Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4272

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7002
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1570, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Prematuur beroep tegen niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Bewijsaanbod.

Belanghebbende is vennoot van een v.o.f. Na een boekenonderzoek bij de v.o.f . legt de inspecteur hem een navorderingsaanslag met een vergrijpboete op. In geschil is of dat terecht is en of tijdig uitspraak op bezwaar is gedaan.

Het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk nu naar het oordeel van de rechtbank geen ingebrekestelling heeft plaatsgevonden.

Aangaande de navorderingsaanslag oordeelt de rechtbank dat die is opgelegd vanwege een hoog administratief negatief kassaldo en dat de inspecteur gerede twijfel heeft doen ontstaan over het bestaan van een lening waarmee het kasverschil zou zijn verklaard. Het ter zitting gedane aanbod van belanghebbende om getuigen te horen verklaart de rechtbank tardief. De rechtbank oordeelt verder dat sprake is van kwade trouw die navordering rechtvaardigt. Conform het nadere standpunt van de inspecteur vernietigt de rechtbank de boete omdat die niet behoorlijk was aangekondigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1850
Viditax (FutD), 02-08-2017
FutD 2017-1937
NTFR 2017/2210
NLF 2017/1998 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank zeeland-west-brabant

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer: BRE 15/7002

uitspraak van 17 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB) opgelegd (aanslagnummer [aanslagnummer 1].H.17.01), alsmede bij beschikking een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 27 januari 2015 bezwaar ingesteld, en dat bezwaar bij brief van 1 april 2015 gemotiveerd.

1.3.

Op 26 februari 2015 is een verminderingsbeschikking gegeven.

1.4.

Bij brief van 29 oktober 2015 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.5.

Bij brief van 13 november 2015 heeft de inspecteur een verweerschrift ingediend waarin hij zich heeft uitgelaten over de ontvankelijkheid van het beroep.

1.6.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 november 2015 beslist op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag en de boete- en rentebeschikkingen.

1.7.

Bij beschikking van 20 november 2015 heeft de inspecteur een verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

1.8.

Belanghebbende heeft bij brief van 13 januari 2016, ontvangen bij de rechtbank op 14 januari 2016, beroep ingesteld tegen de onder 1.6 genoemde uitspraak op bezwaar.

1.9.

De inspecteur heeft bij brief van 22 juni 2016 een (aanvulling op het) verweerschrift ingediend.

1.10.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017.

Van de aldaar verschenen personen en het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden. Dit beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen met de zaaknummers BRE 15/7003, BRE 15/7004, BRE 15/7898, BRE 15/7899, BRE 16/4317, BRE 16/4318, BRE 16/4319, BRE 16/4320, BRE 16/4321 en BRE 16/4322.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende en zijn twee zonen waren gedurende het jaar 2011 de vennoten van [A V.O.F.] (de Vof). De bedrijfsactiviteiten van de Vof bestaan uit de handel in en het verhuren van nieuwe en gebruikte personenauto’s en bedrijfsauto’s. De onderneming is gevestigd op het adres [adres] te [woonplaats]. Van de winst van de Vof is in het onderhavige jaar 40 procent voor belanghebbende en 30 procent voor elk van de beide zonen. De Vof is per [datum] 2013 ontbonden.

2.2.

Op 9 juli 2013 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, zijn aangifte IB voor het jaar 2011 ingediend en daarbij een belastbaar inkomen uit werk en woning (biww) aangegeven van € 176.313. Op 10 april 2014 heeft belanghebbende een aanvullende aangifte ingediend en daarbij een biww aangegeven van € 52.171. Conform deze aanvullende aangifte heeft de inspecteur aan belanghebbende de aanslag IB voor het jaar 2011 (de primitieve aanslag) opgelegd. De primitieve aanslag is gedagtekend 24 oktober 2014.

2.3.

Op 3 december 2014 is de inspecteur begonnen aan een boekenonderzoek bij de Vof. Tijdens het boekenonderzoek heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. De navorderingsaanslag is berekend naar een biww van € 155.132 en bij het opleggen daarvan is bij daartoe strekkende beschikkingen aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht en is hem een vergrijpboete opgelegd. De navorderingsaanslag met de beide beschikkingen is gedagtekend 19 januari 2015. Vervolgens is op 26 februari 2015 een verminderingsbeschikking gegeven.

