Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4219

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 7763
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:2458, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2982, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag accijns - verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns vanuit AGP - artikel 2b en 2c van de Wet op de accijns - artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.

Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden, hetzij omdat de stukken om overlegging waarvan belanghebbende heeft verzocht niet bestaan, hetzij omdat die stukken niet van belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak, hetzij omdat belanghebbende niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

Aangezien tussen de naheffingsaanslag en het FIOD-onderzoek geen direct verband bestaat, ziet de rechtbank geen reden voor aanhouding in verband met dat FIOD-onderzoek.

Geen schending van het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel aangezien belanghebbende in de bezwaarfase voldoende tijd heeft gehad om het in artikel 2c, vierde lid van de Wet op de accijns genoemde bewijs te leveren.

Gelet op de e-AD’s en de antwoorden van de Duitse en Roemeense douaneautoriteiten op de verzoeken om wederzijdse bijstand heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de accijnsgoederen niet op hun bestemmingen zijn aangekomen. Dit betekent dat sprake is van een onregelmatigheid die op grond van artikel 2c, derde lid, van de Wet op de accijns geacht wordt te hebben plaatsgevonden in Nederland, tenzij belanghebbende tegenbewijs levert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dit bewijs niet geleverd.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 2b
Wet op de accijns 2c
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-08-2017
FutD 2017-2031
DouaneUpdate 2017-0407
NTFR 2017/2424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/7763

uitspraak van 14 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag accijns opgelegd van € 181.016,93 en bij gelijktijdige beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 21.357 (nummer: [aanslagnummer], hierna: de naheffingsaanslag).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 juli 2016 het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij faxbericht van 30 augustus 2016 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2017 te Breda.

Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting en de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal dat in afschrift is gevoegd bij deze uitspraak.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbendes activiteiten bestaan uit de opslag en distributie van gekoelde en bevroren (accijns)goederen voor rekening en onder eigendom van derden. Zij beschikt over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats (hierna: AGP).

Met betrekking tot Roemenië

2.2.

Volgens het Excise Movement and Control System (hierna: EMCS) heeft belanghebbende in januari 2011 drie maal een elektronisch administratief document (hierna: e-AD) opgemaakt voor de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns vanuit haar AGP naar [A Srl] (hierna: [A Srl]) in Roemenië. Deze goederen lagen bij belanghebbende opgeslagen voor rekening van [B BV]. Van deze drie e-AD's waren eerder Administratief Geleide Documenten (hierna: AGD's) opgemaakt. In deze AGD's staat vermeld dat de goederen zijn ontvangen. Op de e-AD's in EMCS staat vermeld dat de goederen zijn "geweigerd".

2.3.

Op 12 mei 2011 is door de Douane Rotterdam een verzoek om wederzijdse bijstand (hierna: verzoek WZB) ingediend bij de Roemeense douaneautoriteiten met betrekking tot de authenticiteit van de stempels en de handtekeningen die op de AGD's staan.

2.4.

De Roemeense douaneautoriteiten hebben op 23 oktober 2012 bericht dat [A Srl] geen intracommunautaire verwerving van accijnsgoederen heeft verricht, dat [A Srl] geen commerciële relatie heeft (gehad) met belanghebbende, dat de stempels die op de afdrukken van de AGD's staan qua symbool, lettertype en grootte niet overeenkomen met de stempels die de Roemeense douaneautoriteiten gebruiken en dat de persoon die de AGD’s heeft ondertekend “not employed and (…) not known by the company” is.

Met betrekking tot Duitsland

2.5.

Volgens het EMCS heeft belanghebbende in april 2011 drie e-AD's opgemaakt voor de verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns vanuit haar AGP naar [C] (hierna: [C]) in Duitsland.

Op twee e-AD's staat vermeld dat de goederen zijn "afgeleverd"; op het andere e-AD (met nummer eindigend op 568) staat "geaccepteerd". De betreffende goederen lagen bij belanghebbende opgeslagen voor rekening van [B BV].

2.6.

Op 6 februari 2013 heeft de inspecteur het Douane Informatie Centrum (hierna: DIC) verzocht om een verzoek WZB in te dienen bij de Duitse douaneautoriteiten met betrekking tot deze drie e-AD's. Dat verzoek bevatte onder meer de vraag of de accijnsgoederen door [C] zijn ontvangen en zijn opgenomen in het belastingentrepot.

