Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:4037

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
31-07-2017
Zaaknummer
BRE - 15 _ 5749
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE 15/5749

Toeristenbelasting; artikel 2 van de Verordening toeristenbelasting.

Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag toeristenbelasting ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende is de holding van de werkmaatschappij. De werkmaatschappij exploiteert de recreatie-onderneming. Belanghebbende is niet degene die gelegenheid biedt tot verblijf. Er is geen sprake van een onjuiste tenaamstelling, maar een aanslag opgelegd aan een vennootschap die niet belastingplichtig is. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1836
Belastingblad 2017/343
Viditax (FutD), 02-08-2017
FutD 2017-1978
NTFR 2017/2263 met annotatie van Mr. E.G. Borghols
NLF 2017/1916 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/5749

uitspraak van 6 juli 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2014 een aanslag toeristenbelasting opgelegd (aanslagnummer: [###] ).

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 juli 2015, verzonden op 20 juli 2015, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 26 augustus 2015, ontvangen bij de rechtbank op 27 augustus 2015, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de heffingsambtenaar schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend.

1.7.

Alle ingediende stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017 door een enkelvoudige kamer te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en namens de heffingsambtenaar, [H.A.] . De zaken met zaaknummers BRE 15/5748 t/m 15/5757 zijn ter zitting gezamenlijk behandeld. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift bij brief van 20 maart 2017 aan partijen is verstuurd. Abusievelijk is in het proces-verbaal bij zaaknummer BRE 15/5749 niet de naam van belanghebbende, maar van [A BV] vermeld. Het proces-verbaal moet op dit punt verbeterd worden gelezen.

1.9.

De rechtbank heeft de zaken verwezen naar een meervoudige kamer. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Bij brieven van 21 april 2017 heeft de rechtbank de onderzoeken gesloten. Bij brieven van 31 mei 2017 zijn de termijnen om uitspraak te doen met zes weken verlengd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heette tot 24 oktober 2013 [A BV] Per die datum is de naam van belanghebbende in haar huidige naam (hierna ook: de Holding) gewijzigd en is door haar een nieuwe werkmaatschappij opgericht genaamd [A BV] (de oude naam van belanghebbende) (hierna: de werkmaatschappij). Hierbij heeft belanghebbende activa en passiva ingebracht in de werkmaatschappij. Vanaf 1 november 2013 wordt de recreatie-onderneming juridisch en economisch geëxploiteerd door de werkmaatschappij. Tot die datum werd de recreatie-onderneming door belanghebbende gedreven.

2.2.

De activiteiten van de recreatie-onderneming betreffen (onder meer) het exploiteren van een camping. De onderneming biedt (onder meer) vaste seizoen- en jaarplaatsen aan, die worden gebruikt voor zowel permanente als mobiele structuren.

2.3.

Voor een deel van de gebruikers van de permanente structuren (stacaravans/chalets) geldt dat de gebruiker in het onderhavige jaar meer dan 90 dagen voor zich of zijn gezin de desbetreffende permanente structuur ter beschikking houdt (hierna: de meer-dan-90-dagen-toerist).

2.4.

Op briefpapier met de koptekst ‘ [A BV] – [vestigingsplaats] ’ en met contactgegevens (zoals e-mailadres en internetpagina) van [A BV] is voor het onderhavige jaar aangifte toeristenbelasting gedaan. De brief is ondertekend door [X] , met daaronder de naam ‘ [A BV] ’. Het briefpapier vermeldt onderaan in de voettekst onder meer het kvk-nummer van belanghebbende (en niet dat van de werkmaatschappij). In de aangifte is voor de vaste seizoen- en jaarplaatsen geopteerd voor de forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing. Belanghebbende heeft daarbij ook toeristenbelasting aangegeven ter zake van het verblijf door de meer-dan-90-dagen-toeristen.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft de aanslag toeristenbelasting opgelegd conform de aangifte. De aanslag is opgelegd aan belanghebbende. De reden daarvoor is dat in de brief met de aangifte het kvk-nummer van belanghebbende is vermeld.

2.6.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.

3 Geschil

3.1.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

1) is de aanslag toeristenbelasting terecht aan belanghebbende opgelegd?

