Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3913

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
AWB 16_8757
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring omtrent het gedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 16/8757 VOG

uitspraak van 29 juni 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. N.W.T. Bijlsma,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

1.1. Bij besluit van 17 mei 2016 heeft de staatssecretaris geweigerd eiser een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) af te geven voor de functie van [naam functie] bij [naam opleiding] te [locatie] .

1.2. Bij besluit van 29 september 2016 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

1.3. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het beroep is behandeld op een zitting van de rechtbank van 21 juni 2017. Eiser is hierbij verschenen, bijgestaan door mr. S.J. Jansen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schonenberg-Zwanenburg.

2 De feiten

2.1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2.

Bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 4 februari 2010 is eiser wegens poging tot afpersing, poging tot bedreiging en het bezit van kinderpornografische afbeeldingen veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren en een gevangenisstraf van 247 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Bovendien is de bijzondere voorwaarde gesteld dat eiser zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering Nederland. Ook als dat inhoudt dat hij zich onder behandeling dient te stellen. In het vonnis is overwogen dat eiser volledig toerekeningsvatbaar is voor het bezit van kinderporno. Voor de andere feiten wordt hij licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht. In het vonnis is voorts het volgende overwogen:

“Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het verzamelen van kinderpornografische afbeeldingen. Deze bestanden heeft hij opgeslagen op de harde schijf van zijn computers. Kinderporno is uiterst verwerpelijk met name omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte moet mede verantwoordelijk worden gehouden, zij het indirect, voor genoemd seksueel misbruik van kinderen, omdat hij, door kinderporno te verzamelen, heeft bijgedragen aan de instandhouding van de vraag ernaar en daarmee de zeer grove schending van de belangen van deze minderjarigen. De betrokken jeugdigen en kinderen worden vaak nog lang met die schadelijke handelingen achtervolgd omdat het pornografische materiaal van hen nog lang op het internet circuleert. Kinderen dienen te worden beschermd tegen dit ernstige misbruik, door niet alleen degenen te vervolgen die kinderporno vervaardigen, maar zeker ook degenen die kinderporno verzamelen.

Voor de strafmaat zijn de geringe hoeveelheid plaatjes die verdachte in bezit had, en de leeftijd van de minderjarigen op de plaatjes van belang.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, zoals hierboven omschreven, en met het feit dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet in contact is gekomen met politie en justitie. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met het feit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht voor de feiten 1 en 2.

Uit de onder 5 genoemde rapporten van de deskundigen komt onder andere naar voren dat de deskundigen de kans op recidive niet uitsluiten. Om de kans op recidive te verminderen adviseren zij aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen (…)

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde een werkstraf van 120 uur een passende sanctie is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis, teneinde verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen en een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk te maken.”

2.3.

Volgens een rapport van de reclassering van 23 april 2013 heeft eiser zich gehouden aan de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarde. In dit rapport staat onder andere het volgende:

“De behandelaar schat de kans op recidive klein in zolang betrokkene het huidige levensritme vasthoudt. (…) De huidige structuur in het leven van betrokkene is een van de factoren die de kans op recidive doen verkleinen. Desondanks blijft er in geval van een ‘zware krenking’ een kans op terugval in delict gedrag bestaan.”

2.4.

Eiser is eind augustus 2015 gestart als [naam functie] bij de [naam opleiding] te [locatie] (hierna: de instelling).

2.5.

Op 14 maart 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG voor de functie van [naam functie] bij de instelling. Het aanvraagformulier is (zoals voorgeschreven) zowel door eiser als de instelling ingevuld. Hierbij heeft de instelling bij de rubriek ‘algemeen screeningsprofiel’ onder andere de volgende functieaspecten geselecteerd: ‘belast zijn met de zorg voor minderjarigen’ en ‘belast zijn met de zorg voor (hulpbehoevende) personen, zoals ouderen en gehandicapten’. De instelling heeft bovendien de volgende taakomschrijving vermeld:

“Betrokkene bekleedt in een kerkelijke omgeving een pastorale functie en begeleidt daarin (jong)volwassenen en kinderen die in een pastorale afhankelijkheidsrelatie tot hem staan en wier fysieke en geestelijke integriteit hij onvoorwaardelijk dient te respecteren.”