2.7.

Bij brief van 5 juni 2013, ontvangen door het DIC op 17 juni 2013, hebben de Duitse douaneautoriteiten aangegeven dat de zending van het e-AD waarvan het nummer eindigt op 568 niet is ingeslagen in het belastingentrepot van [C].

2.8.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brieven van 28 februari 2013 en

9 januari 2013 in kennis gesteld van de van de Roemeense respectievelijk Duitse douaneautoriteiten ontvangen informatie en heeft haar ingevolge artikel 2c, vierde lid van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat de overbrenging van de zendingen naar Roemenië respectievelijk Duitsland overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de Wet is geëindigd dan wel de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden aan te tonen.

2.9.

Op 21 november 2012 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaarbaarheid van de aangiften en de naleving van de voorschriften van de AGP-vergunning van belanghebbende over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2012 (hierna: het boekenonderzoek). Dit heeft geleid tot een rapport van 22 juli 2015 (hierna: het controlerapport).

2.10.

Naar aanleiding van het controlerapport heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. Van de nageheven accijns van € 181.016,93 heeft € 74.443,48 betrekking op de in Nederland belastbare uitslag in verband met de drie voor Roemenië bestemde zendingen en

€ 79.389,54 op de in Nederland belastbare uitslag in verband met de voor Duitsland bestemde zending (met e-AD eindigend op 568).

2.11.

Begin 2014 is de FIOD een onderzoek gestart naar de AGP-vergunning van belanghebbende over onder meer de periode waarop het boekenonderzoek betrekking had.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Moet de procedure in afwachting van de uitkomst van het FIOD-onderzoek worden aangehouden?

  3. Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

  4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?

Belanghebbende beantwoordt de eerste en derde vraag ontkennend en de andere vragen bevestigend. De inspecteur beantwoordt de eerste en derde vraag bevestigend en de andere vragen ontkennend.

Ter zitting is vast komen te staan dat het geschil ten aanzien van de naheffingsaanslag zich beperkt tot een accijnsbedrag van € 153.833,02, zijnde de nageheven accijns met betrekking tot de onder 2.10 vermelde zendingen (€ 74.443,48 plus € 79.389,54).

Indien de rechtbank van oordeel is dat terecht accijns is nageheven is de hoogte van de nageheven accijns niet in geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslag met de nageheven accijns met betrekking tot de onder 2.10 vermelde zendingen. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de naheffingsaanslag overeenkomstig belanghebbendes standpunt moet worden verminderd, is niet in geschil dat de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente pro rata moet worden verminderd tot € 3.207,26.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

0. Vooraf en ambtshalve

De inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat hij de ontvankelijkheid van het beroep niet langer betwist. De rechtbank acht het beroep ontvankelijk en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de geschilpunten.

1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

4.1.

Ingevolge artikel 8:42, eerste lid, van de Awb moet de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overleggen. De rechtbank stelt voorop dat onder stukken in de zin van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb worden verstaan: stukken die de inspecteur bij het voorbereiden of nemen van zijn besluit tot het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft geraadpleegd of die zich op dat moment in het dossier bevonden. De vraag of van dergelijke stukken sprake is, moet ruim worden opgevat en vindt slechts een beperking in de redelijkheid en de praktische uitvoerbaarheid. Op belanghebbende rust de last om gemotiveerd te stellen dat artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is geschonden omdat er stukken bestaan die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur maar niet door de inspecteur zijn overgelegd.

4.2.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de e-mailcorrespondentie tussen [D] en belanghebbende met betrekking tot naheffingsaanslag stukken van het geding zijn en dat de inspecteur deze correspondentie niet integraal heeft overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat (mogelijk) niet alle e-mails tussen [D] en belanghebbende zijn overgelegd, maar dat de niet-overgelegde e-mailcorrespondentie uitsluitend operationeel van aard was en geen rol heeft gespeeld bij de besluitvorming. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat het gaat om e-mailcorrespondentie die tussen de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur heeft plaatsgevonden. Nu belanghebbende bekend mag worden verondersteld met de inhoud van de betreffende e-mails, is met de stelling van belanghebbende dat er meer e-mailcorrespondentie tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort dan in de onderhavige procedure is overgelegd, onvoldoende gemotiveerd welke bestaande stukken ontbreken die van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak.

4.2.2.

