Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4199

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
AWB 16_4924 & 17_711
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhavend op te treden tegen een varkenshouderij. De rechtbank komt tot de conclusie dat bestreden besluit I meerdere gebreken kent. Zo heeft het college op een aantal onderdelen van het handhavingsverzoek geen inhoudelijke beslissing genomen. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser.

Wetsverwijzingen
Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer 3.68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2017/184 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummers: BRE 16/4924 GEMWT en BRE 17/711 GEMWT

uitspraak van 13 juli 2017 van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser1] , te [woonplaats] ,

gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof,

[naam eiser2] , te [vestigingsplaats] ,

gemachtigde: mr. J. van Groningen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, verweerder.

Procesverloop

[naam eiser1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 17 juni 2016 van het college (bestreden besluit I) inzake zijn verzoek om handhavend op te treden tegen de varkenshouderij van [naam eiser2] . Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 16/4924 GEMWT. [naam eiser1] heeft eveneens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de geluidshinder als gevolg van de ventilatoren en de roerinstallaties. Bij uitspraak van 12 september 2016 (zaaknummer: BRE 16/4923 GEMWT VV) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van [naam eiser1] ten aanzien van de ventilatoren toegewezen.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college bij besluit van 3 november 2016 (bestreden besluit II) het bezwaar van [naam eiser1] voor het onderdeel van de geluidshinder als gevolg van de ventilatoren alsnog gegrond verklaard en aan [naam eiser2] een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de ventilatoren. Het beroep van [naam eiser1] tegen bestreden besluit I heeft van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II, als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op bestreden besluit II. Met deze schriftelijke reactie heeft [naam eiser2] bedoeld zelfstandig beroep in te stellen tegen bestreden besluit II en een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Het beroep van [naam eiser2] is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer BRE 17/711 GEMWT. Bij uitspraak van 9 februari 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van [naam eiser2] inzake bestreden besluit II afgewezen (zaaknummer: BRE 16/10427 GEMWT VV).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 mei 2017. [naam eiser1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [naam eiser2] heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon1] , [naam persoon2] en haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. L. Backx, [naam persoon3] en mr. M. Braspenning.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[naam eiser2] exploiteert een varkenshouderij aan de [adres1] . [naam eiser1] is de voormalige exploitant van de varkenshouderij en woonachtig in de voormalige bedrijfswoning aan de [adres2] . Deze voormalige bedrijfswoning is inmiddels als burgerwoning bestemd.

Voor de varkenshouderij is bij besluit van 10 december 1991 een vergunning op grond van de Hinderwet verleend voor het houden van 1.536 vleesvarkens. Deze vergunning moet op grond van het overgangsrecht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met ingang van 1 januari 2013 worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo. Op 31 mei 2001 is een melding verandering inrichting geaccepteerd.

Op 18 januari 2013 heeft [naam eiser2] bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu ingediend ten behoeve van het veranderen/uitbreiden van de varkenshouderij, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

Naar aanleiding van klachten van Jochems heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (Omgevingsdienst) op 15 juli 2014 ter plaatse van de varkenshouderij een controle uitgevoerd. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in een controleverslag van 15 juli 2014. Daarin is onder meer vermeld dat de spoelplaats nog niet is gekeurd op vloeistofdichtheid en dat door [naam eiser2] niet kan worden bevestigd of de mestkelders lek zijn. De Omgevingsdienst adviseert het college om opdracht te geven voor een bodemonderzoek naar de aanwezigheid van mest in de bodem rond de stallen.

Bij brief van 5 september 2014 heeft Jochems het college verzocht om handhavend op te treden tegen de varkenshouderij van [naam eiser2] . Zijn verzoek heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  1. het laden en lossen van varkens in de nachtperiode;

  2. het plaatsvinden van meer dan drie aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens per week;

  3. het veroorzaken van geluidshinder door ventilatoren en roerinstallaties;

  4. het veroorzaken van bodemvervuiling door lekkende mestputten;

  5. het ontbreken van een gesloten leiding voor de afvoer van spoel- en schrobwater.

Bij brief van 21 november 2014 heeft het college aan [naam eiser2] medegedeeld dat het voornemens is aan [naam eiser2] een last onder dwangsom op te leggen ten aanzien van het ontbreken van een keuring van de vloeistofdichtheid van de spoelplaats en het niet melden van bijzondere voorvallen aan het bevoegd gezag. [naam eiser1] heeft tegen dit voornemen een zienswijze naar voren gebracht.