Bij bijzonderheden is ingevuld:

“Betrokkene zal op een integere wijze moeten kunnen omgaan met de vertrouwenspositie die hij krijgt ten opzichte van kwetsbare personen die in een afhankelijkheidsrelatie tot hem staan/of met het gezag dat hem op basis van zijn positie binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland zal worden toegekend.”

2.6.

Volgens een rapport van 15 december 2016 van [naam therapeut] , forensisch psycholoog-psychotherapeut, bestaat geen bezwaar tegen afgifte van een VOG aan eiser. Op basis van een in een Amerikaans tijdschrift in 2011 gepubliceerd onderzoek1 is vastgesteld dat 3,4% van de onderzochte veroordeelden binnen zes jaar weer kinderporno ging downloaden. Slechts 2% pleegde een hand-on delict zoals kindermisbruik. Een relatie met andere vormen van misbruik, zoals met volwassenen, is in het geheel niet gevonden. [naam therapeut] heeft bij het schrijven van zijn rapportage gebruik gemaakt van mondelinge informatie van eiser, het vonnis van de rechtbank Middelburg van 2 februari 2010 en informatie van de behandelend psychotherapeut. De kans dat eiser opnieuw kinderporno zal downloaden of kinderen zal misbruiken wordt als klein ingeschat.

3 De beroepsgronden

3.1.

Eiser voert een aantal beroepsgronden aan die de rechtbank hierna, bij de beoordeling, apart zal noemen en behandelen. Samengevat komen de beroepsgronden erop neer, dat de beslissing op bezwaar van 29 september 2016 in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. De staatssecretaris heeft ten onrechte een risico onder het objectieve criterium van artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens aangenomen. Als de rechtbank eiser daarin niet volgt, geldt dat de staatssecretaris de VOG met toepassing van het subjectieve criterium had moeten afgeven. Eisers omstandigheden zijn zodanig, dat het afwijzen van de aanvraag evident disproportioneel is.

3.2.

Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, de beslissing op bezwaar van 29 september 2016 te vernietigen en te beslissen dat aan eiser een VOG moet worden afgegeven. Ook verzoekt eiser de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

4 Het verweer

4.1.

De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift een reactie gegeven op de beroepsgronden van eiser. Voor zover nodig zal hierop bij de bespreking van de beroepsgronden worden ingegaan.

4.2.

De staatssecretaris is van mening dat de beslissing op bezwaar correct en zorgvuldig tot stand is gekomen. De staatssecretaris verzoekt het beroep van eiser ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de kosten af te wijzen.

5 De van belang zijnde regels

De wettelijke regels en de beleidsregels die voor deze zaak van belang zijn, worden opgesomd in een bijlage bij deze uitspraak.

6 De beoordeling

Het objectieve criterium

6.1.

Volgens paragraaf 3.2 van de Beleidsregels wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd, als aan het objectieve criterium wordt voldaan.

6.2.

Eiser stelt dat aan het objectieve criterium niet is voldaan. Hij is veroordeeld voor een ‘hands-off’ zedendelict, omdat geen sprake is geweest van daadwerkelijk seksueel misbruik. Bovendien zal hij bij het volgen van de opleiding niet zelfstandig met minderjarigen in aanraking komen. Als hij in de laatste twee jaar stage moet lopen, zal hij altijd onder toezicht van een begeleider staan. Er bestaat daarom onvoldoende grond voor het oordeel dat herhaling van het strafbare feit aan de uitoefening van zijn functie in de weg zou staan. Eiser doet hierbij een beroep op een uitspraak van 9 maart 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)2. Volgens eiser heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld dat tussen het bezit van kinderpornografie en zedendelicten tegen volwassenen geen verband bestaat. In zijn situatie geldt volgens eiser hetzelfde.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag terecht is uitgegaan van het door de instelling geselecteerde algemene screeningsprofiel, risicogebied ‘personen’ en het door de instelling ingevulde functieaspect ‘belast zijn met de zorg voor minderjarigen’. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de keuze van de instelling evident onjuist is geweest. In de taakomschrijving staat niet, dat eiser als [naam functie] alleen maar in het bijzijn van een begeleider contact heeft met minderjarigen. Dat is ook niet aannemelijk omdat, volgens dezelfde taakomschrijving, minderjarigen tot eiser in een afhankelijkheidsrelatie kunnen komen te staan. Een afhankelijkheidsrelatie doet zich voor in één-op-éénrelaties. De staatssecretaris heeft daarom terecht overwogen dat eisers situatie anders is dan die aan de orde was in de door hem genoemde uitspraak van de Afdeling. De aanvrager in die zaak zou alleen werken met meerderjarigen en dat is bij eiser niet het geval.