2.4.

Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 27 januari 2015 en is op 28 januari 2015 bij de inspecteur ontvangen. In het bezwaarschrift geeft belanghebbende te kennen dat hij de gehele navorderingsaanslag en de boete betwist en verzoekt hij de inspecteur hem een termijn te stellen voor het aanvullen van de gronden van het bezwaar. Per brief van 10 februari 2015 heeft belanghebbende verzocht deze termijn te verlengen tot en met 30 april 2015.

2.5.

Naar aanleiding van de bij het boekenonderzoek opgedane bevindingen hebben tussen partijen e-mailwisselingen en briefwisselingen plaatsgevonden. In zijn brief van 27 maart 2015 aan de inspecteur heeft de gemachtigde onder meer het volgende medegedeeld:

“Door [C] is een contante storting geboekt. Naar recentelijk is gebleken is een lening afgesloten met [B] begin 2011. De geboekte storting vanuit privé dient derhalve ongedaan te worden gemaakt.”

2.6.

Met dagtekening 20 juli 2015 heeft de inspecteur opnieuw een vragenbrief aan belanghebbende gestuurd. Belanghebbende heeft daarop gereageerd per brief van 11 augustus 2015. Op 8 september 2015 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden. In zijn brief van 14 oktober 2015 is belanghebbende nogmaals ingegaan op de door de inspecteur gestelde vragen.

2.7.

Met dagtekening 14 oktober 2015 heeft de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur een brief gestuurd die op 15 oktober 2015 is ontvangen en die, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Betreft: Klacht ex art. 9:4 van de Awb.

Geachte heer/mevrouw,

Tot mij heeft zich gewend [belanghebbende], alsmede [de Vof], met het verzoek een klacht in te dienen voor wat betreft de duur van de ingestelde boekenonderzoeken en behandelingsduur van de lopende bezwaarschriftprocedures m.b.t. de aanslagen [aanslagnummer 1].1601, H2601, W.26014 en [aanslagnummer 2].F011506.

Cliënt is sinds vorig jaar in conclaaf met de belastingdienst, en in zijn optiek hadden veel vragen (ook) voor wat betreft de afhandelingsduur van de bezwaarschriften en lopende boekenonderzoeken veel efficiënter en sneller aangepakt kunnen worden.”

2.8.

Per faxbericht van 29 oktober 2015 heeft belanghebbende een beroepschrift ingediend dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Betreft: beroep ib/pvv nav 2011

Edelachtbaar college,

Tot mij heeft zich gewend [belanghebbende] met het verzoek om beroep aan te tekenen tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting [aanslagnummer 1].H.17.01. (…)

Aanvullend zijn er diverse vragen gesteld en beantwoord waarin bezwaargronden zijn aangedragen.

De reden van het beroep is gelegen in het uitblijven van uitspraken op bezwaar over de jaren 2011 en 2012, en het niet afronden van dit boekenonderzoek, in de zin van artikel 6:2, sub b van de Awb.

Hiervoor is een klacht / ingebrekestelling verzonden op 14/10/’15, en ontvangen op 15/10/’15 (productie 2)”

2.9.

Bij brief van 6 november 2015 schrijft belanghebbende aan de inspecteur:

“Bij dezen wordt de klacht meer specifiek omschreven naar alle aanslagen en uitspraken op bezwaar die voortvloeien uit het lopende boekenonderzoek over de aanslagjaren 2011, 2012 en 2013, indien en voorzover dat nog niet duidelijk was.

Het betreft dus mede een klacht inzake de bezwaarprocedure [aanslagnummer 1].H.17.01.”

2.10.