Vervolgens heeft de Omgevingsdienst ter plaatse van de woning van [naam eiser1] geluidmetingen uitgevoerd. De bevindingen van deze geluidmetingen zijn neergelegd in een rapportage van 10 december 2014. Uit deze rapportage blijkt – samengevat weergegeven in een tabel – het volgende wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau:

Representatieve bedrijfssituatie (RBS)

Bron

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

RBS 1
(dagperiode inclusief het lossen van bulkvoeder)

Lossen bulkvoeder

Ventilatie

Roerwerken

Totaal

44,9 dB(A)

38 dB(A)

44,2 dB(A)

48,0 dB(A)

RBS 2
(avondperiode inclusief het laden van varkens)

Laden varkens

Ventilatie

Roerwerken

Totaal

42,8 dB(A)

38 dB(A)

39,2 dB(A)

45,3 dB(A)

RBS 3
(avondperiode)

Ventilatie

Roerwerken

Totaal

38 dB(A)

39,2 dB(A)

41,6 dB(A)

RBS 4

(nachtperiode)

Ventilatie

Roerwerken

Totaal

38 dB(A)

39,2 dB(A)

41,6 dB(A)

Bij besluit van 15 december 2015 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning voor het veranderen/uitbreiden van de varkenshouderij aan [naam eiser2] verleend.

Bij besluit van 21 december 2015 (primair besluit) heeft het college het verzoek van [naam eiser1] om handhavend op te treden tegen [naam eiser2] afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van een concreet zicht op legalisering, nu het college bij besluit van 15 december 2015 de door [naam eiser2] aangevraagde omgevingsvergunning heeft verleend. [naam eiser1] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

De Bezwaarschriftencommissie heeft op 31 maart 2016 advies uitgebracht aan het college. De Bezwaarschriftencommissie adviseert het college het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en een proceskostenvergoeding aan [naam eiser1] toe te kennen. In het advies is onder meer vermeld dat het college ten onrechte stelt dat met de verleende omgevingsvergunning aan [naam eiser2] sprake is van een concreet zicht op legalisering. De Bezwaarschriftencommissie adviseert het college aan [naam eiser2] een last onder dwangsom op te leggen teneinde de geluidsoverschrijdingen die voortkomen uit het laden en lossen in de nachtperiode en de ventilatoren en de roerinstallaties te doen stoppen. Ten aanzien van de overige door [naam eiser1] gestelde overtredingen zal het college een onderzoek moeten doen om te beoordelen of daarop moet worden gehandhaafd.

Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van [naam eiser1] gegrond verklaard en tegelijkertijd bij afzonderlijk besluit van 17 juni 2016 aan [naam eiser2] een last onder dwangsom opgelegd. In dit besluit heeft het college [naam eiser2] gelast om binnen 3 maanden na verzending van de brief de vastgestelde overtredingen te beëindigen door:

  1. een verkennend bodemonderzoek aan het bevoegd gezag te overleggen, waaruit blijkt of de mestkelder lek is;

  2. het laden en lossen van varkens tussen 19:00 uur en 06:00 uur te beëindigen en beëindigd te houden.

Dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 10.000,- per overtreding. [naam eiser2] heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van 12 september 2016 van de voorzieningenrechter heeft het college bij bestreden besluit II het bezwaar van [naam eiser1] voor het onderdeel van de geluidshinder als gevolg van de ventilatoren alsnog gegrond verklaard en aan [naam eiser2] een last onder dwangsom opgelegd. [naam eiser2] is gelast om binnen 6 weken na de verzenddatum van de brief de overtreding van de op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidsnormen in de nachtperiode als gevolg van de ventilatoren te beëindigen en beëindigd te houden. Dit op straffe van een verbeurte van een dwangsom van € 150,- per keer met een maximum van € 15.000,-.

Wettelijk kader

2. Op grond van artikel 5:1, eerste lid, van de Awb wordt in deze wet verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Artikel 5:31d van de Awb bepaalt dat onder een last onder dwangsom wordt verstaan de herstelsanctie, inhoudende a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en b) de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in de plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen.

