Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4053

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
02/821021-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door middel van inklimming. Diefstal vergezeld van geweld tijdens schorsing van de voorlopige hechtenis. Proceshouding. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Parketnummer: 02/821021-16

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd te Middelburg,

raadsman mr. T.J.F. Wassenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2017 waarbij de officier van justitie mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 september 2016 (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op of omstreeks 4.00 uur) te Goes met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ( [adres 2] heeft weggenomen een sleutelbos en/of een mobiele telefoon en/of een tabled en/of twee, althans een paar schoenen en/of een jas en/of een rugzak en/of een ID kaart, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

2.

hij op of omstreeks 6 januari 2017 te Rilland, gemeente Reimerswaal, op/aan de openbare weg, de [adres 3] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleutelbos en/of een paar schoenen en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] voornoemd en/of (diens vader) [vader slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] voornoemd;

- vanachter heeft vastgepakt en/of (vervolgens/daarbij)

- de hand(en) voor de ogen van die [slachtoffer 2] heeft gedaan en/of gehouden en/of (vervolgens/daarbij)

- die [slachtoffer 2] achterover (naar/op de grond) heeft getrokken en/of (vervolgens/daarbij)

- heeft hij, verdachte, die [vader slachtoffer 2] voornoemd meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) in de vinger(s) en/of de hand gebeten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem tenlastegelegde feiten en baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het eerste tenlastegelegde feit, nu verdachte dit feit heeft bekend. De rechtbank kan niet tot bewezenverklaring van het tweede tenlastegelegde feit komen. Er is sprake van een persoonsverwisseling en de verklaringen van aangever en zijn vader zijn niet betrouwbaar.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Nu verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft bekend en hiervoor geen vrijspraak is bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

- de bekennende verklaring van verdachte1;

- de aangifte van [slachtoffer 1] 2.

Ten aanzien van feit 2

Op vrijdag 6 januari 2017 om 21.43 uur stapt [slachtoffer 2] (hierna ‘ [slachtoffer 2] ’) in de trein richting Roosendaal. Op station Rilland te Rilland, gemeente Reimerswaal, stapt hij uit. Hij loopt naar de fietsenstalling aan de [adres 3] en ziet achter hem een jongen lopen van ongeveer 20 jaar, iets groter dan 160 centimeter, licht getint, een beetje dik, met kort zwart haar en deze droeg een zwarte jas, zwarte handschoenen en een zwarte broek. Op het moment dat [slachtoffer 2] zijn fiets vastpakt, wordt hij vanachter door iemand vastgepakt. Er wordt een hand over zijn ogen gedaan en hij wordt achterover naar de grond getrokken. Als [slachtoffer 2] met zijn rug op de grond ligt, ziet hij dat het dezelfde jongen is als die achter hem aan liep. De jongen trekt de schoenen van [slachtoffer 2] uit, voelt in de jaszakken van [slachtoffer 2] en haalt daar de telefoon en sleutelbos van [slachtoffer 2] uit. Hij neemt de goederen mee en rent dan weg. [slachtoffer 2] gaat naar huis en komt een kwartier later met zijn ouders in een auto terug bij het station. Daar ziet hij de jongen weer lopen. Hij herkent de jongen aan zijn postuur, haarkleur en donkere kleding.3

Op het moment dat de jongen de auto en [slachtoffer 2] ziet rent hij weg. De vader van [slachtoffer 2] gaat achter de jongen aan. Hij pakt hem vast en er ontstaat een worsteling, waarbij de jongen de vader van [slachtoffer 2] aanhoudend met kracht in zijn rechterwijsvinger bijt. Hierdoor ontstaat een wond op de rechterwijsvinger van de vader van [slachtoffer 2] .45 Op het moment dat [slachtoffer 2] bij de jongen en zijn vader komt, haalt de jongen uit een zwart tasje dat hij draagt de schoenen van [slachtoffer 2] en gooit die naar hem toe. [slachtoffer 2] en zijn vader herkennen de schoenen als zijnde de schoenen van [slachtoffer 2] . De jongen springt over een hek en rent het perron van het station op. De jongen stapt in de op dat moment aangekomen trein. De vader van [slachtoffer 2] loopt achter hem aan en pakt hem beet. De vader van [slachtoffer 2] legt aan de conducteur die uit de trein komt uit wat er aan de hand is. De conducteur pakt daarop het tasje van de jongen vast. Vervolgens rent de jongen weer weg, ditmaal in de richting van de woningen aan de [adres 3] .