6.4.

De staatssecretaris heeft terecht overwogen dat het door eiser gepleegde zedendelict, als het fictief zou worden herhaald in de functie van [naam functie] , een risico vormt voor het welzijn en de veiligheid van de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarigen en een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van die functie. Een zedendelict is in strijd met de integriteit en de beroepshouding die van een [naam functie] worden verwacht. Dit volgt ook uit de door de instelling gegeven taakomschrijving, want eiser moet onvoorwaardelijk de fysieke en geestelijke integriteit respecteren van de mensen die hij begeleidt. Daarbij maakt het niet uit dat het bij eiser gaat om een hands-off delict. Zoals al door de strafrechter in het vonnis van 4 februari 2010 is overwogen, heeft ook het door eiser gepleegde delict als kenmerk dat minderjarigen indirect worden misbruikt en uitgebuit. Zowel de aard van het zedendelict als het aanwezig kunnen zijn van afhankelijkheidsrelaties verzetten zich tegen de behoorlijke uitoefening van de functie van [naam functie] .

6.5.

De staatssecretaris heeft daarom terecht geconcludeerd dat is voldaan aan het objectieve criterium.

Het subjectieve criterium

6.6.

In het beroepschrift heeft eiser gesteld dat de staatssecretaris ten onrechte het verscherpte toetsingskader heeft toegepast. Ter zitting heeft eiser erkend dat de staatssecretaris op zichzelf terecht paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregels – het verscherpte beleid – heeft toegepast. Daarmee is deze beroepsgrond niet langer gehandhaafd en hoeft deze ook niet te worden beoordeeld.

6.7.

Gevolg van het van toepassing zijn van het verscherpte beleid is, dat de VOG als uitgangspunt wordt geweigerd. De VOG kan alleen worden afgegeven als de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of dat zo is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Eiser stelt dat de weigering van de VOG evident disproportioneel is en doet een beroep op een reeks omstandigheden die hierna worden beoordeeld, namelijk:

a. de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd en de strafmotivering;

b. de afwezigheid van recidivegevaar;

c. de persoonlijke belangen van eiser.

De omstandigheden waaronder het delict is gepleegd en de strafmotivering

6.8.

Eiser stelt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft overwogen dat uit de hoogte van de opgelegde werkstraf en de (voorwaardelijke) gevangenisstraf volgt dat deze vergrijpen hem door de rechter niet licht zijn aangerekend. Volgens eiser is de werkstraf opgelegd voor drie feiten en kan niet worden volgehouden dat aan eiser een zware straf is opgelegd. Eiser kampte ten tijde van het plegen van de feiten met de gevolgen van een angststoornis waarvoor hij Nardil gebruikte. Het gebruik hiervan is van grote invloed geweest op zijn handelen destijds. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hem eveneens reclasseringstoezicht is opgelegd. De voorwaardelijke detentiestraf is alleen gericht op het mogelijk maken van verplichte begeleiding door de reclassering en houdt geen verband met de ernst van het feit. Het bezit van de kinderpornografische afbeeldingen is hem door de strafrechter destijds licht aangerekend.

6.9.

