Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2017:3871

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
02-820708-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ondermijningzaak. Grootscheepse drugshandel gedurende periode van 3 jaren en witwassen van ongeveer 100.000 euro. Voor hoofdverdachte 42 maanden gevangenisstraf voor dealen drugs en witwassen. Voor de medeverdachte enkel veroordeling voor witwassen: taakstraf 240 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/820708-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 juni 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1984, te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

raadsman mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 juni 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Lanslots, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

zij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 12 juli 2016, te Tilburg althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig

heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), van meerdere grote (contante) geldbedragen, waaronder een (contant) geldbedrag van 133.570 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze (contante) geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig misdrijf;

art 420quater Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 12 juli 2016 te Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer medeverdachte(n) op verschillende tijdstippen, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 12 juli 2016 te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot/bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, op verschillende tijdstippen, althans op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 12 juli 2016 te Tilburg, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door - op zoek te gaan naar een ruimte waar cocaïne, althans (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet, kan worden bewerkt en/of verwerkt en/of opgeslagen, en/of

- een sleutel(bos) voor de woning aan de [adres 1] te Tilburg van voornoemde [medeverdachte 2] in ontvangst te nemen en/of deze sleutelbos vervolgens aan voornoemde [medeverdachte 1] te overhandigen, en/of

- aanwezig te zijn bij verkoop van cocaïne en/of vervolgens het geld en/of opbrengst(en) van de verkoop van deze cocaïne in ontvangst te nemen en/of in bewaring te nemen;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

3 De voorvragen

Door de verdediging is ten aanzien van feit 1 betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. De verdediging heeft betoogd dat in de tenlastelegging de feitelijke omschrijving van de elementen waaruit het (medeplegen van) witwassen zou bestaan ontbreekt, zodat het niet duidelijk is waartegen verdachte zich moet verdedigen. Het feit is daarmee onvoldoende feitelijk omschreven en daarom voldoet de tenlastelegging niet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dient nietigheid van de dagvaarding te volgen.

De rechtbank overweegt als volgt. Enkel een tenlastelegging die in de beschrijving van het gebeuren te weinig specifiek is, fysiek onleesbaar is, onduidelijk, innerlijk tegenstrijdig is of onbegrijpelijk is, kan niet dienen als grondslag voor een terechtzitting en leidt daarom tot nietigheid van de dagvaarding. Voor tenlastelegging van een bepaald feit is vereist dat het om een bepaalde geconcretiseerde gedraging gaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven. In de tenlastelegging is één geldbedrag opgenomen, dat in het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen met nummer 162 nader is uitgewerkt in verscheidene kleinere geldbedragen, die tezamen weer het in de tenlastelegging genoemde totale geldbedrag vormen. Indien de tenlastelegging in combinatie met dit proces-verbaal wordt gelezen, weet verdachte waaruit de tegen haar bestaande verdenking bestaat en waartegen zij zich moet verdedigen. Daarmee is de dagvaarding voldoende feitelijk omschreven en ook overigens is aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldaan.

De dagvaarding is derhalve geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich op het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen met nummer 162. Ten aanzien van feit 2 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het medeplegen van het dealen van cocaïne kan worden bewezen. Zij baseert zich daarbij op het feit dat verdachte op diverse data in de auto zat als er drugs werden verhandeld. Ook leverde verdachte blijkens OVC gesprekken een bijdrage aan de cocaïnehandel door mee te denken over plaatsen waar medeverdachte [medeverdachte 1] zijn cocaïne kon bewaren . Dit duidt volgens de officier van justitie op een bewuste en nauwe samenwerking en daarom komt zij tot de conclusie dat van medeplegen sprake is geweest.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten. Ten aanzien van feit 1 betwist de verdediging diverse posten die zijn aangenomen in het deelonderzoek witwassen. Verdachte heeft minder uitgaven gedaan dan medeverdachte [medeverdachte 1] , maar er is bij het witwassen uitgegaan van hetzelfde bedrag als bij medeverdachte [medeverdachte 1] . De uitgaven van vakanties staan, met uitzondering van de factuur van camping [naam] , allemaal op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] en nergens blijkt uit dat verdachte hierbij betrokken was. Verder had zij in die periode legale inkomsten uit haar nagelstudio. Ook de uitgaven voor de woning, tuin en babyborrel staan op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] . Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hadden in die periode ook nog inkomsten uit loondienst. De Suzuki is van spaargeld betaald. Er zijn contante stortingen geweest maar het enkele storten van bedragen kan niet als witwassen worden gekwalificeerd. Ook het bedrag van € 7.360,= dat [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding bij zich had, levert geen witwassen op. Dat deze bedragen witwashandelingen betreffen, kan niet worden bewezen. Derhalve dient (deels) vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van feit 2 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft geen grote rol gehad in het geheel. Er zijn in het dossier geen tapgesprekken opgenomen waaraan verdachte heeft deelgenomen. Zij heeft enkel een paar keer naast medeverdachte [medeverdachte 1] gezeten terwijl deze handelde. Zij heeft geen uitvoeringshandelingen, gericht op de verkoop van drugs, verricht. Dat is onvoldoende om te komen tot het medeplegen. Ook voor de medeplichtigheid is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte is niet actief op zoek gegaan naar een ruimte waar cocaïne opgeslagen kon worden. Dat er een sleutel zou zijn overhandigd, is ook onvoldoende om te komen tot medeplichtigheid nu het niet duidelijk is welke sleutel dat was en waar die sleutel voor bedoeld was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