Volgens belanghebbende is artikel 8:42 van de Awb geschonden omdat stukken die volgens het Handboek controle van de belastingdienst (november 2016) aanwezig zouden moeten zijn, er niet zijn, althans niet zijn overgelegd. Volgens belanghebbende is het ter inzage gelegde controledossier gebrekkig, omdat daarin vastleggingen van de controleopdracht, van de verzamelde gegevens, van de gevoerde besprekingen en van (de beoordelaar van) de verrichte controles, ontbreken terwijl die stukken volgens het Handboek Controle van de belastingdienst aanwezig moeten zijn. De rechtbank stelt voorop dat het enkele feit dat de inspecteur volgens een interne richtlijn - zoals het voormelde handboek - bepaalde stukken zou moeten opstellen niet de conclusie rechtvaardigt dat die stukken ook bestaan en tot de stukken van het geding behoren.

Naar de rechtbank begrijpt, stelt belanghebbende dat de controleopdracht een stuk van het geding is omdat daaruit de aanleiding voor het boekenonderzoek volgt. Volgens belanghebbende is die aanleiding gelegen in het FIOD-onderzoek. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat er een controleopdracht is gegeven, maar hij dat stuk vanwege de controlestrategische inhoud niet heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de controleopdracht van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming en acht artikel 8:42 van de Awb niet geschonden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Allereerst kan de aanleiding voor het instellen van een boekenonderzoek – anders dan belanghebbende stelt – niet zijn gelegen in het FIOD-onderzoek, aangezien het FIOD-onderzoek eerst in 2014 is gestart en het boekenonderzoek reeds in november 2012 is aangevangen. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat – zoals de inspecteur stelt – de aanleiding voor het boekenonderzoek is gelegen in het feit dat bij een periodieke administratieve controle werd geconstateerd dat de onderhavige zendingen in EMCS niet waren “afgemeld” maar "geweigerd" (Roemenië) respectievelijk enkel aangemeld voor verzending (status "geaccepteerd" (Duitsland)). Dat in het verzoek om WZB aan de Duitse douaneautoriteiten staat dat de te onderzoeken zendingen betrekking hebben op goederen die voor rekening van [B BV] bij belanghebbende lagen opgeslagen en [B BV] volgens belanghebbende een verdachte in het FIOD-onderzoek is, maakt die conclusie niet anders. Ten aanzien van de andere stukken die volgens het Handboek Controle aanwezig zouden moeten zijn, heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd gesteld dat die stukken bestaan dan wel dat dit stukken zijn die een rol (zouden moeten) hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur.

4.2.3.

Belanghebbende heeft gesteld dat de stukken van het FIOD-onderzoek stukken van het geding zijn omdat het FIOD-onderzoek de aanleiding van het boekenonderzoek is. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in onderdeel 4.2.2. kan het FIOD-onderzoek reeds vanwege de eerdere aanvang van het boekenonderzoek niet de aanleiding zijn geweest voor het boekenonderzoek. Belanghebbende heeft met haar enkele stelling ook niet aannemelijk gemaakt dat latere bevindingen van het FIOD-onderzoek wèl een rol (zouden moeten) hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur. Dat geldt te meer nu de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat vanaf het moment dat bij de periodieke controle is geconstateerd dat er in EMCS zendingen waren die niet op de reguliere wijze waren afgemeld – ontbrekende (eind) status "afgeleverd" – en er zendingen waren die strafrechtelijk onderzoek vereisten, deze twee groepen zendingen een volledig afgescheiden traject hebben gevolgd. De rechtbank acht die verklaring geloofwaardig en aannemelijk.

De rechtbank heeft voorts geen reden aan te nemen dat naast het onder 2.11 vermelde FIOD-onderzoek nog een ander FIOD-onderzoek naar (de AGP-vergunning van) belanghebbende is ingesteld dat betrekking heeft op dezelfde periode als de onderhavige naheffingsaanslag en waarvan de inspecteur geen stukken heeft overgelegd.

4.2.4.