Het beroep van [naam eiser1] (zaaknummer BRE 16/4924 GEMWT)

3. Het beroep van [naam eiser1] is gericht tegen enkele onderdelen van bestreden besluit I. [naam eiser1] voert, samengevat, aan dat het college in bestreden besluit I ten onrechte geen besluit heeft genomen op zijn handhavingsverzoek inzake het plaatsvinden van meer dan drie aan- en afvoerbewegingen per week en het ontbreken van de leiding voor de afvoer van spoel- en schrobwater. Het college heeft volgens [naam eiser1] ten onrechte geen onderzoek uitgevoerd naar deze overtredingen. Ten aanzien van de lekkende mestputten brengt [naam eiser1] naar voren dat het college ten onrechte de plicht om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren bij [naam eiser2] heeft neergelegd. Het college heeft volgens [naam eiser1] een eigen verantwoordelijkheid en plicht om te onderzoeken of sprake is van een overtreding op dit punt. Met betrekking tot de geluidshinder afkomstig van de ventilatoren en de roerinstallaties stelt [naam eiser1] dat het college ten onrechte aan [naam eiser2] op dit onderdeel geen last onder dwangsom heeft opgelegd. Verder heeft het college volgens [naam eiser1] ten onrechte geen proceskosten voor de bezwaarfase toegekend.

4. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het college slechts bevoegd is om handhavend op te treden als sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) zal in het geval dat sprake is van dergelijke overtreding het bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dit niet doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat of handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarom van handhavend optreden behoort te worden afgezien.

5. De rechtbank stelt vast dat de varkenshouderij van [naam eiser2] moet worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en de activiteiten die worden uitgevoerd vallen onder categorie 8.1, aanhef en onder a, van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De varkenshouderij is in de huidige omvang niet als vergunningplichtige inrichting aangewezen. De varkenshouderij moet worden aangemerkt als een inrichting type B en valt daarom onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit.

6. Ten aanzien van het door [naam eiser1] ingediende handhavingsverzoek inzake het plaatsvinden van meer dan drie aan- en afvoerbewegingen per week stelt de rechtbank vast dat het college in bestreden besluit I op dit punt geen inhoudelijke beslissing heeft genomen. Dit terwijl de Bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd om onderzoek te doen of op dit punt sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden. Reeds daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit I in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.

In het verweerschrift en ter zitting heeft het college een nadere toelichting gegeven. Volgens het college is op grond van de door [naam eiser2] overgelegde gegevens bij de aanvraag voor de nieuwe omgevingsvergunning geconcludeerd dat op dit punt geen sprake is van een overtreding. Uit deze gegevens blijkt volgens het college dat in geen enkele bedrijfssituatie de op grond van de Circulaire betreffende geluidhinder geldende voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter ten onrechte zelf geen feitelijk onderzoek ter plaatse uitgevoerd naar de vraag of op dit punt al dan niet sprake is van een overtreding. De verwijzing van het college naar de bij de aanvraag voor de nieuwe omgevingsvergunning overgelegde gegevens is onvoldoende om de conclusie te dragen dat geen sprake is van een overtreding. Nader onderzoek is op dit punt noodzakelijk.

7. Ten aanzien van het door [naam eiser1] ingediende handhavingsverzoek inzake het ontbreken van een leiding voor de afvoer van spoel- en schrobwater stelt de rechtbank vast dat het college in bestreden besluit I evenmin op dit punt een inhoudelijke beslissing heeft genomen. Dit terwijl de Bezwaarschriftencommissie ook op dit punt heeft geadviseerd om onderzoek te doen of sprake is van een overtreding waartegen handhavend moet worden opgetreden. Reeds daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit I in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.

Met betrekking tot de afvoer van het spoel- en schrobwater is van belang dat op grond van artikel 4.104h van de Activiteitenregeling ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico bij het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen het afvalwater van de vrachtwagen naar het afvoerpunt wordt afgevoerd via een vloeistofdichte vloer of verharding, waarbij ervoor wordt gezorgd dat geen afvalwater buiten de vloer of voorziening terecht kan komen.

In het verweerschrift en ter zitting heeft het college een nadere toelichting gegeven. Volgens het college is op papier gecontroleerd dat sprake is van een gesloten systeem en wordt in zoverre voldaan aan de Activiteitenregeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter ten onrechte zelf geen feitelijk onderzoek ter plaatse uitgevoerd naar de vraag of op dit punt al dan niet sprake is van een overtreding. Het op papier controleren of sprake is van een gesloten systeem is onvoldoende om de conclusie te dragen dat geen sprake is van een overtreding in de huidige situatie. Nader onderzoek is op dit punt noodzakelijk.

8. Ten aanzien van het door [naam eiser1] ingediende handhavingsverzoek inzake de lekkende mestputten is van belang dat op grond van artikel 3.68, eerste lid, van de Activiteitenregeling een mestbassin en de afdekking ervan worden aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofdstukken 6 en 7 van BRL 2342.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat een mestbassin dat, of een afdekking die visueel waarneembaar lek is of in een slechte staat verkeert, terstond wordt gerepareerd.