De rechtbank heeft bij uitspraak van heden medeverdachte [medeverdachte 1] veroordeeld voor het dealen van cocaïne voor een langere periode en op grote schaal. 1

Op 4 juli zit medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto en op de beelden die door de politie worden gemaakt van hetgeen in de auto gebeurt, wordt gezien dat verdachte bij hem zit, terwijl medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto zitten en over hun handel spreken. Even later is medeverdachte [medeverdachte 1] geld aan het tellen en legt iets in de middenconsole. 2 Op 7 juli 2016 zit verdachte bij medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto in bijzijn van hun dochtertje en stapt een man in die medeverdachte [medeverdachte 1] geld geeft, waarop medeverdachte [medeverdachte 1] hem een pakje geeft.3

Deze cocaïnehandel is reden geweest om onderzoek te starten naar de financiën van [medeverdachte 1] en verdachte, die immers de partner is van [medeverdachte 1] .

Uit dit financieel onderzoek kwam naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] sinds 2014 geen legaal inkomen meer had en verdachte in 2014 een legaal inkomen had van € 3.655,=. Daarna was het legaal inkomen bij verdachte nihil. Vanaf 1 januari 2013 stortte verdachte € 49.022,54 aan contant geld op haar bankrekening, vanaf april 2014 bijna maandelijks een bedrag van minimaal € 1.700,=. De vaste lasten werden van de bankrekening van verdachte betaald. Medeverdachte [medeverdachte 1] stortte in 2013 en 2014 totaal € 2.655,= aan contant geld op zijn bankrekening. Voor dagelijkse boodschappen werd door verdachten vanaf 1 januari 2013 niet meer gepind, met uitzondering van een transactie op de rekening van medeverdachte [medeverdachte 1] van € 218,22. Bij de doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] werden diverse papieren aangetroffen van uitgaven door hen. Aan vakanties werd een bedrag van € 26.065,35 uitgegeven. Aan uitgaven voor de woning en de tuin werd

€ 13.487,= uitgegeven. Voor de aankoop van voertuigen werd een bedrag van

€ 30.797,= uitgegeven. Voor een babyborrel werd uitgegeven een bedrag van € 4.212,50. Ten slotte is er onderzoek gedaan naar de bruiloft van verdachten en daaruit volgde dat een bedrag van € 16.187,59 contant is betaald. Bij aanhouding van verdachte [medeverdachte 1] werd een bedrag van € 7.360,= onder hem in beslag genomen. Tegenover deze bedragen stond geen legaal inkomen. 4

De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] geldbedragen voorhanden hebben gehad die niet verklaarbaar zijn door legale inkomsten. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben over de herkomst van de geldbedragen geen concrete, verifieerbare en geloofwaardige verklaringen afgelegd. Verdachte en [verdachte] hebben weliswaar in 2015 een bedrag van € 75.000,= gewonnen bij de Postcodeloterij, maar dit bedrag is grotendeels besteed aan een aflossing van een deel van de hypotheek en de betaling van een deel van de kosten van de bruiloft.5

Deze betalingen zijn niet meegenomen in de hiervoor genoemde berekeningen.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag geplaatst of verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte 1] , zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen. De rechtbank dient daartoe allereerst de vraag te beantwoorden of de geldbedragen afkomstig waren van enig misdrijf. Nu de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het dealen van drugs bij medeverdachte [medeverdachte 1] en het gaat om een eigen misdrijf dat door de medeverdachte is gepleegd, is hier sprake van witwassen mét gronddelict. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Dit kan enkel aan de orde zijn als verdachte moet hebben geweten dat het geld van misdrijf afkomstig was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit wist, onder meer omdat zij in de auto aanwezig was bij diverse transacties tussen haar partner en drugsgebruikers. Het kan dan ook niet anders dan dat zij wist dat het geld dat [medeverdachte 1] voor het gezamenlijk huishouden beschikbaar stelde, afkomstig was van het dealen van cocaïne door [medeverdachte 1] .