Belanghebbende heeft gesteld dat stukken met betrekking tot de beweegreden van de inspecteur voor indiening van de verzoeken WZB aan Roemenië en Duitsland stukken van het geding zijn maar dat deze stukken ontbreken. In reactie hierop heeft de inspecteur aangegeven dat de verzoeken WZB zijn uitgegaan omdat de zendingen naar Roemenië in EMCS door [A Srl] waren geweigerd en één van de drie naar Duitsland verzonden zendingen volgens EMCS niet was ontvangen. Deze beweegredenen worden bevestigd door het feit dat in het verzoek WZB aan Roemenië is vermeld; "Deze e-AD's zijn nu door de geadresseerde geweigerd" en in het verzoek WZB aan Duitsland achter de desbetreffende zending staat vermeld: "staat nog op status geaccepteerd". Nu de voormelde verzoeken WZB door de inspecteur zijn overgelegd (zie onderdeel 2.3 en 2.6) en de beweegreden voor deze verzoeken daaruit kan worden afgeleid, is er naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van deze stelling van belanghebbende geen sprake van schending van artikel 8:42 van de Awb.

4.2.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat de onderliggende stukken van (de antwoorden op) de verzoeken WZB aan Roemenië en Duitsland niet zijn overgelegd terwijl die tot de stukken van het geding behoren. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.5.1. Volgens belanghebbende ontbreekt het rapport dat het DIC blijkens haar brief van

6 november 2012 van de Roemeense douaneautoriteiten heeft ontvangen. Hoewel het DIC in deze brief schrijft "(...) Er is een rapport uit Roemenië ontvangen (...)", heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de verklaring van de inspecteur dat met dat rapport niet meer dan de bij die brief bijgevoegde e-mail en de vertaling daarvan wordt bedoeld. Dat wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de zinsnede "Er is een rapport uit Roemenië ontvangen welke is bijgevoegd en vertaald" in combinatie met het feit dat de bij de brief gevoegde stukken bestaan uit een e-mail van de Roemeense douaneautoriteiten en een vertaling daarvan. De rechtbank heeft voorts geen reden te concluderen dat er meer e-mails zijn van/naar de Roemeense douaneautoriteiten dan de door de inspecteur overgelegde e-mail.

4.2.5.2. De rechtbank gaat voorbij aan belanghebbendes stelling dat het door de inspecteur overgelegde afschrift van de e-mail van 23 oktober 2012 van de Roemeense douaneautoriteiten niet leesbaar zou zijn nu dat afschrift volgens waarneming van de rechtbank wel leesbaar is.

4.2.5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de stukken waarnaar [E] van het DIC in zijn e-mail van 2 april 2012 verwijst door middel van de zinsnede "Enclosed I sent you our messages", ontbreken. In deze e-mail wordt onder vermelding van nummer 11/381/80329 verwezen naar een bij brief van 12 mei 2011 verzonden dossier. Bij het verweerschrift is een brief gevoegd van het DIC van 12 mei 2011. Deze brief is het aan Roemenië gerichte verzoek om WZB (zie 2.3). Gelet op de dagtekening van de brief, het feit dat deze brief hetzelfde nummer vermeldt als de e-mail en de in de e-mail en brief gestelde vragen overeenkomen, is aannemelijk dat met "messages" deze brief wordt bedoeld. De rechtbank heeft ook overigens geen reden om aan te nemen dat de "messages" zien op andere stukken dan die reeds door de inspecteur zijn overgelegd.

4.2.5.4. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur de onderliggende stukken van het door de Duitse douaneautoriteiten verrichte onderzoek niet overgelegd. De inspecteur heeft daarop verklaard dat hij niet meer heeft ontvangen dan de bij het verweerschrift gevoegde reactie van 8 mei 2013 en hij (ook) niet weet op welke wijze en door wie het onderzoek in Duitsland is uitgevoerd. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

Met betrekking tot de onleesbaar gemaakte tekstgedeelten in het aan Duitsland gerichte verzoek om WZB heeft belanghebbende voor het eerst ter zitting (in de pleitnota) de vraag opgeworpen wat onder die onleesbaar gemaakte tekstgedeelten staat. De inspecteur heeft hierop geantwoord dat het gaat om gegevens van zendingen van een niet bij het onderhavige onderzoek betrokken derde. Belanghebbende heeft op die toelichting van de inspecteur vervolgens niet meer gereageerd, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid is geweest. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de onleesbaar gemaakte tekstgedeelten geen op de zaak betrekking hebbende gegevens bevatten.

4.3.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, zodat artikel 8:42, eerste lid, van de Awb niet is geschonden.

4.4.

De eerste geschilvraag moet bevestigend worden beantwoord.