De rechtbank stelt vast dat het college aan [naam eiser2] een last onder dwangsom heeft opgelegd inhoudende dat binnen drie maanden een verkennend bodemonderzoek aan het bevoegd gezag moet worden overgelegd waaruit blijkt of de mestkelder lek is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter daarmee ten onrechte geen inhoudelijke beslissing genomen op het handhavingsverzoek van [naam eiser1] in die zin dat het handhavingsverzoek op dit punt al dan niet is toegewezen of afgewezen. Bovendien heeft het college ook op dit punt ten onrechte zelf geen feitelijk onderzoek ter plaatse uitgevoerd. De rechtbank is met [naam eiser1] van oordeel dat het college een onderzoeksplicht heeft. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit I in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.

Ter zitting heeft het college een nadere toelichting gegeven. Volgens het college is er geen aanleiding om te vermoeden dat de mestputten lekken en blijkt uit het door [naam eiser2] aangeleverde verkennend bodemonderzoek van 6 januari 2017 dat de mestputten inderdaad niet lekken. Gelet hierop is het college van mening dat geen sprake is van een overtreding. De rechtbank kan deze redenering van het college echter niet volgen. Daarbij wordt van belang geacht dat uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ten behoeve van het onderzoek 2 peilfilters zijn geplaatst. Blijkens de resultaten is er een significant verschil tussen de 2 peilfilters. In het onderzoek is geconcludeerd dat de aangetroffen concentraties niet duiden op overschrijding van normeringen, maar het verschil in de gehalten dermate groot is dat lekkage van de mestkelders niet kan worden uitgesloten. Gelet op deze conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat geen sprake is van een overtreding. Nader onderzoek is op dit punt noodzakelijk.

9.1

Ten aanzien van het door [naam eiser1] ingediende handhavingsverzoek inzake de geluidshinder afkomstig van de ventilatoren en de roerinstallaties is van belang dat nu de inrichting valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit moet worden voldaan aan de geluidsnormen, zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit.

Op grond van artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit – voor zover hier van belang – geldt in afwijking van het eerste, tweede en derde lid voor een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen, de niveaus op de plaatsen en tijdstippen, genoemd in tabel 2.17e, niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden:

tabel 2.17e

06.00–19.00 uur

19.00–22.00 uur

22.00–06.00 uur

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

45 dB(A)

40 dB(A)

35 dB(A)

9.2

De rechtbank stelt vast dat het college in bestreden besluit I geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op het handhavingsverzoek van [naam eiser1] inzake de geluidshinder afkomstig van de ventilatoren en de roerinstallaties. Dit terwijl de Bezwaarschriften-commissie het college heeft geadviseerd om op dit punt aan [naam eiser2] een last onder dwangsom op te leggen. Reeds daarom komt de rechtbank tot de conclusie dat bestreden besluit I in zoverre niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd.

9.3

Ten aanzien van de geluidshinder afkomstig van de ventilatoren heeft het college – naar aanleiding van de hiervoor genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2016 – bij bestreden besluit II alsnog aan [naam eiser2] een last onder dwangsom opgelegd. Deze last onder dwangsom strekt ertoe dat [naam eiser2] de overtreding van de op grond van het Activiteitenbesluit geldende geluidsnormen in de nachtperiode als gevolg van de ventilatoren moet beëindigen en beëindigd moet houden. [naam eiser1] heeft geen gronden aangevoerd tegen bestreden besluit II. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat in zoverre het geconstateerde gebrek in bestreden besluit I met bestreden besluit II is hersteld.

9.4

Ten aanzien van de geluidshinder afkomstig van de roerinstallaties stelt de rechtbank vast dat uit het geluidsonderzoek van de Omgevingsdienst van 10 december 2014 blijkt dat in de nachtperiode sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen, als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit. De roerwerkinstallaties zorgen namelijk in de nachtperiode voor een geluidsbelasting op de gevel van de woning van [naam eiser1] van 39,2 dB(A), terwijl op grond van dit artikellid van het Activiteitenbesluit een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal 35 dB(A) is toegestaan. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een overtreding van het Activiteitenbesluit.