De rechtbank is het volgende van oordeel. Eiser stelt ten onrechte dat de staatssecretaris heeft overwogen dat hem een zware straf is opgelegd. Dat is in het besluit op bezwaar niet te lezen. Er is wel sprake van één straf voor drie feiten. Hoe dit moet worden beoordeeld volgt uit een uitspraak van 3 februari 2016 van de Afdeling3. Namelijk, of uit de overwegingen van het strafvonnis volgt dat de rechtbank het zedendelict in verhouding tot de andere gepleegde strafbare feiten heeft gerelativeerd. Daarvan is geen sprake, zoals volgt uit de in randnummer 2.2 geciteerde motivering van de strafrechter. Daaruit blijkt juist, dat de strafrechter heeft geoordeeld dat het bezit van kinderporno geen licht vergrijp betreft. Bovendien heeft de strafrechter overwogen dat eiser juist ten aanzien van het zedendelict door de deskundigen volledig toerekeningsvatbaar is geacht. De stelling dat eiser ook het zedendelict onder invloed van een medicijn heeft gepleegd is door de deskundigen niet bevestigd. Ook nu heeft eiser geen rapportage van een deskundige in het geding gebracht waaruit volgt – op basis van gewijzigde wetenschappelijke inzichten – dat dit verband toch aanwezig moet zijn geweest. Wat betreft de opgelegde gevangenisstraf gaat eiser eraan voorbij, dat de deskundigen toentertijd de kans op recidive niet uitsloten en dat deze straf hem ook is opgelegd om de kans op recidive te verminderen. De conclusie is dat de door eiser genoemde omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, alsmede de strafmotivering niet in zijn voordeel kunnen worden uitgelegd.

De afwezigheid van recidivegevaar

6.10.

Eiser stelt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft overwogen dat sinds het reclasseringsrapport onvoldoende tijd is verstreken om aan te kunnen nemen dat een herhaling niet meer zal voorkomen. De deskundigen die eiser destijds hebben begeleid hebben het recidiverisico als zeer gering ingeschat en er is voldoende tijd verstreken waaruit blijkt dat dit inderdaad zo is. Uit het in randnummer 2.6 genoemde rapport van [naam therapeut] volgt dat ook nu het recidiverisico laag is. Eiser wijst erop dat de staatssecretaris op 28 september 2015 aan de Tweede Kamer heeft geschreven informatie van de reclassering bij de beoordeling van de aanvraag om een VOG te betrekken, zodat meer maatwerk kan worden geleverd. Eiser wijst er nogmaals op dat hij destijds onder invloed van zware medicatie was.

6.11.

De rechtbank stelt vast, dat ten tijde van het strafvonnis deskundigen hebben vastgesteld dat de kans op recidive niet kan worden uitgesloten en dat mede om die reden een (deels) voorwaardelijke straf is opgelegd. De behandelaar heeft op 20 december 2012 in een verslag geschreven dat de kans op recidive zeer klein is, als eiser maar zijn op dat moment bestaand levensritme vasthoudt. Hij leidt op dat moment een leven, waarbij de kwetsbaarheden nauwelijks getriggerd worden. Een verslag van de behandelaar op 12 april 2013 heeft een vergelijkbare inhoud. De reclassering schrijft in het rapport van 23 april 2013 dat in geval van een ‘zware krenking’ een kans op terugval in delict gedrag bestaat. De rechtbank is van oordeel dat eisers situatie daarom niet gelijk te stellen is aan de situatie dat een recidive nu eenmaal nooit kan worden uitgesloten. Er zijn bijkomende omstandigheden waardoor met een recidiverisico, ook al is het wellicht gering, rekening gehouden moet worden met het oog op een risico voor de samenleving. Hiervoor is al geoordeeld dat niet door deskundigen is bevestigd dat eiser het zedendelict onder invloed van medicatie heeft gepleegd. Op grond van deze omstandigheden en het feit dat van de in paragraaf 3.3.2 van de Beleidsregel genoemde termijn van 20 jaar nog maar 7 jaren zijn verstreken, heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sinds het rapport van de reclassering onvoldoende tijd is verstreken om aan te nemen dat geen risico meer bestaat voor de samenleving.

6.12.

Het (niet ondertekende) rapport van [naam therapeut] maakt dit niet anders. In de eerste plaats is niet duidelijk welke vragen aan [naam therapeut] ter beantwoording zijn voorgelegd. Ook is niet duidelijk welke onderzoeksmethode [naam therapeut] heeft gevolgd en van welke informatie over eiser hij precies kennis heeft genomen. [naam therapeut] schrijft dat op basis van een onderzoek in Amerika in 2011 er een groep internet-daders is die een zeer laag risico heeft in de toekomst tot misbruik te zullen overgaan. Welke kenmerken die groep heeft is niet duidelijk. [naam therapeut] is blijkbaar van mening dat eiser bij die groep kan worden ingedeeld, maar hoe [naam therapeut] dat heeft vastgesteld is niet duidelijk. In het rapport van [naam therapeut] wordt ook niet ingegaan op de in randnummer 6.11 genoemde bevindingen van deskundigen. Het rapport legt dan ook onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.

