Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3928

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
BRE - 16 _ 3345
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:162, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BRE 16/3345

Naheffing accijns, artikel 2 en 51 Wet op de Accijns, betrokken zijn bij het voorhanden hebben.

Belanghebbende kan worden aangemerkt als betrokkene (handlanger) bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed nu hij behulpzaam is geweest bij de financiële afwikkeling van de handel in minerale oliën. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-07-2017
FutD 2017-1967
DouaneUpdate 2017-0408
NTFR 2017/2151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 16/3345

uitspraak van 30 juni 2017

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft op 2 december 2015 aan belanghebbende over het tijdvak 7 januari 2010 tot en met 5 april 2013 een naheffingsaanslag accijns minerale oliën en voorraadheffing opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de naheffingsaanslag; [aanslagnummer] ).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2016 de naheffingsaanslag verminderd.

1.3.

Belanghebbende heeft bij fax van 20 mei 2016, ontvangen bij de rechtbank Noord-Holland op die zelfde dag, beroep ingesteld. De rechtbank Noord-Holland heeft het beroepschrift ter verdere behandeling doorgezonden naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 168.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017 te Breda. Voor een overzicht van de aldaar verschenen personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Gelijktijdig met het onderhavige beroep is ook het beroep met zaaknummer BRE 16/5021 behandeld.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Sinds 5 april 2007 staat belanghebbende in het Handelsregister ingeschreven als directeur, bestuurder en enig aandeelhouder van [A BV] . In de periode van 10 januari 2008 tot en met 16 december 2009 exploiteerde belanghebbende volgens het Handelsregister tevens een eenmanszaak onder de naam [de eenmanszaak] .

2.2.

Op 17 augustus 2012 is een strafrechtelijk onderzoek (‘Varley’) gestart naar, onder andere, (de ondernemingen van) belanghebbende. Op 8 oktober 2014 is het proces-verbaal van dit onderzoek door de Officier van Justitie vrijgegeven aan de inspecteur. Uit dit proces-verbaal blijkt dat er grootschalige fraude heeft plaatsgevonden met minerale oliën. Die fraude bestond uit het verzamelen van minerale oliën bij schippers, die deze oliën accijnsvrij onder zich hadden, en die oliën vervolgens te verkopen zonder dat ter zake van die minerale oliën accijns is betaald. Op naam van zowel [A BV] als [de eenmanszaak] zijn (verkoop)facturen opgesteld voor deze minerale oliën. Deze facturen zijn door de afnemers van de minerale oliën voldaan op bankrekeningen die op naam stonden van de ondernemingen van (onder meer) belanghebbende. Belanghebbende heeft de ontvangen bedragen vervolgens contant opgenomen en het geld afgegeven aan de heer [X] . Belanghebbende heeft een vergoeding per factuur ontvangen. Verder heeft belanghebbende in 2013, ten name van [B BV] , een drietal (verkoop)facturen opgesteld.

2.3.

De inspecteur heeft belanghebbende op 10 oktober 2014 een vragenbrief gestuurd. Deze brief is door de inspecteur ongeopend retour ontvangen op 5 november 2014. Op 7 januari 2015 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals een vragenbrief gestuurd. De reactie hierop heeft de inspecteur op 21 januari 2015 ontvangen.

2.4.

Bij brief van 3 juni 2015 heeft de inspecteur belanghebbende op de hoogte gesteld van zijn voornemen een naheffingsaanslag op te leggen ter zake van de minerale oliën. Bij brief van 20 november 2015 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag met boete en belastingrente meegedeeld. Met dagtekening 2 december 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is als volgt opgebouwd:

Accijns minerale oliën

€ 333.596,00

Voorraadheffing

€ 5.330,38

Belastingrente

€ 50.063,00

Totaal te betalen

€ 388.989,38

2.5.

Belanghebbende heeft op 29 december 2015 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De inspecteur heeft bij zijn uitspraak op 12 april 2016 het bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de periode van 7 januari 2010 tot en met 31 maart 2010. De naheffingsaanslag is verminderd met € 202.396,65 aan accijns en € 3.700,70 aan voorraadheffing.

2.6.