2. Moet de procedure in afwachting van de uitkomst van het FIOD-onderzoek worden aangehouden?

4.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat de onderhavige procedure moet worden aangehouden zodat belanghebbende met de uitkomst van het in de strafrechtelijke procedure (deels) nog uit te voeren onderzoek à (de)charge kan aantonen dat de onregelmatigheden zich buiten Nederland hebben voorgedaan. Aangezien tussen de onderhavige zendingen en het FIOD-onderzoek geen direct verband bestaat, ziet de rechtbank geen reden voor aanhouding in verband met dat onderzoek.

4.6.

Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel heeft geschonden omdat de inspecteur de bezwaarprocedure niet heeft aangehouden waardoor belanghebbende onvoldoende tijd heeft gekregen voor haar verdediging. De rechtbank overweegt als volgt.

4.6.1.1. Ingevolge artikel 2c, vierde lid van de Wet wordt een termijn van één maand gegund om aan te tonen dat een overbrenging overeenkomstig artikel 2b, tweede lid, van de Wet is geëindigd dan wel dat de onregelmatigheid buiten Nederland heeft plaatsgevonden. Deze termijn komt overeen met artikel 10, vierde lid, tweede alinea, van de Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 (hierna: de Richtlijn 2008/118/EG).

Voor zover belanghebbende wijst op de viermaandstermijn die wordt genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:56, gepubliceerd op rechtspraak.nl) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2002 (C-395/00, "Cipriani") merkt de rechtbank op dat deze arresten voor het onderhavige geschil niet relevant zijn aangezien deze arresten zijn gewezen onder de Richtlijn 92/12/EEG en de onderhavige naheffingsaanslag valt onder de werking van de Richtlijn 2008/118/EG.

4.6.1.2. Niet in geschil is dat de inspecteur belanghebbende bij brieven van 9 januari 2013 (Duitsland) en 28 februari 2013 (Roemenië) in de gelegenheid heeft gesteld het in artikel 2c, vierde lid van de Wet genoemde bewijs te leveren. Gelet op het feit dat de naheffingsaanslag eerst in 2015 is vastgesteld en op 20 juli 2016 uitspraak op bezwaar is gedaan, heeft belanghebbende voldoende tijd gehad om bewijs te leveren zodat naar het oordeel van de rechtbank van schending van het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel reeds om die reden geen sprake is.

4.6.2.

De rechtbank verwerpt belanghebbendes stelling dat zij vanwege het lopende FIOD-onderzoek niet in staat was om bewijs te leveren aangezien het FIOD-onderzoek eerst is gestart in 2014 en de brieven waarin de inspecteur belanghebbende in gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren dateren van begin 2013.

4.6.3.

De rechtbank overweegt ten slotte dat het enkele feit dat ter zake van de accijns hypothecaire zekerheid is gesteld niet betekent dat de inspecteur de bezwaarprocedure had moeten houden.

4.7.

Gelet op het voorgaande is voor aanhouding van de procedure geen aanleiding en moet de tweede geschilvraag ontkennend worden beantwoord.

3. Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

Vooraf

4.8.

Naar aanleiding van het controlerapport heeft de inspecteur met dagtekening 23 juli 2015 aan belanghebbende een stuk verzonden met de aanhef "Toelichting Naheffingsaanslag". Met dagtekening 5 augustus 2015 is aan belanghebbende een stuk verzonden met aanhef "Naheffingsaanslag accijns". Dat stuk vermeldt een te betalen bedrag van € 202.373,93 dat overeenkomt met de gegevens die zijn vermeld in het stuk van 23 juli 2015. Beide stukken bevatten een rechtsmiddelverwijzing. Belanghebbende heeft gesteld dat niet duidelijk is welk stuk de naheffingsaanslag is en dat zij daardoor geschaad is in haar (verdedigings)belangen. De rechtbank begrijpt dat de twee stukken bij belanghebbende verwarring hebben kunnen doen ontstaan maar ziet geen reden om daaraan gevolgen te verbinden nu belanghebbende (tijdig) kennis heeft genomen van het feit dat de inspecteur een naheffingsaanslag heeft opgelegd – het stuk van 5 augustus 2015 is op 4 augustus 2015 door belanghebbende voor ontvangst gestempeld – en zij daartegen tijdig bezwaar heeft aangetekend.