Het voorgaande betekent dat het college een beginselplicht tot handhaving heeft tenzij sprake is van een concreet zicht op legalisering of van bijzondere omstandigheden. Daarvan is de rechtbank echter niet gebleken. Zo is met de geluidsmaatregelen die in het kader van de nieuwe omgevingsvergunning worden genomen geen sprake van een concreet zicht op legalisering van de bestaande situatie. Deze geluidsmaatregelen zien immers op de nieuwe situatie en niet op legalisering van de bestaande situatie. Evenmin is de rechtbank gebleken van bijzondere omstandigheden. Zo blijkt uit het advies van [naam adviesbureau1] van 18 februari 2015 dat het mogelijk is om maatregelen aan de roerinstallaties door te voeren, waardoor de geluidshinder kan worden gereduceerd. Deze maatregelen betreffen onder meer het laten reviseren van de motoren. Niet gebleken is dat het doorvoeren van deze maatregelen niet in redelijkheid van [naam eiser1] kunnen worden gevraagd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college was gehouden om handhavend op te treden tegen de overtreding van de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit als gevolg van de roerinstallaties.

Uit een door de Omgevingsdienst uitgevoerd geluidsonderzoek van 21 april 2017 en het verhandelde ter zitting blijkt dat op dit moment met een tijdschakelaar de werkzaamheid van de roerinstallaties in de nachtperiode wordt beperkt. In het geluidsonderzoek is geconcludeerd dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de roerinstallaties inclusief tijdschakelaar 29 tot 32 dB(A) bedraagt en daarom wordt voldaan aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. Het college vertrouwt erop dat [naam eiser2] zich zal houden aan de gemaakte afspraken op dit punt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter onvoldoende om af te zien van handhavend optreden. Het college zal ook ten aanzien van de geluidshinder afkomstig van de roerinstallaties moeten borgen dat wordt voldaan aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. Uit het geluidsonderzoek blijkt immers dat zonder het nemen van maatregelen, in dit geval het beperken van de werkzaamheid van de roerinstallaties met een tijdschakelaar, sprake is van een overtreding van de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit.

10. [naam eiser1] heeft verder nog gesteld dat het college in bestreden besluit I ten onrechte geen proceskosten voor de bezwaarfase heeft toegekend. Het college heeft erkend dat het ten onrechte in bestreden besluit I geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. In zoverre is sprake van een gebrek in bestreden besluit I. Het college heeft ter zitting toegezegd dat het alsnog zal overgaan tot vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte proceskosten.

11. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat bestreden besluit I meerdere gebreken kent. De rechtbank zal daarom het beroep van [naam eiser1] gegrond verklaren en bestreden besluit I vernietigen, voor zover daarbij het college geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op het handhavingsverzoek van [naam eiser1] inzake het plaatsvinden van meer dan drie aan- en afvoerbewegingen per week, het ontbreken van een leiding voor de afvoer van spoel- en schrobwater, het veroorzaken van bodemvervuiling door lekkende mestputten en het veroorzaken van geluidshinder door ventilatoren en roerinstallaties en het college geen proceskostenvergoeding aan [naam eiser1] heeft toegekend voor de bezwaarfase.

Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6 tot en met 9 is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van bestreden besluit I in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Bij het nemen van het nieuwe besluit zal naar het oordeel van de rechtbank door het college eveneens aandacht moeten worden besteed aan de geluidsbelasting van de ventilatoren en de roerinstallaties tezamen. De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit een termijn van 10 weken.

12. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan [naam eiser1] te worden vergoed.

13. De rechtbank zal het college veroordelen in de door [naam eiser1] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495, en wegingsfactor 1).

Het beroep van [naam eiser2] (zaaknummer BRE 17/711 GEMWT)

14. Het beroep van [naam eiser2] is gericht tegen bestreden besluit II. [naam eiser2] stelt zich op het standpunt dat het college in bestreden besluit II ten onrechte geen onderzoek heeft uitgevoerd naar de mogelijkheden, kosten en benodigde begunstigingstermijn voor het beëindigen van de overtreding van het Activiteitenbesluit als gevolg van de ventilatoren. De voorzieningenrechter heeft in voornoemde uitspraak van 12 september 2016 nadrukkelijk overwogen dat een dergelijk nader onderzoek door het college moet worden uitgevoerd. Verder wijst [naam eiser2] op de bijzondere omstandigheden van zijn geval. Zo kunnen volgens [naam eiser2] eventuele benodigde aanpassingen aan de ventilatoren niet worden benut in de nieuwe situatie, die zal ontstaan als gevolg van de verleende omgevingsvergunning. Tot slot brengt [naam eiser2] naar voren dat de begunstigingstermijn te kort is.