Op 2 december 2015 heeft de inspecteur het concept rapport van het boekenonderzoek uitgebracht (hierna: controlerapport). Volgens dit controlerapport, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, voldoet de administratie van de Vof niet aan de daaraan in artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gestelde eisen. Zo wordt in paragraaf 3.4 van het controlerapport melding gemaakt van vele gebreken in de kasadministratie die volgens de inspecteur de conclusie rechtvaardigen dat de kasadministratie geen getrouw beeld geeft van de ontvangsten en uitgaven van de onderneming.

2.11.

In paragraaf 3.3.1 van het controlerapport wordt melding gemaakt van een negatief kassaldo dat door de adviseur aanvankelijk was weggewerkt door het inboeken van een drietal stortingen uit privémiddelen van in totaal € 294.554,73. In deze paragraaf is verder te lezen dat de inspecteur navraag heeft gedaan naar de herkomst van deze privémiddelen en daarop als verklaring werd gegeven dat recentelijk was gebleken dat belanghebbende € 300.000 had geleend van [B] (hierna: B) te [plaats X]. Deze verklaring is onderbouwd met een schriftelijke overeenkomst van geldlening, gedagtekend 3 januari 2011 (de Overeenkomst). In de Overeenkomst, die in kopie tot de gedingstukken behoort, is vermeld dat de lening in contanten is verstrekt en dat deze vóór 3 januari 2014 in contanten, verhoogd met € 18.000 rente, moet worden afgelost. In de Overeenkomst staan onder de namen van [belanghebbende] en B twee handtekeningen. Tevens behoort tot de gedingstukken de kopie van een stuk dat is gedagtekend 3 januari 2014 en waarin wordt vermeld dat belanghebbende op die datum de gehele lening, inclusief € 18.000 rente, in contanten heeft afgelost (hierna: het Betalingsbewijs). Ook in dit stuk staan onder de namen van belanghebbende en B twee handtekeningen. B is op [datum] 2014 overleden.

2.12.

Op 13 november 2015 heeft de inspecteur de bestreden uitspraak op bezwaar gedaan. Per brief van 10 december 2015, bij de rechtbank ontvangen op 11 december 2015, heeft belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de inspecteur tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan, of de navorderingsaanslag en de boete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de heffingsrente terecht en naar het juiste bedrag in rekening is gebracht. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

3.2.

Belanghebbende concludeert, naar de rechtbank begrijpt, tot gegrondverklaring van het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, tot vaststelling van de door de inspecteur aan belanghebbende verbeurde dwangsom, tot gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de rentebeschikking.

3.3.

De inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, omdat het prematuur is ingesteld, tot gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de boetebeschikking, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar in zoverre en van de boetebeschikking en voor het overige tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar

4.1.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb moet binnen zes weken uitspraak op een bezwaar worden gedaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de termijn opgeschort vanaf de dag dat de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid is gesteld een bezwaarverzuim te herstellen tot de dag waarop dit verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Op grond van het derde lid kan de uitspraak op bezwaar voor ten hoogste zes weken worden verdaagd en op grond van onderdeel b van het vierde lid is nog verder uitstel mogelijk als de belanghebbende daarmee instemt.

4.2.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar worden ingesteld zodra de inspecteur daarvan in gebreke is en twee weken zijn verstreken nadat de belanghebbende de inspecteur schriftelijk heeft medegedeeld dat hij in gebreke is. Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is dit ook de eerste dag waarop de inspecteur, bij het uitblijven van de uitspraak op bezwaar, aan de belanghebbende een dwangsom verbeurt.

4.3.

De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzuimd hem van het doen van uitspraak op bezwaar in gebreke te stellen. Belanghebbendes brief van 14 oktober 2015 (zie onder 2.7) ziet blijkens de daarin opgenomen aanslagnummers niet op de onderhavige navorderingsaanslag. Weliswaar heeft belanghebbende die brief daarna aangevuld met onder meer het aanslagnummer van de navorderingsaanslag, maar die aanvulling dateert van 6 november 2015 terwijl het beroep van belanghebbende al daarvoor, namelijk op 29 oktober 2015 was ingediend. Daarvan uitgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een prematuur ingesteld beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De omstandigheid dat de navorderingsaanslag voortvloeit uit hetzelfde boekenonderzoek als de aanslagen waarvan het aanslagnummer (wel) is genoemd in de onder 2.7 opgenomen brief kan niet tot een ander oordeel leiden.

Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar

4.4.

De inspecteur heeft geen beroep gedaan op omkering en verzwaring van de bewijslast. De bewijslast voor de juistheid van de navorderingsaanslag rust in dit geval – ook naar het oordeel van de rechtbank – op de inspecteur.

4.5.

De navorderingsaanslag is opgelegd op basis van de bij het boekenonderzoek opgedane bevindingen, met als doorslaggevende reden dat eind 2011 sprake was van een administratief negatief kassaldo (zie 2.10). De inspecteur heeft daaruit geconcludeerd dat, met inachtneming van de binnen de Vof geldende winstverdeling, de aan belanghebbende toekomende winst minimaal € 117.000 hoger moet zijn geweest dan de door belanghebbende verantwoorde winst. Belanghebbende heeft daartegen aangevoerd dat met het in aanmerking nemen van de lening van B geen sprake meer is van een negatief kassaldo (zie 2.5). De inspecteur heeft nader onderzoek gedaan naar het bestaan van de lening.

4.6.

Tot de door de inspecteur in geding gebrachte stukken behoren een op ambtsbelofte, met dagtekening 28 mei 2015, opgemaakt proces-verbaal van [D] (hierna: [D]), documentendeskundige van de Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond, en een proces‑verbaal van een gesprek met [V] (V), de weduwe van B. In het proces‑verbaal van [D] is vermeld dat geen steun wordt gegeven aan de authenticiteit van de handtekeningen van B onder de Overeenkomst en het Betalingsbewijs. In het proces‑verbaal van het gesprek met V is onder meer het volgende vermeld:

“Wij hebben [V] de navolgende vragen gesteld:

1. Hoe voorzag uw overleden echtgenoot, [B, in zijn levensonderhoud? Met welke activiteiten hield hij zich bezig?

Antwoord:

[V] had geen idee wat [B] eigenlijk deed. Sinds medio 2012 woonde hij (…) samen met twee van zijn zonen uit zijn tweede huwelijk en hield hij zich met een van hen bezig met de aan- en verkoop van olie (termijnhandel).

Tot die tijd hadden zij het financieel erg moeilijk, maar door de oliehandel kreeg [B] het financieel een stuk beter. (…)

5. U bent op [datum] 2013 in Oisterwijk gehuwd met [B], onder huwelijkse voorwaarden. Hiervan is een inbrengstaat opgemaakt. (…) Blijkt hieruit dat uw overleden echtgenoot op dat moment een vordering had op [belanghebbende] in [woonplaats]?

Antwoord:

Van de inbrengakte hebben wij een fotokopie ontvangen.

Hieruit blijkt NIET dat [B] vorderingen op derden had. Volgens [V] was [B] niet vermogend. Althans, daar is haar nooit iets van gebleken. Hij had het sinds medio 2012 wel wat beter en had een redelijk gevulde portemonnee, maar haar is nooit iets gebleken van grote sommen geld of van contacten met derden, waarbij grote bedragen werden genoemd. Wel was zijn woning (…) mooi en luxueus ingericht. Volgens [V] had [B] ook geen kluis in zijn of haar huis of bij de bank.

(…)

8. Bent u op de hoogte van een door uw overleden echtgenoot, [B], aan [belanghebbende] te [woonplaats] verstrekte geldlening?

Antwoord:

Nee, zoals reeds eerder vermeld, was [B] volgens mevrouw [V] niet vermogend en had hij van niemand geld tegoed. Van een vordering op [belanghebbende] of op anderen is haar dan ook helemaal niets bekend. Zij heeft hier nooit iets over gehoord of van gemerkt.

Begin 2011, toen de lening aan [belanghebbende] zou zijn verstrekt, had [B] het financieel zeer zwaar en kon maar met moeite voorzien in zijn levensonderhoud. Het lijkt [V] dan ook onmogelijk dat hij in die periode contant € 300.000 aan [belanghebbende] zou hebben verstrekt.”