De naheffingsaanslag

4.9.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Wet is accijns verschuldigd ter zake van de uitslag tot verbruik van in het eerste lid van dat artikel genoemde accijnsgoederen. Niet in geschil is dat de onderhavige zendingen accijnsgoederen betreffen. Ingevolge artikel 2a, eerste lid, aanhef, onderdeel a, van de Wet is geen sprake van uitslag tot verbruik indien een accijnsgoed vanuit een AGP naar een andere daarvoor aangewezen AGP of een (in het buitenland gelegen) belastingentrepot wordt gebracht (accijnsschorsingsregeling). In artikel 2b, tweede lid, van de Wet is bepaald dat - voor zover hier van belang - de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling eindigt op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen.

Voor het antwoord op de vraag of het belastbare feit - de uitslag - zich heeft voorgedaan, stelt de rechtbank voorop dat de bewijslast daarvoor op de inspecteur rust.

4.10.

Met al hetgeen de inspecteur heeft gesteld, waaronder de inhoud van de e-AD’s en de antwoorden van de Duitse en Roemeense douaneautoriteiten op de verzoeken om ZWB heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de accijnsgoederen niet door de geadresseerden in Roemenië en Duitsland zijn ontvangen. Uit die antwoorden van de Roemeense douaneautoriteiten kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat de AGD's niet waarheidsgetrouw zijn aangezien [A Srl] geen commerciële relatie heeft (gehad) met belanghebbende en de op de AGD's geplaatste stempels niet overeenkomen met de stempels die in Roemenië worden gebruikt. Uit het antwoord van de Duitse douaneautoriteiten volgt dat de zending met nummer eindigend op 568 niet in het belastingentrepot van [C] is ingeslagen. De door belanghebbende overgelegde stukken, waaronder een vrachtbrief met betrekking tot een aflevering van goederen door [B BV] in Duitsland, maakt die conclusie niet anders.

4.11.

Nu aannemelijk is dat de zendingen niet op hun bestemmingen zijn aangekomen, is sprake van een onregelmatigheid die op grond van artikel 2c, derde lid, van de Wet geacht wordt te hebben plaatsgevonden in Nederland, tenzij belanghebbende tegenbewijs levert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dit bewijs niet geleverd.

4.12.

Voor zover belanghebbende stelt dat haar fiscale aansprakelijkheid voor de accijnsheffing, gelet op de status van de desbetreffende zendingen in EMCS, is beëindigd, overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat het e-AD van de zending naar Duitsland waarover accijns is nageheven in EMCS de status "geaccepteerd" heeft en de e-AD's van de zendingen naar Roemenië in EMCS de status "geweigerd" hebben. Daarmee staat ook vast dat de zendingen in EMCS niet zijn afgemeld, waardoor belanghebbendes stelling dat uit de status in EMCS volgt dat de zendingen door de geadresseerden zijn ontvangen reeds om die reden faalt. De rechtbank merkt in dit verband op dat – in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende lijkt te veronderstellen – de status "geaccepteerd" niet betekent dat de goederen zijn ontvangen maar dat de aanmelding van de zending in EMCS is geaccepteerd; de feitelijke verzending moet dan nog aanvangen.

4.13.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de accijnsgoederen van de onderhavige zendingen naar zowel Roemenië als Duitsland ingevolge artikel 2c, derde lid, van de Wet worden geacht te zijn uitgeslagen uit de AGP van belanghebbende, zodat op grond van artikel 51 van de Wet terecht accijns is nageheven van belanghebbende.

Heffingsrente

4.14.

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente aangevoerd. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel. Derhalve bestaat geen aanleiding om de heffingsrente te verminderen.

4.15.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet de derde geschilvraag bevestigend worden beantwoord.

4. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?

4.16.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade die zij heeft geleden door de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. Bij overschrijding van de redelijke termijn kan, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. In het arrest van 22 april 2005 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2005:AO9006) beslist dat een redelijke termijn in beginsel 24 maanden is (voor bezwaar- en beroepsfase) tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld.

4.17.

Het bezwaarschrift is op 3 september 2015 door de inspecteur ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 14 juli 2017. De bezwaar- en beroepsfase heeft daarmee niet langer dan 24 maanden geduurd zodat voor vergoeding van immateriële schade geen grond is.

4.18.

Gelet op het voorgaande moet de vierde geschilvraag ontkennend worden beantwoord.

4.19.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, moet het beroep ongegrond worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2017 door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter,

mr.drs. M.H. van Schaik en mr. E. Kouwenhoven, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.