Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4240

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 4145
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:77, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 3.54 van de Wet IB 2001; afschrijvingstermijn; HIR; Belanghebbende heeft een zonnepaneleninstallatie aangeschaft en de kosten daarvan afgeboekt op de ten tijde van de verkoop van een melkquota gevormde HIR. De rechtbank oordeelt dat de zonnepanelen en de omvormers samen één bedrijfsmiddel zijn. Zij vervullen los van elkaar geen zelfstandige functie binnen de onderneming van belanghebbende. Voorts oordeelt de rechtbank dat belanghebbende de aanschaffingskosten niet kan afboeken op de HIR nu niet aannemelijk is geworden dat de zonnepaneleninstallatie in maximaal tien jaar pleegt te worden afgeschreven. De inspecteur heeft voor de berekening van de afschrijving de afschrijvingstermijn terecht op twintig jaar gesteld.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1832
Viditax (FutD), 02-08-2017
FutD 2017-1932
NTFR 2017/2134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/4145

uitspraak van 18 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.143 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.361. Gelijktijdig heeft de inspecteur bij beschikking een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 831.

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 juni 2016 de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.392, onder handhaving van de overige elementen van de aanslag. De beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. Bij deze uitspraak is tevens een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 246.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 28 juni 2016, ontvangen bij de rechtbank op 29 juni 2016, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Beide partijen hebben vóór de zitting een pleitnota ingediend. Bij de pleitnota van belanghebbende zijn stukken gevoegd. Deze stukken en de pleitnota’s zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017 te Breda. Een overzicht van de verschenen personen en het verhandelde ter zitting is vastgelegd in een proces-verbaal waarvan een afschrift gelijktijdig met het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende drijft samen met zijn echtgenote een akkerbouwbedrijf in de vorm van een vennootschap onder firma onder de naam [A Vof] (hierna: de Vof). Belanghebbende en zijn echtgenote zijn ieder voor 50% gerechtigd tot de winst van de Vof.

2.2.

In 2009 en 2010 hebben belanghebbende en zijn echtgenote (onder andere) melkquota verkocht en ter zake van de boekwinst een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd.

2.3.

In 2013 heeft de Vof een zonnepaneleninstallatie aangeschaft voor € 68.040 (excl. BTW). De installatie bestaat uit 221 zonnepanelen, drie omvormers en bijbehorende accessoires (montagesysteem ten behoeve van de plaatsing van de zonnepanelen op het dak, groepenkast, kabels en stekkers) (hierna: de zonnepaneleninstallatie). De zonnepanelen leveren per stuk 240 watt piek en zijn middels een rails geplaatst op het dak van een schuur die behoort tot het ondernemingsvermogen. De zonnepaneleninstallatie is op 19 juni 2013 in gebruik genomen.

2.4.

Met betrekking tot de zonnepaneleninstallatie zijn de volgende garanties afgegeven:
- 12 jaar fabrieksgarantie op de zonnepanelen;
- 10 jaar fabrieksgarantie op de omvormers;
- 20 jaar fabrieksgarantie op het montagesysteem;
- vermogensgarantie paneel: 90% na 10 jaar;
- vermogensgarantie paneel: 80% na 25 jaar.

2.5.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.147 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 20.361. Hierbij heeft belanghebbende de kosten van de aangekochte zonnepaneleninstallatie afgeboekt op de ten tijde van de verkoop van de melkquota gevormde HIR.

2.6.

De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2013 afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft de belastbare winst als volgt gecorrigeerd:

Aangegeven belastbare winst

€ 37.317

Vrijval HIR melkquotum

€ 34.020 +

Hogere dotatie fiscale oudedagsreserve (FOR)

€ 2.631 -/-

Hogere MKB-winstvrijstelling

€ 4.393 -/-

Belastbare winst

€ 64.313

Hierbij is geen rekening gehouden met enige afschrijving op de zonnepaneleninstallatie.
Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 81.143 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 20.361.

2.7.

Bij de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 als volgt verminderd:

Vastgestelde belastbare winst

€ 64.313

Hogere afschrijving zonnepaneleninstallatie

€ 991 -/-

Lagere dotatie FOR

€ 120 +

Lagere MKB-winstvrijstelling

€ 122 +

Belastbare winst na bezwaar

€ 63.562

Bij de berekening van de afschrijving op de zonnepaneleninstallatie die de inspecteur alsnog heeft toegestaan, is hij uitgegaan van een afschrijvingstermijn van 20 jaar en een restwaarde van nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is in de uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 80.392.

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

(1) vormen de zonnepanelen en de omvormers twee afzonderlijke bedrijfsmiddelen?

(2) heeft de inspecteur de afschrijvingstermijn van de zonnepaneleninstallatie terecht op twintig jaar gesteld?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van primair € 54.147 en subsidiair € 76.186. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.288.

4 Beoordeling van het geschil

Eén of meer bedrijfsmiddelen

4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de zonnepanelen en de omvormers samen één bedrijfsmiddel. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.2.