Op 24 mei 2016 is belanghebbende naar aanleiding van de uitkomsten uit het Varley-onderzoek (zie onder 2.2.) strafrechtelijk veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrifte. In het vonnis heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen vastgesteld dat belanghebbende contant betaalde (valse) facturen van [C BV] heeft ondertekend. Uit de bij het strafvonnis gevoegde bewijsmiddelen volgt dat belanghebbende ter zake van het ondertekenen van facturen zelf als volgt heeft verklaard: “Ik heb een paar keer een factuur getekend.” (zie bewijsmiddelen onder 1) en “Ik hoefde de facturen van [A BV] alleen te tekenen. Ik tekende dan voor betaald per kas.” (zie bewijsmiddelen onder 9).

3 Geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht is aangemerkt als belastingplichtige voor de naheffingsaanslag. Meer specifiek spitst het geschil zich toe op het antwoord op de vraag of belanghebbendes handelen moet worden aangemerkt als het ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed’ zoals bedoeld in artikel 51, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de accijns, zoals die bepaling luidt met ingang van 1 april 2010. Belanghebbende stelt dat hij ten onrechte als belastingplichtige is aangemerkt. De inspecteur is een tegengestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Raad van de Europese Unie heeft op 16 december 2008 Richtlijn 2008/118/EG, houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG uitgevaardigd (hierna: de Richtlijn).

4.2.

De wetgever heeft naar aanleiding van de Richtlijn de Wet op de accijns dienovereenkomstig aangepast. De memorie van toelichting inzake de wijziging van de Wet op de accijns vermeldt, voor zover hier van belang:

“Overeenkomstig artikel 7, tweede lid, onderdeel b, Accijnsrichtlijn 2008 wordt in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet, het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven, aangemerkt als uitslag tot verbruik. De huidige Richtlijn 92/12/EEG kent deze bepaling niet. Zij is in de Accijnsrichtlijn 2008 opgenomen naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie EG in de zaak Van de Water (HvJ EG 5 april 2001, zaak C 325/99 (G. van de Water tegen Staatssecretaris van Financiën), Jur. 2001, blz. I 2729 (BNB 2001/204)).

Op grond van deze nieuwe bepaling kan accijns worden geheven van een persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft buiten een accijnsschorsingsregeling, terwijl over die goederen geen accijns is geheven. Deze mogelijkheid tot heffen is van belang in situaties, waarin accijnsgoederen worden aangetroffen waarvoor geen accijns is voldaan, maar waarvan niet kan worden vastgesteld waar deze goederen zijn vervaardigd of wat de herkomst van deze goederen is. Het enkele voorhanden hebben van deze accijnsgoederen wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 dus aangemerkt als een zelfstandig belastbaar feit. Het huidige artikel 2f van de wet voorziet voor deze situatie in een belastbaar feit. De toepassing van deze bepaling in de praktijk is zeer sterk ingeperkt door de jurisprudentie van de Hoge Raad, (zie B.A. van Brummelen: Van vangnet tot schepnetje, Weekblad voor Fiscaal Recht 2005/1092).
De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste). Dit vereiste wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 alleen gesteld in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, onder ii).

(…)

Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de accijns dus ook worden geheven van bij voorbeeld de handlangers van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude.”

(Tweede Kamer, vergaderjaar 2008-2009, nr. 32 031, nr. 3, p. 8 en 23)

4.3.1.

Artikel 2, eerste lid, van de Wet op de accijns, zoals dat luidde in de onderhavige periode, bepaalt voor zover hier van belang:

“In deze wet en in de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder uitslag tot verbruik:

a. het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken, daaronder begrepen het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen;

b. het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving;”

4.3.2.

Artikel 51, eerste lid aanhef en onderdeel b, van de Wet op de accijns, zoals dat luidde in de onderhavige periode, bepaalt, voor zover hier van belang:

“De accijns wordt geheven van:

a. (….)

b. bij toepassing van artikel 2, eerste lid, onderdeel b: de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is;”

4.4.

De inspecteur, op wie de bewijslast rust, heeft gewezen op het vonnis van de meervoudige strafkamer, zoals vermeld onder 2.6. Uit dit vonnis blijkt volgens de inspecteur dat belanghebbende behoort tot de kring van handlangers van het brein achter de fraude. Met name wijst de inspecteur op hetgeen de rechtbank heeft opgemerkt in rechtsoverweging 4.2.3, aanhef en vierde tot en met achtste gedachtestreepje, namelijk:

“De rechtbank stelt op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen in dit verband het volgende vast:

(…)

- Laatstgenoemde bedrijven staan in het handelsregister geregistreerd op naam van de verdachte, of op naam van een persoon die (na bemiddeling van de verdachte) door één van zijn medeverdachten daartoe is benaderd, maar die zelf geen bemoeienis heeft gehad met het bedrijf.