Vervolgens komt de politie ter plaatse. De surveillancehond pakt een menselijk geurspoor op en leidt een verbalisant naar een woning gelegen aan de [adres 3] . Op een dak van een woning aldaar wordt een jongen aangetroffen die voldoet aan het signalement dat [slachtoffer 2] en zijn vader hadden gegeven. De aangetroffen jongen blijkt verdachte te zijn. Verdachte is gekleed in een zwarte jas, een zwarte spijkerbroek, een zwart T-shirt en draagt zwarte/grijze Nike gymschoenen. In de kleding van verdachte wordt bij fouillering een sleutelbos aangetroffen. [slachtoffer 2] en zijn vader herkennen de sleutelbos als zijnde de sleutelbos van [slachtoffer 2] .

De rechtbank stelt vast dat verdachte verklaart dat hij op station Rilland was op het moment dat [slachtoffer 2] zegt beroofd te zijn. Voorts stelt de rechtbank vast dat het door [slachtoffer 2] gegeven signalement van de jongen die hem van zijn schoenen, telefoon en sleutelbos heeft beroofd, overeenkomt met dat van verdachte. Zo is verdachte licht getint, droeg hij zwarte kleding en had hij een zwart tasje, dat later door de conducteur is afgepakt, bij zich. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat in de kleding van verdachte de sleutelbos van [slachtoffer 2] is aangetroffen. Deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 2] van de goederen heeft beroofd.

Het gevoerde persoonsverwisselingsverweer vindt in deze overweging haar weerlegging. Bovendien staat verdachte alleen in het gestelde alternatieve scenario. Het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten en verdachte heeft geen begin van bewijs geleverd dat niet hij, maar een ander het feit op 6 januari 2017 in Rilland heeft gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is het alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk geworden.

Het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer 2] en de vader van [slachtoffer 2] niet betrouwbaar zouden zijn, wordt verworpen. Zo komen de verklaringen van [slachtoffer 2] en zijn vader op hoofdlijnen met elkaar overeen en is van tegenstrijdigheden geen sprake. Hun verklaringen vinden ook steun in de verklaring van de conducteur.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 4 september 2016 (gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op of omstreeks 4.00 uur) te Goes met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ( [adres 2] heeft weggenomen een sleutelbos en/of een mobiele telefoon en/of een tablet en/of twee, althans een paar schoenen en/of een jas en/of een rugzak en/of een ID kaart, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

2.

hij op of omstreeks 6 januari 2017 te Rilland, gemeente Reimerswaal, op/aan de openbare weg, de [adres 3] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleutelbos en/of een paar schoenen en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] voornoemd en/of (diens vader) [vader slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [slachtoffer 2] voornoemd:

- vanachter heeft vastgepakt en/of (vervolgens/daarbij)

- de hand(en) voor de ogen van die [slachtoffer 2] heeft gedaan en/of gehouden en/of (vervolgens/daarbij)

- die [slachtoffer 2] achterover (naar/op de grond) heeft getrokken en/of (vervolgens/daarbij)

- heeft hij, verdachte, die [vader slachtoffer 2] voornoemd meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) in de vinger(s) en/of de hand gebeten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt een onvoorwaardelijke straf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Verdachte kan dan zijn baan en woonruimte behouden. Dit wordt van belang geacht door de psycholoog ter vermindering van de kans op recidive. Verder moet rekening gehouden worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning in de nachtelijke uren. De gepleegde woninginbraak heeft een forse inbreuk op de privacy van het slachtoffer gemaakt en heeft tot materiële schade geleid. Ook heeft verdachte hierbij het vertrouwen beschaamd van het slachtoffer, die hem eerder die avond/nacht wat te drinken had aangeboden. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk. Verdachte heeft voor dit feit in voorlopige hechtenis gezeten. Nadat deze voorlopige hechtenis was geschorst, heeft hij zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving van een minderjarige jongen. Verdachte heeft dit slachtoffer van achteren vastgepakt en hem naar de grond getrokken en heeft vervolgens een aantal goederen van het slachtoffer meegenomen. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het bijten in de vinger van de vader van de jongen. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan. Dergelijke gewelddadige feiten zijn zeer bedreigend voor een slachtoffer. Bovendien nemen als gevolg van dergelijke geweldsdelicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe. Verdachte heeft meerdere mensen (in meer of mindere mate) leed bezorgd en heeft bij de uitvoering van zijn gedragingen niet nagedacht over de consequenties van zijn handelen. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt dat hij zich weerloos tegenover verdachte voelde en dat hij (nog steeds) angstig is.