De zonnepanelen en de omvormers zijn verschillende onderdelen van dezelfde zonnepaneleninstallatie, zijn fysiek met elkaar verbonden en vervullen als geheel genomen een zelfstandige functie binnen de onderneming, te weten de functie van energieopwekking. De zonnepanelen kunnen geen bruikbare energie opwekken zonder dat de zonnepaneleninstallatie is voorzien van omvormers. De omvormers hebben daarentegen in de onderneming van belanghebbende geen functie zonder de zonnepanelen. Beide onderdelen zijn dienstbaar aan elkaar en onvoldoende zelfstandig om te kunnen spreken van afzonderlijke bedrijfsmiddelen. De omstandigheden dat de omvormers een kortere levensduur hebben dan de zonnepanelen en dat de omvormers (anders dan de zonnepanelen) eenvoudig te verwisselen zijn, leiden naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat sprake is van afzonderlijke bedrijfsmiddelen. Het gelijk is aan de inspecteur.

Afschrijvingstermijn van de zonnepaneleninstallatie

4.3.

Artikel 3.54 Wet IB 2001 luidt als volgt:
“1. Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve).
(…)
4. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, vindt afboeking van een herinvesteringsreserve slechts plaats voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen.
(…)”.

4.4.

Tussen partijen is enkel in geschil of de zonnepaneleninstallatie een bedrijfsmiddel betreft waarop in maximaal tien jaren pleegt te worden afgeschreven. Enkel indien die vraag bevestigend wordt beantwoord is afboeking van de aanschaffingskosten van de zonnepaneleninstallatie op de HIR mogelijk.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die leiden tot de conclusie dat de zonnepaneleninstallatie in maximaal tien jaar pleegt te worden afgeschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in deze bewijslast geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.6.

Belanghebbende heeft gesteld dat de technische levensduur van de zonnepaneleninstallatie weliswaar meer dan tien jaar is, maar dat de economische levensduur minder dan tien jaar is. Hiertoe heeft belanghebbende verwezen naar garanties van de leverancier van de zonnepaneleninstallatie, de technische ontwikkelingen op het gebied van zonnepanelen in de afgelopen jaren en de terugverdientijd van de investering.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is de terugverdientijd van de investering een onjuiste maatstaf om de levensduur van een bedrijfsmiddel vast te stellen. De terugverdientijd geeft immers slechts aan wanneer de initiële investering is terugverdiend, maar zegt weinig tot niets over de economische levensduur. Veeleer is aannemelijk dat de economische levensduur langer zal zijn dan de terugverdientijd. Een bedrijfsmiddel kan immers doorgaans nog steeds (economisch rendabel) gebruikt worden nádat de investering is terugverdiend. Dat dit in het onderhavige geval anders zou zijn, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. De garanties waarnaar belanghebbende verwijst onderbouwen evenmin een economische levensduur van tien jaar of korter. Veeleer wijzen de gegeven garanties op een langere economische levensduur dan de verstrekte garantietermijn. Het is naar maatschappelijke opvatting immers gebruikelijk dat garanties niet worden gegeven voor de gehele levensduur van bedrijfsmiddelen, maar slechts voor een gedeelte daarvan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de in 2.4 genoemde (vermogens)garanties juist de conclusie rechtvaardigen dat de zonnepaneleninstallatie niet een economische levensduur heeft van tien jaar of korter. De rechtbank volgt belanghebbende in zijn stelling dat de technische ontwikkelingen van zonnepanelen de afgelopen jaren hebben geleid tot betere zonnepanelen die meer energie kunnen opwekken, echter daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat hierdoor de economische levensduur van de onderhavige zonnepaneleninstallatie maximaal tien jaar bedraagt. Ook de overige door belanghebbende aangevoerde toekomstige onzekerheden, bijvoorbeeld met betrekking tot de mogelijkheden tot het verkrijgen van subsidie voor zonnepanelen, eventuele mindere opbrengsten of schade aan de installatie leiden niet tot een ander oordeel.

4.8.

Nu de zonnepaneleninstallatie niet in maximaal tien jaar pleegt te worden afgeschreven kan belanghebbende de aanschaffingskosten van de zonnepaneleninstallatie niet afboeken op de HIR.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd evenmin aannemelijk gemaakt dat de zonnepaneleninstallatie in minder dan twintig jaar dient te worden afgeschreven. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de afschrijvingstermijn korter dan twintig jaar is en heeft hiertoe verwezen naar ervaringscijfers over zonnepanelen uit verschillende publicaties. Bij de berekening van de gehanteerde afschrijvingsduur van twintig jaar heeft de inspecteur er voorts rekening mee gehouden dat de zonnepanelen in beginsel langer dan twintig jaar meegaan en dat de omvormers minder lang meegaan dan de zonnepanelen. De inspecteur heeft de afschrijvingstermijn van de zonnepaneleninstallatie als geheel dan ook terecht op twintig jaar gesteld.

4.10.

Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat het door de inspecteur in zijn verweerschrift genoemde bedrag aan afschrijving moet worden toegepast en dat dit leidt tot een vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 80.288. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

4.11.

Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 4.10, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, heeft belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing omtrent de kostenvergoeding voor de bezwaarfase;

  • -

    vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.288 met handhaving van de overige elementen;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 990;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2017 door mr. E.E. Schotte, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr.drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier. Wegens afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak door de oudste rechter ondertekend.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.