Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4055

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1961
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OZB / artikelen 220, 220a en 220e van de Gemeentewet / dient een camping te worden aangeslagen als woning of als niet-woning? Hoe moet aandeel van de waarde van de woningdelen worden bepaald indien de beschikte WOZ-waarde lager is dan de werkelijke WOZ-waarde?

De rechtbank overweegt dat het onjuist is in een geval waarin de beschikte WOZ-waarde lager is dan de werkelijke WOZ-waarde, om, zoals belanghebbende voorstaat, de waarde van de woondelen af te zetten tegen de beschikte waarde. In zo’n geval moet de werkelijke waarde van de woondelen worden vergeleken met de werkelijke WOZ-waarde. Nu minder dan 70% van de waarde van de camping toerekenbaar is aan woondelen is terecht een aanslag voor gebruik als niet-woning is opgelegd. De aanslag wordt op grond van artikel 220e van de Gemeentewet wel verminderd met 49,03% nu dat deel van de waarde is toe te rekenen aan woondelen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 220
Gemeentewet 220e
Gemeentewet 220a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1829
Belastingblad 2017/364 met annotatie van J.P. Kruimel
Viditax (FutD), 31-07-2017
FutD 2017-1979
NTFR 2017/2159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/1961

uitspraak van 5 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [X] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van [de gemeente],

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014:

- een beschikking afgegeven waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] ( [de camping] ) te [X] (hierna: de camping) is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken op € 2.975.000;

- met die beschikking is in één geschrift een aanslag onroerende-zaakbelastingen wegens gebruik van € 4.676 (hierna: de aanslag) bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 februari 2015 de WOZ-beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 7 april 2015, ontvangen bij de rechtbank per fax van dezelfde datum, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Een eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de enkelvoudige belastingkamer op 19 oktober 2016 te Eindhoven. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , verbonden aan [kantoor gemachtigde] te [plaats 1] (hierna: de gemachtigde) en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] , [taxateur 1] (taxateur) en [taxateur 2] RT (taxateur). Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift op 24 oktober 2016 aan partijen is gezonden.

1.6.

Na de zitting hebben partijen nadere stukken ingediend, welke telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door de meervoudige belastingkamer op 6 april 2017 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, dezelfde personen als genoemd onder 1.5, met dien verstande dat de gemachtigde werd vergezeld door [taxateur 3] (taxateur). Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.8.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd bij brieven van 15 mei 2017 en 27 juni 2017.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is gebruiker van de camping, welke in eigendom is van [B BV] , de 100% aandeelhoudster in belanghebbende.

2.2.

Belanghebbende heeft als gebruiker van de camping de aanslag ontvangen, waarbij de camping is aangemerkt als niet-woning.

2.3.

De camping is een [sterrencamping] met vele faciliteiten. Op de camping bevinden zich onder meer twee verwarmde openluchtzwembaden, een kleine winkelaccommodatie, een wasserette, een multi sportterrein, diverse zit- en speelterreinen en diverse sanitairgebouwen. Het perceel waarop de camping is gelegen, heeft een oppervlakte van 121.920 m2.

2.4.

De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 29 juni 2015 door [taxateur 2] , verbonden aan [kantoor taxateur 2] te [plaats 2] . In het taxatierapport is de waarde van de camping, per waardepeildatum 1 januari 2013 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld op € 3.090.000. In het taxatierapport is de waarde van de camping bepaald door toepassing van de operationele-cashflowmethode. Daarbij is geen afzonderlijke waarde toegekend aan de opstallen op de bebouwde plaatsen op de camping.

2.5.

Belanghebbende heeft eveneens een taxatierapport overgelegd, opgemaakt op 29 september 2014 door [taxateur 3] , verbonden aan [kantoor taxateur 3] te [plaats 3] . In dit taxatierapport is de waarde van de camping, per waardepeildatum, vastgesteld op € 2.400.000.

2.6.

Bij brief van 17 november 2016 heeft de heffingsambtenaar drie berekeningen opgenomen van de waarde van de camping. In de derde berekening, welke uitkomt op een totale waarde van € 4.337.500, is de waarde van de aan de vaste plaatsen toerekenbare grond bepaald op € 606.800, de waarde van de chalets op € 507.500 (29 stuks maal € 17.500) en de waarde van de stacaravans op € 1.012.500 (135 stuks maal € 7.500).

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is alleen nog in geschil of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder of de camping “in hoofdzaak tot woning dient” als bedoeld in artikel 220, aanhef en letter a, in samenhang met artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet. En, zo niet, welk gedeelte van de waarde van de camping bestaat uit de waarde van woondelen in de zin van de onroerende-zaakbelastingen (hierna: OZB) als bedoeld in artikel 220e van de Gemeentewet.

De bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde is niet meer in geschil. Evenmin is nog in geschil dat de chalets en de stacaravans, alsmede de daaraan toe te rekenen grond, zijn aan te merken als delen die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden als bedoeld in artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet (hierna: woondelen).

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover dit de aanslag betreft en vernietiging van de uitspraak op bezwaar ter zake van de aanslag en van de aanslag.

3.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover dit de aanslag betreft, vernietiging van de uitspraak op bezwaar ter zake van de aanslag en vermindering van de aanslag tot € 2.383 (50,97% van € 4.676).

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat de WOZ-waarde van de camping in het onderhavige jaar voor 70% of meer kan worden toegerekend aan woondelen. Zij gaat daarbij uit van de beschikte WOZ-waarde van € 2.975.000 en van de in 2.6 genoemde derde berekening. Zij wijst erop dat de aan de woondelen toe te rekenen waarde van € 2.126.800 (de in 2.6 genoemde bedragen van € 606.800, € 507.500 en € 1.012.500) meer is dan 70% van de beschikte waarde van € 2.975.000.

Subsidiair stelt belanghebbende dat van haar geen OZB mag worden geheven over het gedeelte van de waarde van de camping dat dienstbaar is aan woondelen.

4.2.

De rechtbank overweegt dat belanghebbende de door verweerder nader berekende waarde, als genoemd in 2.6, niet bestrijdt. Hiervan uitgaande is het onjuist om, zoals belanghebbende voorstaat, voor de bepaling van het aandeel woondelen de aan woondelen toerekenbare waarde van € 2.126.800 te vergelijken met de voor de camping beschikte waarde van € 2.975.000. Dan worden onvergelijkbare grootheden met elkaar vergeleken.

In een geval zoals hier, waarin de beschikte waarde lager is dan de werkelijke WOZ-waarde, moet naar het oordeel van de rechtbank voor de bepaling van het aandeel woondelen de werkelijke waarde van de woondelen worden vergeleken met de werkelijke WOZ-waarde. Een andere berekeningswijze is om wel uit te gaan van de beschikte WOZ-waarde (die zeg x% van de werkelijke WOZ-waarde is) en daartegenover af te zetten de werkelijke waarde van de woondelen maar dan gecorrigeerd naar rato van de verhouding tussen de beschikte WOZ-waarde en de werkelijke WOZ-waarde (dus maal x%). Deze berekeningswijze komt op hetzelfde neer als de eerste en leidt (dus) tot hetzelfde resultaat. Deze berekeningswijzen acht de rechtbank juist omdat daarbij vergelijkbare grootheden worden vergeleken, terwijl dat bij de methode die belanghebbende voorstaat niet het geval is. Artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet laat ook ruimte voor de berekening die de rechtbank juist acht. Dat in dat tweede lid over de vastgestelde waarde wordt gesproken, doet daaraan niet af, in aanmerking genomen dat de tweede berekeningswijze de vastgestelde waarde als uitgangspunt neemt.

4.3.

De rechtbank overweegt dat uitgaande van een waarde van de camping van € 4.337.500 en een waarde van de chalets en de stacaravans, alsmede de daaraan toe te rekenen grond, van € 2.126.800 (zie 3.1), 49,03% (€ 2.126.800 gedeeld door € 4.337.500 maal 100) van de waarde van de camping toerekenbaar is aan woondelen. Dat is minder dan 70% van de waarde van de camping. Daarom is terecht een aanslag voor gebruik als niet-woning opgelegd.

4.4.

Op grond van artikel 220e van de Gemeentewet dient echter bij de bepaling van de heffingsmaatstaf de aan de woondoeleinden toegekende waarde buiten aanmerking te worden gelaten. Dit is 49,03% (zie 4.3). De aanslag moet overeenkomstig worden verminderd van € 4.676 tot € 2.383.

5 Proceskosten

5.1.

De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2.

Voor dat geval zijn partijen ter zitting nader tot overeenstemming gekomen in die zin dat de kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden vastgesteld op (afgerond) € 2.350 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1,5). Voorts zijn partijen ter zitting nader tot overeenstemming gekomen in die zin dat de kosten van belanghebbende voor het inschakelen van een deskundige moeten worden vastgesteld op € 1.320.

5.3.

De totale proceskosten bedragen dus € 3.670 (€ 2.350 plus € 1.320).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover dit de aanslag betreft;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de aanslag betreft;

  • -

    vermindert de aanslag tot € 2.383;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.670;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juli 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. C.A.F.M Stassen en mr. T. van Rij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.