15. Met betrekking tot de ventilatoren heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter aan [naam eiser2] bij bestreden besluit II een last onder dwangsom opgelegd. Daarbij is [naam eiser2] gelast om binnen 6 weken na de verzend-datum van de brief de overtreding van de op grond van Activiteitenbesluit geldende geluidsnormen in de nachtperiode als gevolg van de ventilatoren te beëindigen en beëindigd te houden.

De rechtbank stelt vast dat uit het geluidsonderzoek van de Omgevingsdienst van 10 december 2014 blijkt dat in de nachtperiode sprake is van een overschrijding van de geluidsnormen als gevolg van de ventilatoren, als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit. De ventilatoren zorgen namelijk in de nachtperiode voor een geluidsbelasting op de gevel van de woning van [naam eiser1] van 38 dB(A), terwijl op grond van dit artikellid van het Activiteitenbesluit een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal 35 dB(A) is toegestaan. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een overtreding van het Activiteitenbesluit.

16.1

Het voorgaande betekent dat het college een beginselplicht tot handhaving heeft tenzij sprake is van een concreet zicht op legalisering of van bijzondere omstandigheden.

16.2

Van een concreet zicht op legalisering is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals in rechtsoverweging 9.4 reeds is overwogen ten aanzien van de roerinstallaties zien de maatregelen die in het kader van de nieuwe omgevingsvergunning ten aanzien van de ventilatoren worden genomen niet op legalisering van de bestaande situatie.

16.3

Met betrekking tot de bijzondere omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. In dit verband heeft [naam eiser2] slechts gewezen op een mogelijke onevenredigheid van de kosten van de maatregelen voor het aanpassen van de ventilatoren in relatie tot de omstandigheid dat de ventilatoren in de nieuwe situatie wellicht opnieuw moeten worden aangepast.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het college aan de Omgevingsdienst opdracht heeft gegeven om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden, kosten en benodigde begunstigingstermijn. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerker van de Omgevingsdienst meerdere malen contact opgenomen met [naam eiser2] . [naam eiser2] heeft vervolgens toegezegd maatregelen te gaan nemen om te voldoen aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. Deze maatregelen bestaan uit het laten draaien van de ventilatoren op een lager toerental. Deze toezegging heeft [naam eiser2] per e-mailbericht van 2 november 2016 bevestigd. Als gevolg van deze toezegging heeft het college geen aanleiding gezien om een nader onderzoek uit te voeren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook geen aanleiding hoeven te zien om – alvorens bij bestreden besluit II aan [naam eiser2] een last onder dwangsom op te leggen – nader onderzoek uit te voeren. De rechtbank acht daarbij van doorslaggevend belang dat [naam eiser2] zelf heeft toegezegd dat hij maatregelen gaat nemen om ten aanzien van de ventilatoren aan de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit te voldoen. Met deze toezegging heeft [naam eiser2] erkend dat maatregelen aan de ventilatoren mogelijk zijn waardoor de overtreding van het Activiteitenbesluit kan worden beëindigd. [naam eiser2] heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat de kosten van de maatregelen voor het aanpassen van de ventilatoren ter beëindiging van de overtreding dusdanig zijn dat deze investeringen niet in redelijkheid van hem kunnen worden gevergd.

16.4

Ten aanzien van de begunstigingstermijn overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de AbRS de begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag duren dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam eiser2] niet aannemelijk gemaakt dat de overtreding van de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit niet binnen de gestelde termijn van 6 weken kan worden beëindigd.

17. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de bij bestreden besluit II aan [naam eiser2] opgelegde last onder dwangsom in stand kan blijven. Het beroep van [naam eiser2] zal daarom ongegrond worden verklaard.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

zaaknummer: BRE 16/4924 GEMWT

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt bestreden besluit I, voor zover daarbij het college geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op het handhavingsverzoek van [naam eiser1] inzake het plaatsvinden van meer dan drie aan- en afvoerbewegingen per week, het ontbreken van een leiding voor de afvoer van spoel- en schrobwater, het veroorzaken van bodemvervuiling door lekkende mestputten en het veroorzaken van geluidshinder door ventilatoren en roerinstallaties en het college geen proceskostenvergoeding aan [naam eiser1] heeft toegekend voor de bezwaarfase;

  • -

    draagt het college op binnen 10 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 168,- aan [naam eiser1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [naam eiser1] tot een bedrag van € 990,-.

zaaknummer: BRE 17/711 GEMWT

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mr. P.H.J.G. Römers en mr. C.A.F. van Ginneken, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.A. Laheij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.