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur met wat hij heeft aangevoerd in het controlerapport en met het ontzenuwen van het door belanghebbende daartegen geleverde tegenbewijs in de vorm van de lening van B, erin geslaagd aannemelijk te maken dat de omzet van de Vof niet naar de juiste bedragen is verantwoord en – gegeven de winstverdeling binnen de Vof – belanghebbende een zodanig te laag bedrag aan winst uit onderneming heeft aangegeven dat de navorderingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.

4.7.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de in 4.6 aangehaalde stukken gerede twijfel doen ontstaan over het bestaan van de lening tussen belanghebbende en B. Met al hetgeen belanghebbende daar tegenover heeft gesteld en aangevoerd is die twijfel niet weggenomen. De rechtbank overweegt dat uit de tekst van de Overeenkomst al niet volgt dat de lening door belanghebbende zou zijn aangegaan namens de Vof. Verder is geen enkel bewijs geleverd dat daadwerkelijk aan belanghebbende gelden zijn verstrekt door B.

4.7.2.

Aan het daartoe door belanghebbende gedane bewijsaanbod in de vorm van het horen van getuigen gaat de rechtbank voorbij. Het bewijsaanbod heeft betrekking op het weerleggen van een van aanvang af door de inspecteur betrokken stelling. Belanghebbende had getuigen kunnen meenemen naar de zitting. In de uitnodiging tot het bijwonen van de zitting is belanghebbende op die mogelijkheid gewezen, maar daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Feiten en omstandigheden die het voor belanghebbende moeilijk of onmogelijk maakten om getuigen mee te nemen naar de zitting, zijn gesteld noch gebleken.

4.7.3.

Voorts gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van belanghebbende dat de negatieve kas door de inspecteur op een te hoog bedrag zou zijn berekend. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur aan zijn berekening de administratie van belanghebbende ten grondslag heeft gelegd en heeft gesteld dat de correcties die betrekking hadden op 2010 al verwerkt waren in de administratie van 2010 waardoor er ultimo 2010 geen sprake was van een negatieve kas; de beginbalans voor het jaar 2011 sluit dan ook op juiste wijze aan bij de eindbalans van 2010. De rechtbank hecht geloof aan deze uiteenzetting en acht daarmee voldoende aannemelijk dat de door de inspecteur vastgestelde negatieve kas geheel is ontstaan in het jaar 2011.

4.8.

Navordering is ingevolge artikel 16, eerste lid, laatste volzin, van de AWR mogelijk ter zake van een feit ten aanzien waarvan de belastingplichtige te kwader trouw is. Van kwade trouw is sprake indien de belastingplichtige ten aanzien van dat feit de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Opzet omvat hier mede de situatie waarin de belastingplichtige zich ervan bewust is of moet zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat hij een onjuiste aangifte doet (voorwaardelijk opzet). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.5 tot en met 4.7.3 heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het onderhavige jaar een aanzienlijk bedrag aan winst heeft genoten waarvan belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte IB/PVV 2011 geen opgave heeft gedaan. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende op de hoogte was van zijn inkomsten en dat hij wist of redelijkerwijs moet hebben beseft dat hij daarover belasting verschuldigd was. Door de inspecteur informatie over belanghebbendes inkomsten te onthouden, heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in verband met die feiten geen belasting zou worden geheven en is sprake van kwade trouw die navordering rechtvaardigt.

De boete

4.9.

Aangaande de boete heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat die niet behoorlijk was aangekondigd. Gelet hierop heeft de inspecteur zich aangesloten bij het standpunt van belanghebbende dat de boete moet vervallen. De rechtbank vindt geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Voor zover het beroep is gericht tegen de boete is het dus gegrond.

Slotconclusie

4.10.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep voor zover het is gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor zover het beroep is gericht tegen de vergrijpboete dient het gegrond te worden verklaard. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.236 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen de vergrijpboete gegrond, en verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de vergrijpboete;

  • -

    vernietigt de vergrijpboete;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.236;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter en mr. drs. M.H. van Schaik en mr. R.C.H.M. Lips, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017.

De griffier, De voorzitter,

H. van Lingen mr. W.A.P. van Roij

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.