- Deze bedrijven zijn klaarblijkelijk opgericht opdat de medeverdachten zich konden voordoen als bonafide verkopers, verbonden aan bedrijven die niet direct herleidbaar zijn tot hen.

- De facturen werden veelal per bank betaald. De verdachte, die op de hoogte was van de hiervoor beschreven gang van zaken, was degene die het geld contant opnam en dat vervolgens gaf aan één van de medeverdachten.

- De verdachte heeft, in opdracht van één van de medeverdachten, zelf (valse) facturen opgemaakt uit naam van [B BV] .

- De verdachte heeft contant betaalde (valse) facturen van [C BV] ondertekend.”

De inspecteur stelt dat belanghebbende kwalificeert voor het begrip ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben’ zoals bedoeld in artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns. In verbinding met artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns is accijnsheffing van deze persoon toegestaan, aldus de inspecteur.

4.5.

Belanghebbende voert aan dat zijn betrokkenheid bij de fraude enkel heeft bestaan uit het opnemen van geld, het afgeven daarvan en het in 2013 opstellen van een drietal (verkoop)facturen. Hij heeft geen administratie opgemaakt en kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor anderen die valse facturen opstellen. Hij heeft nimmer een druppel olie gezien, heeft dit nimmer voorhanden gehad en wist niet wanneer of waar olie werd verkregen of werd geleverd. Er is geen enkele betrokkenheid bij het voorhanden hebben van deze goederen, aldus belanghebbende.

4.6.1.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van minerale oliën in de zin van artikel 51, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de accijns. De rechtbank neemt daarbij het volgende in overweging. Betrokken zijn betekent volgens het Groot woordenboek van de Nederlandse taal “in iets gemoeid” zijn. De rechtbank leidt uit de wetsgeschiedenis af dat het de bedoeling van de wetgever is, naast degene die over het accijnsgoed kan beschikken tevens degene als belastingplichtige aan te wijzen, die wel gemoeid is in het beschikken over het accijnsgoed maar niet daarover de beschikkingsmacht heeft. De rechtbank is van oordeel dat hiermee ook degene die enkel behulpzaam is bij het voorhanden hebben van het accijnsgoed of bij de financiële afwikkeling van de handel in dat accijnsgoed, kan worden aangemerkt als “betrokkene” bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed. Belanghebbendes stelling dat het betrokken zijn enkel kan zien op het behulpzaam zijn bij het daadwerkelijke voorhanden hebben van het accijnsgoed, is derhalve naar het oordeel van de rechtbank een te beperkte uitleg.

4.6.2.

Uit de hiervoor onder 4.2 geciteerde wetsgeschiedenis volgt dat het de bedoeling van de wetgever is om ook accijns te heffen van handlangers van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht de vastgestelde feiten en verklaringen voldoende om te concluderen dat belanghebbende een handlanger is geweest van degene die de accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft gehad. Volgens het Groot woordenboek van de Nederlandse taal is een handlanger iemand die helpt met kwade praktijken, een medeplichtige. Uit eigen verklaringen van belanghebbende blijkt dat hij is gevraagd door [X] om een onderneming op zijn naam te zetten en dat hij wist dat er olie verkocht zou worden. Belanghebbende heeft toegegeven een drietal facturen te hebben opgesteld in verband met de verkoop van de minerale oliën en ter zake van de betaalde leveringen van olie de per bank ontvangen bedragen te hebben opgenomen en vervolgens afgegeven aan degene die de olie had geleverd. Belanghebbende zou, volgens zijn eigen verklaring, een vergoeding ontvangen van gemiddeld € 500 per factuur. Verder acht de rechtbank op grond van de verklaringen in het dossier aannemelijk dat belanghebbende in verband met de voldoening van de gefactureerde bedragen ook facturen heeft ondertekend. Tot slot volgt uit de eigen verklaring dat belanghebbende wist hoe hij de facturen diende op te stellen en welke bedragen hij moest hanteren. De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en verklaringen volgt dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de activiteiten die door belanghebbende zijn verricht en het voorhanden hebben van de minerale oliën. Belanghebbende is behulpzaam geweest bij met name de financiële afwikkeling van de handel in het accijnsgoed en wordt daarom aangemerkt als betrokkene bij het voorhanden hebben van een accijnsgoed. De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.

4.7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2017 door mr. drs. M.H. van Schaik, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.