Zo ja

2) is de aanslag toeristenbelasting te hoog? Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende ook toeristenbelasting verschuldigd is ter zake van het verblijf door een meer-dan-90-dagen-toerist.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, primair, tot vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

Is de aanslag terecht aan belanghebbende opgelegd?
4.1. Belanghebbende stelt dat de aanslag ten onrechte aan haar is opgelegd. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanslag, die als tenaamstelling de naam van belanghebbende heeft, aan belanghebbende (en niet aan de werkmaatschappij) is opgelegd. Vast staat ook (als door belanghebbende gesteld en door de heffingsambtenaar niet weersproken) – zie 2.1 – dat de recreatie-onderneming in het onderhavige jaar 2014 niet door belanghebbende maar door de werkmaatschappij werd gedreven. Dit betekent dat niet belanghebbende maar de werkmaatschappij degene is die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2014. Niet belanghebbende maar de werkmaatschappij is derhalve belastingplichtig voor de toeristenbelasting als omschreven in artikel 3 van die verordening. Nu belanghebbende niet belastingplichtig is, is ten onrechte aan haar de aanslag opgelegd. Anders dan waarvan de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift lijkt uit te gaan gaat het hier niet om een aanslag opgelegd met een onjuiste tenaamstelling aan de juiste belastingplichtige, maar om een aanslag opgelegd aan een vennootschap die niet belastingplichtig is.

De omstandigheden dat de verwarring die is ontstaan bij de heffingsambtenaar door de vermelding van het kvk-nummer op het briefpapier waarbij aangifte werd gedaan, en belanghebbende deze kwestie niet in bezwaar maar pas in beroep heeft aangevoerd, maken vorenstaand oordeel niet anders. Ook de omstandigheid dat de voorlopige aanslag over het jaar 2014 wel aan de juiste vennootschap – de werkmaatschappij – is opgelegd, kan aan het oordeel van de rechtbank niet afdoen.

4.2.

Gelet op het voorgaande dient de aanslag te worden vernietigd.

Rente

4.3.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van rente over het te veel geheven bedrag aan toeristenbelasting. Dit verzoek is niet voor toewijzing vatbaar. De heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen geschieden ingevolge artikel 231 van de Gemeentewet met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990. Artikel 28a e.v. van de Invorderingswet 1990 bevat een regeling voor de vergoeding van invorderingsrente. Voor vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarmee de aanslag worden verminderd is daarnaast geen grond (vgl. ECLI:NL:HR:2005:AT2884). Het met ingang van 1 juli 2009 in artikel 4:102, lid 1, van de Awb bepaalde omtrent de vergoeding van de wettelijke rente is ingevolge artikel 4:103 van de Awb niet van toepassing indien bij formele wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen. Dit is voor de heffing van (gemeentelijke) belastingen het geval (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 52). De wetgever heeft namelijk in de AWR en de Invorderingswet 1990 een speciale regeling getroffen voor de berekening en de vergoeding van belastingrente en invorderingsrente. Hierin zijn ook formele regels opgenomen, waaronder de aan te wenden rechtsmiddelen tegen beschikkingen inzake belastingrente en invorderingsrente. Deze regeling gaat voor op de algemene regeling in de Awb. Er zijn hier geen beschikkingen inzake belastingrente of invorderingsrente genomen die ter toetsing voorliggen.

Belanghebbende kan gelet op het voorgaande in de onderhavige procedure niet met succes verzoeken om vergoeding van (wettelijke) rente ook niet in de vorm van een schadevergoeding. De door belanghebbende aangehaalde zaak Irimie maakt dat niet anders, nog daargelaten dat hier het unierecht niet aan de orde is.

Conclusie

4.4.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de proceskostenvergoeding indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld. Partijen hebben de proceskostenvergoeding voor de zaken met zaaknummers BRE 15/5748 t/m 15/5757 gezamenlijk vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten: 2 punten voor de bezwaarfase, 2,5 punten voor de beroepsfase, en voor beide fases wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang. Uitgaande van € 246 per punt voor de bezwaarfase en € 495 per punt voor de beroepsfase komt daarmee de proceskostenvergoeding uit op € 2.594,25. Aangezien sprake is van in totaal tien zaken kent de rechtbank in de onderhavige zaak 1/10 van de proceskostenvergoeding toe.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag toeristenbelasting 2014;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 259,43;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van rente af;

- gelast dat heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 6 juli 2017 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. T. van Rij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Knezevic, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.