleken dat H € 300.000 had geleend van [B] (hierna: B) te [plaats X]. Deze verklaring is onderbouwd met een schriftelijke overeenkomst van geldlening, gedagtekend 3 januari 2011 (hierna: de Overeenkomst). In de Overeenkomst, die in kopie tot de gedingstukken behoort, is vermeld dat de lening in contanten is verstrekt en dat deze vóór 3 januari 2014 in contanten, verhoogd met € 18.000 rente, moet worden afgelost. In de Overeenkomst staan onder de namen van H en B twee handtekeningen. Tevens behoort tot de gedingstukken de kopie van een stuk dat is gedagtekend 3 januari 2014 en waarin wordt vermeld dat H op die datum de gehele lening, inclusief € 18.000 rente, in contanten heeft afgelost (hierna: het Betalingsbewijs). Ook in dit stuk staan onder de namen van H en B twee handtekeningen. B is op [datum] 2014 overleden.

3 Geschil

3.1.

Ter zitting is komen vast te staan dat enkel nog in geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd en of de heffingsrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de rentebeschikking.

3.3.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep dat is gericht tegen de uitspraak op bezwaar.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar

4.1.

Partijen hebben ter zitting eensluidend geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar en veroordeling van de inspecteur tot het vergoeden van het door belanghebbende betaalde griffierecht en van proceskosten, bestaande uit 1 punt voor het beroepschrift met een wegingsfactor 1. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar

4.2.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur heeft geconcludeerd dat de artikelen 25, derde lid, en 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) (omkering van de bewijslast) niet van toepassing zijn. De rechtbank heeft onvoldoende aanleiding gevonden om de inspecteur niet in zijn conclusie te volgen. Dit betekent dan dat de bewijslast voor de juistheid van de naheffingsaanslag op de inspecteur rust.

4.3.

De naheffingsaanslag is opgelegd op basis van de bij het boekenonderzoek opgedane bevindingen, met als doorslaggevende reden dat eind 2011 sprake was van een administratief negatief kassaldo (zie 2.2). Rekening houdend met dit negatieve kassaldo en met een negatief netto privé van H heeft de inspecteur geconcludeerd dat er een bedrag aan omzet van € 348.000, inclusief omzetbelasting, niet in de administratie is verantwoord. Belanghebbende heeft daartegen aangevoerd dat met het in aanmerking nemen van de lening van B geen sprake meer is van een negatief kassaldo (zie 2.4). De inspecteur heeft naar het bestaan van de lening nader onderzoek gedaan.

4.4.

Tot de door de inspecteur in geding gebrachte stukken behoren een op ambtsbelofte, met dagtekening 28 mei 2015, opgemaakt proces-verbaal van [E] (hierna: [E]), documentendeskundige van de Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond en een proces‑verbaal van een gesprek met [V] (hierna: V), de weduwe van B. In het proces‑verbaal van [E] is vermeld dat geen steun wordt gegeven aan de authenticiteit van de handtekeningen van B onder de Overeenkomst en het Betalingsbewijs. In het proces‑verbaal van het gesprek met V is onder meer het volgende vermeld:

“Wij hebben [V] de navolgende vragen gesteld:

1. Hoe voorzag uw overleden echtgenoot, [B, in zijn levensonderhoud? Met welke activiteiten hield hij zich bezig?

Antwoord:

[V] had geen idee wat [B] eigenlijk deed. Sinds medio 2012 woonde hij (…) samen met twee van zijn zonen uit zijn tweede huwelijk en hield hij zich met een van hen bezig met de aan- en verkoop van olie (termijnhandel).

Tot die tijd hadden zij het financieel erg moeilijk, maar door de oliehandel kreeg [B] het financieel een stuk beter. (…)

5. U bent op [datum] 2013 in Oisterwijk gehuwd met [B], onder huwelijkse voorwaarden. Hiervan is een inbrengstaat opgemaakt. (…) Blijkt hieruit dat uw overleden echtgenoot op dat moment een vordering had op [H]?

Antwoord:

Van de inbrengakte hebben wij een fotokopie ontvangen.

Hieruit blijkt NIET dat [B] vorderingen op derden had. Volgens [V] was [B] niet vermogend. Althans, daar is haar nooit iets van gebleken. Hij had het sinds medio 2012 wel wat beter en had een redelijk gevulde portemonnee, maar haar is nooit iets gebleken van grote sommen geld of van contacten met derden, waarbij grote bedragen werden genoemd. Wel was zijn woning (…) mooi en luxueus ingericht. Volgens [V] had [B] ook geen kluis in zijn of haar huis of bij de bank.

(…)

8. Bent u op de hoogte van een door uw overleden echtgenoot, [B], aan [H] verstrekte geldlening?

Antwoord:

Nee, zoals reeds eerder vermeld, was [B] volgens mevrouw [V] niet vermogend en had hij van niemand geld tegoed. Van een vordering op [H] of op anderen is haar dan ook helemaal niets bekend. Zij heeft hier nooit iets over gehoord of van gemerkt.

Begin 2011, toen de lening aan [H] zou zijn verstrekt, had [B] het financieel zeer zwaar en kon maar met moeite voorzien in zijn levensonderhoud. Het lijkt [V] dan ook onmogelijk dat hij in die periode contant € 300.000 aan [H] zou hebben verstrekt.”

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur met wat hij heeft aangevoerd in het controlerapport en met het ontzenuwen van het door belanghebbende daartegen geleverde tegenbewijs in de vorm van de lening van B, erin geslaagd het van hem te verlangen bewijs als bedoeld in 4.2 te leveren voor zover de naheffingsaanslag betrekking heeft op het negatieve administratieve kassaldo ultimo 2011 van ruim € 300.000. De rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.

