Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4253

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-07-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
AWB 17_2514
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WSFBSF

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 17/2514 WSFBSF

uitspraak van 17 juli 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,

gemachtigde: C. Bosscha,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 22 februari 2017 (bestreden besluit) van DUO inzake haar recht op studiefinanciering.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, haar vader [naam gemachtigde] en haar stiefmoeder [naam stiefmoeder]. DUO heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft de Belgische nationaliteit. Zij volgt sinds september 2015 een mbo-opleiding. Zij heeft al eerder aanvragen ingediend voor studiefinanciering, maar die zijn telkens afgewezen. Eind 2016 heeft zij een nieuwe aanvraag ingediend.

Bij besluit van 6 december 2016 (primair besluit) heeft DUO haar aanvraag om studiefinanciering afgewezen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Bij het bestreden besluit heeft DUO de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2. DUO stelt zich in het bestreden besluit, samengevat, op het volgende standpunt. Eiseres kan op grond van het EU-recht in aanmerking komen voor Nederlandse studiefinanciering. Voorwaarde is dat zij migrerend werknemer is of daarmee gelijkgesteld kan worden. Zij voldoet niet aan deze voorwaarde. Er bestaat ook geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Eiseres heeft ook op grond van haar verblijfsduur geen recht op studiefinanciering.

3. Eiseres voert in beroep, kort samengevat, het volgende aan. Gelet op de bijzondere (gezins-)situatie had DUO de hardheidsclausule moeten toepassen.

Migrerend werknemer

4. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan voor studiefinanciering in aanmerking komen een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

Ter uitvoering van deze bepaling heeft de minister de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap (Beleidsregel) vastgesteld. Deze beleidsregel is op 1 januari 2014 in werking getreden.

5. In de Beleidsregel staat onder meer het volgende vermeld:

Studerenden met een nationaliteit van één van de lidstaten van de Europese Unie of zij die daarmee gelijkgesteld zijn, kunnen net als Nederlandse studerenden in aanmerking komen voor volledige studiefinanciering, indien zij of hun ouders aangemerkt worden als migrerend werknemer.

6. Tussen partijen is niet in geding dat de (biologische) ouders van eiseres niet voldoen aan de voorwaarden voor migrerend werknemerschap. Weliswaar heeft haar vader de Belgische nationaliteit en is hij woonachtig in Nederland, maar hij is werkzaam in België. Omdat hij niet in Nederland werkzaam is, is hij geen migrerend werknemer. Ter zitting is gebleken dat de (biologische) moeder de Belgische nationaliteit heeft, in België woonachtig is en niet werkt. Daarom kan zij ook niet worden aangemerkt als migrerend werknemer.

7. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule (artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000). Eiseres heeft in dit kader aangevoerd dat zij geen contact meer heeft met haar biologische moeder en dat haar stiefmoeder al 12 jaar voor haar zorgt. Volgens eiseres zou haar stiefmoeder dan ook als ouder/verzorger moeten worden aangemerkt.

8. In de Wsf 2000 wordt onder ‘ouder’ verstaan de natuurlijke ouder of adoptiefouder in de zin van het Burgerlijk Wetboek (artikel 1.1 van de Wsf 2000). Pleegouders en stiefouders vallen niet onder dit begrip (Kamerstukken II 1999/00, 26 873, nr. 3, p. 23). Nu stiefouders uitdrukkelijk zijn uitgesloten van het ouderbegrip, heeft DUO geen aanleiding hoeven zien om – met toepassing van de hardheidsclausule – te bezien of de stiefmoeder wel voldoet aan de voorwaarden voor migrerend werknemerschap.

Zelfs al zou het ouderbegrip gepasseerd kunnen worden met toepassing van de hardheidsclausule, dan zou dit eiseres niet kunnen baten. De stiefmoeder heeft immers (van geboorte) de Nederlandse nationaliteit en is werkzaam in Nederland. Zij kan reeds daarom niet worden aangemerkt als migrerend werknemer.

9. Voor zover eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat zij zelf aan de voorwaarden voor migrerend werknemer zou voldoen als haar stage zou meetellen, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit jurisprudentie blijkt dat studenten die stage lopen, in beginsel beschouwd kunnen worden als migrerend werknemer (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1941). Er moet dan wel worden voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsverhouding. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (zie de uitspraak van het Hof van Justitie van 3 juli 1986 (zaaknummer 66/85, Lawrie-Blum).

Eiseres heeft pas voor het eerst ter zitting naar voren gebracht dat zij stage loopt. Daarnaast zitten er in het dossier geen stukken ten aanzien van deze stage, zoals een arbeidscontract en loonstrookjes. DUO heeft dan ook niet kunnen beoordelen of eiseres zelf voldoet aan de voorwaarden voor migrerend werknemerschap. Ook de rechtbank is vooralsnog niet gebleken dat eiseres op basis van haar stage aan die voorwaarden voldoet. Het beroep van eiseres kan op dit punt dan ook niet slagen.

Verblijfsduur

10. Studenten uit de EU of een daarmee gelijkgestelde staat kunnen ook voor studiefinanciering in aanmerking komen als zij vijf jaar of langer in Nederland wonen. Dit volgt uit de Richtlijn 2004/38/EG.

11. Tussen partijen is niet in geding dat eiseres niet voldoet aan deze voorwaarde, omdat zij pas sinds 2013 in Nederland woonachtig is.

12. Eiseres heeft ten aanzien van dit punt ook een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Volgens eiseres heeft zij een reële band met de Nederlandse samenleving. Zo heeft haar stiefmoeder de Nederlandse nationaliteit, heeft het gezin altijd in het grensgebied (in België) gewoond, had eiseres al die tijd Nederlandse vriendinnen en kwam zij vrijwel wekelijks in Nederland in verband met familie- en vriendenbezoek, en voor het doen van uitstapjes, winkelen, etc.

13. DUO heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die verband houden met de stiefmoeder van eiseres, geen rol kunnen spelen bij de vraag of eiseres een reële band heeft met Nederland.

14. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie blijkt dat het moet gaan om een reële en wederkerige band met de Nederlandse samenleving, voorafgaande aan het verblijf in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het daarbij om de feitelijke situatie, zodat niet zonder meer kan worden gezegd dat de omstandigheden die betrekking hebben op de stiefmoeder geen rol van betekenis kunnen spelen. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. De in overweging 12 beschreven situatie van eiseres is niet zodanig uniek dat deze verschilt van andere EU-studenten die in het grensgebied woonachtig zijn geweest. DUO heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.

Conclusie

15. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

16. Eiseres heeft de rechtbank gevraagd om DUO te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten (reis- en verletkosten). Een proceskostenveroordeling is alleen aan de orde als het beroep gegrond wordt verklaard. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.