De persoonlijke belangen van eiser

6.13.

Eiser stelt dat het belang van de samenleving tegen een eventueel te beschermen risico niet opweegt tegen de persoonlijke belangen van eiser. Eiser is 40 jaar oud, heeft een spierziekte en draagt de verantwoordelijkheden die passen bij een zelfstandig, volwassen leven. Zonder VOG kan hij de al gestarte opleiding niet afmaken. Hij verliest de mogelijkheid datgene te doen wat zijn grote passie vormt. Vanwege zijn leeftijd zal het lastig worden een andere baan te vinden. Hij vreest voor een langere periode waarin hij afhankelijk zal blijven van een uitkering. De staatssecretaris heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd waarom de weigering van de VOG vanwege alle persoonlijke omstandigheden van eiser niet evident disproportioneel is.

6.14.

De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris in het besluit op bezwaar terdege rekening heeft gehouden met de door eiser genoemde persoonlijke belangen. Maar de staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van kwetsbare personen in de maatschappij onder de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van eiser bij toewijzing van de VOG.

Conclusie

6.15.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is.

6.16.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

7 Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M. Zandbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage regelgeving

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 29

De beslissing omtrent de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag geldt als een beschikking in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Artikel 36

1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens.

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant van 1 maart 2013, nummer 5409)

Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag

Wanneer de aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Paragraaf 3.1 Terugkijktermijnen

Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager wordt een terugkijktermijn in acht genomen.

Paragraaf 3.1.1 Periode terugkijktermijn

In de navolgende gevallen wordt de terugkijktermijn niet in duur beperkt:

Indien het justitiële gegevens betreft over misdrijven tegen de zeden zoals opgenomen in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 250a tot en met 250ter (oud) en/of artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht. In het navolgende zal in dit verband worden gesproken over zedendelicten zoals bedoeld in deze beleidsregels.

Paragraaf 3.2 Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Paragraaf 3.2.2 Indien herhaald

Het COVOG toetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar.

Paragraaf 3.2.3. Risico voor de samenleving

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Paragraaf 3.2.4. Belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid

De relatie tussen het justitiële gegeven en de functie/taak/bezigheid die de aanvrager gaat vervullen bepaalt of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid kan voorts bestaan op grond van:

– de aard van het delict en/of

– de locatie waar de werkzaamheden worden verricht.

Bij zedendelicten als bedoeld in deze beleidsregels wordt – naast het bovenstaande – óók beoordeeld of bij de uitoefening van de betreffende functie/taak/bezigheid sprake is van een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Indien daarvan sprake is, wordt altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid. Indien er sprake is van een zedendelict en de betreffende functie/taak/bezigheid wordt uitgevoerd op een locatie waar zich kwetsbare personen bevinden, wordt eveneens altijd uitgegaan van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.3. Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Voor de toepassing van het subjectieve criterium wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds aanvragen waarop het reguliere beoordelingskader van toepassing is (zie paragraaf 3.3.1) en anderzijds aanvragen waarop het verscherpte toetsingskader van paragraaf 3.3.2 van toepassing is (zie paragraaf 3.3.2).

Paragraaf 3.3.2. Subjectief criterium – misdrijven tegen de zeden in combinatie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of specifieke locatie

Bij misdrijven tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels bestaat slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie of wanneer op grond van de locatie een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen. In de hieronder genoemde gevallen geldt een verscherpt toetsingskader waarin als uitgangspunt wordt genomen dat de VOG wordt geweigerd:

2. De aanvrager is in de twintig jaren voorafgaand aan het moment van beoordeling ter zake van een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in deze beleidsregels éénmaal veroordeeld tot:

– een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf, (…) en/of

– een (on)voorwaardelijke taakstraf.

De VOG kan enkel worden afgegeven indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

1 [naam therapeut] vermeldt de volgende referentie: Michael C. Seto, Karl Hanson, Kelly M. Babchishin. Contact Sexual Offending by Men With Online Sexual Offenses. Sexual Abuse, March 2011; vol. 23, 1: pp. 124-145

2 ECLI:NL:RVS:2016:620

3 ECLI:NL:RVS:2016:212