4.5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de in 4.4 aangehaalde stukken gerede twijfel doen ontstaan over het bestaan van de lening tussen H en B. Met al hetgeen belanghebbende daar tegenover heeft gesteld en aangevoerd is die twijfel niet weggenomen. De rechtbank overweegt dat uit de tekst van de Overeenkomst al niet volgt dat de lening door H zou zijn aangegaan namens belanghebbende. Verder is geen enkel bewijs geleverd dat daadwerkelijk aan H gelden zijn verstrekt door B.

4.5.2.

Aan het daartoe door belanghebbende gedane bewijsaanbod in de vorm van het horen van getuigen gaat de rechtbank voorbij. Het bewijsaanbod heeft betrekking op het weerleggen van een van aanvang af door de inspecteur betrokken stelling. Belanghebbende had getuigen kunnen meenemen naar de zitting; in de uitnodiging tot het bijwonen van de zitting is belanghebbende op die mogelijkheid gewezen, maar daarvan heeft zij geen gebruik gemaakt. Feiten en omstandigheden die het voor belanghebbende moeilijk of onmogelijk maakten om getuigen mee te nemen naar de zitting, zijn gesteld noch gebleken.

4.5.3.

Voorts gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de negatieve kas door de inspecteur op een te hoog bedrag zou zijn berekend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur aan zijn berekening de administratie van belanghebbende ten grondslag heeft gelegd en heeft gesteld dat de correcties die betrekking hadden op 2010 al verwerkt waren in de administratie van 2010 waardoor er ultimo 2010 geen sprake was van een negatieve kas; de beginbalans voor het jaar 2011 sluit dan ook op juiste wijze aan bij de eindbalans van 2010. De rechtbank hecht geloof aan deze uiteenzetting en acht daarmee voldoende aannemelijk dat de door de inspecteur vastgestelde negatieve kas geheel is ontstaan in het jaar 2011.

4.6.

De inspecteur heeft de gecorrigeerde omzet nog verhoogd met omzetbelasting. De rechtbank is evenwel van oordeel dat met hetgeen de inspecteur daartoe heeft gesteld en aangevoerd niet aannemelijk is geworden dat de verschuldigde omzetbelasting tot een additioneel bedrag aan omzet zou moeten leiden. Het negatieve netto privé van H waarop de inspecteur in dit verband heeft gewezen vormt daartoe een onvoldoende onderbouwing reeds omdat de rechtbank niet kan uitsluiten dat met het in aanmerking nemen van een correctie vanwege een negatief netto privé – waarvan overigens onvoldoende bewijs is geleverd – een dubbeltelling plaatsvindt met de in aanmerking genomen correctie uit hoofde van de negatieve kas. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur in zoverre niet in zijn bewijs geslaagd.

4.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaren en de naheffingsaanslag verminderen tot € 49.222 (€ 308.289,20 – zie 2.2 – x 19/119).

De boete

4.8.

De inspecteur heeft bij de naheffingsaanslag een vergrijpboete opgelegd van 25 procent wegens grove schuld. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat op 12 december 2014 tijdens de bespreking van de resultaten van het boekenonderzoek voor het eerst beboeting aan de orde is gekomen. De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat hem bijstaat dat het moment later is gelegen. De rechtbank gaat ervan uit dat de boete niet eerder dan op 12 december 2014 is aangekondigd. In de aan belanghebbende gezonden kennisgeving van de boete met dagtekening 19 januari 2015 heeft de inspecteur – kort weergegeven – als motivering voor de boete gegeven dat belanghebbende, ondanks eerdere waarschuwingen, geen kasadministratie bijhield, terwijl dit, gezien de aard van de onderneming, wel vereist was en dat het negatieve kassaldo aanvankelijk was weggewerkt met stortingen in contanten waarvan de herkomst onbekend was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee bewezen dat belanghebbende verwijtbaar nalatig is geweest in het voeren van een deugdelijke administratie en dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat daardoor te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. De inspecteur heeft, op grond van artikel 67f van de AWR en met inachtneming van paragraaf 28 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst, terecht een boete van 25 procent opgelegd. Wel dient de boete, overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag, te worden verminderd tot € 12.305 (25% van € 49.222; zie 4.7). Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een wanverhouding tussen voormelde boete en het beboete feit. Wel vindt de rechtbank aanleiding de boete verder te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Uitgaande van de aankondiging van de boete op 12 december 2014 is de redelijke termijn bij het doen van uitspraak in deze zaak met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden overschreden. Daarvan uitgaande dient de boete te worden verminderd met 10% (€ 1.231) tot € 11.074.

4.11.

Tegen de heffingsrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Dat de heffingsrente in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht is gesteld noch gebleken. Wel dient de heffingsrente, overeenkomstig de vermindering van de naheffingsaanslag, te worden verminderd.

4.12.

Op grond van al het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van hetgeen partijen ter zitting zijn overeengekomen betreffende het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar vast op € 495 (zie 4.1). Betreffende het beroep tegen de uitspraak op bezwaar stelt de rechtbank de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). De totale proceskostenvergoeding bedraagt derhalve € 1.977 (€ 495 + € 1.482).

6. Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag tot € 49.222;

  • -

    vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de boete tot € 11.074;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.977;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter en mr. drs. M.H. van Schaik en mr. R.C.H.M. Lips, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017.

De griffier, De voorzitter,

H. van Lingen mr. W.A.P. van Roij

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.