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte van 24 februari 2017 waaruit blijkt dat hij eerder veroordeeld is voor het plegen van geweldsfeiten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Over verdachte is door forensisch GZ-psycholoog drs. [psycholoog] een Pro Justitia rapport opgemaakt van 26 april 2017. Hieruit blijkt onder meer het volgende. Verdachte liet in zijn kindertijd destructief getinte gedrags- en opvoedingsproblemen zien, alsmede leer- en schoolproblemen. Vanaf zijn 12e tot 18e jaar werd hij via een civiele plaatsing vanwege herhaaldelijk wangedrag geplaatst in diverse gesloten jeugdinrichtingen. Opvallend is dat verdachte zich buiten het inrichtingsleven in positieve zin ontwikkelde. Hij vond op eigen initiatief werk in een Aziatische keuken en werkte zich op tot chef-kok met specialisatie sushi. Ten aanzien van het eerste tenlastegelegde feit is sprake van oud gedrag dat klaarblijkelijk op de loer ligt. Stress, alcohol, lange dagen werken en weinig binding met mensen zijn mogelijke onderliggende risicofactoren. Evident is dat verdachte voornamelijk als een eenling functioneert, geen intrapsychische conflicten ervaart, nauwelijks schuldgevoelens ervaart en conflicten met de buitenwereld het liefst uit de weg gaat om erger te voorkomen. Het beeld wat naar voren komt is een jongeman, die zich langzaam maar zeker heeft ontworsteld aan zijn verleden en getekend is door instabiliteit en negatief gedrag van antisociale, agressieve en destructieve aard. Hij tracht volledig op eigen kompas een zelfstandig en verantwoord leven op te bouwen. Verdachte is te beschouwen als een innerlijk desolate en gevoelsmatig moeilijk toegankelijke en onverstoorbare jongeman met weinig hechtingsmogelijkheden. In latente zin zijn nog altijd kenbaar de impulsiviteit, de vijandigheid en de antisociale trekken. De persoonlijkheid van verdachte mag dan de afgelopen jaren opnieuw gestuct zijn, onder deze stuclaag bevindt zich de ruwheid van het verleden.

Op basis van het onderzoek is bij verdachte geen psychische stoornis dan wel cognitieve stoornis vastgesteld, welke oorzakelijk verband houdt met het tenlastegelegde. Het strafbare feit is te beschouwen als antisociaal gedrag bij een volwassene, waartoe verdachte voldoende weet en inzicht heeft kunnen hebben in de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Wonen en werk zijn belangrijke levensfactoren en dragen bij tot vermindering van de kans op herhaling. Geadviseerd wordt om aan verdachte een voor zover mogelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd gekoppeld aan verplicht reclasseringstoezicht.

Tevens zijn er diverse reclasseringsrapporten over verdachte opgemaakt, laatstelijk op 30 maart 2017. Hieruit komt naar voren dat er sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel. Mocht verdachte schuldig worden bevonden aan de tenlastegelegde feiten dan baart dit de reclassering zorgen en roept dit de nodige twijfels op rondom zijn persoonlijkheidsontwikkeling. Geadviseerd wordt om aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. De bijzondere voorwaarden die de reclassering hierbij geïndiceerd acht zijn een meldplicht en een (ambulante) behandelverplichting.

Met de inhoud van deze rapporten houdt de rechtbank bij de straftoemeting rekening.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf zoekt de rechtbank aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en met de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Bij het bepalen van de strafmaat komt voor de rechtbank vooral betekenis toe aan de aard van de gepleegde feiten, bij het tweede tenlastegelegde feit de persoon van het slachtoffer, namelijk een 15-jarige jongen, de recidive op het gebied van dergelijke feiten en de proceshouding van de verdachte ten aanzien van het tweede tenlastegelegde feit, namelijk dat hij, ondanks het overtuigende belastende bewijs tegen hem, heeft volhard in zijn ontkenning. Dit vindt de rechtbank, ook gelet op de bevindingen van de psycholoog, verontrustend. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op de door de psycholoog genoemde risicofactoren, ziet de rechtbank aanleiding als bijzondere voorwaarde ook op te leggen de verplichting mee te werken aan een (ambulante) behandeling indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt ;

feit 2: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om het bezit van het gestolene te verzekeren ;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

- bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich op de dag na zijn invrijheidstelling zal melden bij Reclassering Nederland te 4337 EA Middelburg, Vrijlandstraat 33b en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht;

* zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dit inhoudt dat hij zich onder behandeling moet stellen bij forensisch psychiatrische polikliniek Forensische Zorg van Emergis of soortgelijke ambulante forensische zorg op tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mrs. J.F.I. Sinack en Y.E.Y. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Valk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2017.

1 De bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de terechtzitting van 23 juni 2017.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 4 september 2016, pagina’s 5 en 6 van het proces-verbaal van voorgeleiding met proces-verbaalnummer PL2000-2016230829 van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, districtsrecherche Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 89. Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met proces-verbaalnummer PL2000-2017004633 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, districtsrecherche Zeeland, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met pagina 44.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 7 januari 2017, pagina’s 5 en 6.

4 Het los bijgevoegde proces-verbaal van verhoor van verdachte van 14 februari 2017, blad 2, regels 45, 46 en 47.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [vader slachtoffer 2] van 7 januari 2017pagina’s 11, alinea 2 en 13.