De rechtbank overweegt dat er in de periode vanaf 1 januari 2013 diverse geldbedragen contant op de rekening van verdachte zijn gestort, die zijn gebruikt om vaste lasten voor hun gezamenlijke huishouding te betalen. Ook zijn er grote contante bedragen uitgegeven aan vakanties, de tuin en de aankoop van voertuigen, alsmede voor een babyborrel. En blijkbaar zijn in die jaren alle uitgaven aan boodschappen, huishoudelijke spullen en kleding contant betaald. De rechtbank ziet deze uitgaven als handelingen die medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte hebben verricht om de criminele opbrengst veilig te stellen. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank kennelijk gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die bedragen. Dit geldt echter niet voor alle in het proces-verbaal opgenomen posten. Zo is er een geldbedrag aan contanten bij medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen, te weten een bedrag van € 7.360,=. Dit geld kan niet als witwasgeld worden aangemerkt omdat hij dit geld enkel voorhanden had en er geen verbergings- dan wel verhullingshandeling heeft plaatsgevonden. Ook is het de rechtbank met betrekking tot uitgaven aan auto’s, nu er ook auto’s zijn ingeruild, niet helemaal duidelijk geworden welke bedragen van misdrijf afkomstig waren. Gelet op de onderliggende dossierstukken is wél duidelijk dat een bedrag van ten minste € 100.000,= is witgewassen. Gelet op de omvang van de geldbedragen en de duur van de periode gedurende welke medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte zich aan witwassen hebben schuldig gemaakt, te weten in de periode van 12 juli 2013 tot en met 12 juli 2016, acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte van dit witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Medeplegen

De rechtbank acht het medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen. Bij medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte was er sprake van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het uitgeven van geldbedragen die verdachte verdiende met het dealen in drugs en die op haar rekening werden gestort. Medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte voerden een gezamenlijke huishouding en van de rekening van verdachte werden gezamenlijke kosten betaald. Ook van de andere bedragen, te weten uitgaven aan vakanties, tuin en auto’s en uitgaven aan levensonderhoud, hebben beide verdachten binnen hun gezamenlijke huishouding, profijt gehad.

Feit 2:

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af dat verdachte meermalen bij medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto zat terwijl er door hem cocaïne werd verhandeld. Zij wist dus dat er drugs werden verhandeld, maar heeft blijkens het dossier geen actieve handelingen met betrekking tot het bewerken, vervoeren, verkopen en verstrekken van drugs gepleegd. Het enkel weten van de drugshandel en het meeprofiteren van de verdiensten is laakbaar, maar duidt niet op medeplegen. De daarvoor vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking is niet vast komen te staan. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

Ook voor medeplichtigheid is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Om te kunnen vaststellen dat er sprake is van medeplichtigheid dient vast komen te staan dat iemand opzettelijk behulpzaam is bij het plegen van het misdrijf dan wel dat zij opzettelijk gelegenheid middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf. Hiervan is geen sprake nu verdachte geen actieve handelingen met betrekking tot de drugshandel heeft gepleegd. Van de medeplichtigheid zal verdachte derhalve eveneens worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 12 juli 2013 tot en met 12 juli 2016, te Tilburg,althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft hij, zij, verdachte en/of (één of meer van) zijn haar mededader(s), van meerdere grote (contante) geldbedragen, waaronder een (contant) geldbedrag van 133.570 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij zij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze (contante) geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Ook is met cursief een aanvulling op de tenlastelegging opgenomen. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek naar rato van 2 uren per dag. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis

6.2

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de betoogde vrijspraken, dient geen straf te worden opgelegd. Indien er toch een straf wordt opgelegd, dient bij de bepaling van de strafmaat rekening te worden gehouden met de kleine rol van verdachte en haar blanco strafblad.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met haar partner gedurende een lange periode van drie jaren schuldig gemaakt aan het witwassen van grote contante geldbedragen. Door aldus te handelen, heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De rechtbank neemt het verdachte bovendien kwalijk dat zij jarenlang heeft meegeprofiteerd van de illegale inkomsten die haar partner [medeverdachte 1] verdiende met de handel in cocaïne. Zij heeft zich blijkbaar totaal niet bekommerd om het feit dat [medeverdachte 1] dit geld verdiende aan de drugsverslaving van zijn vele klanten.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegend acht de rechtbank passend een taakstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van voorarrest naar rato van 2 uren per dag, bij niet uitvoeren te vervangen door 120 dagen gevangenisstraf. Tevens acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend met een proeftijd van 2 jaren, als stok achter de deur voor verdachte om zich niet meer aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.

7 Het beslag

Op de auto van verdachte, te weten de Suzuki Alto met kenteken [kenteken] , is ook conservatoir beslag gelegd. De rechtbank kan derhalve op dit beslag thans geen beslissing nemen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van gewoontewitwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hertsig, voorzitter, mr. Peters en mr. Tempelaar, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 juni 2017.

1 Het vonnis van de rechtbank in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 27 juni 2017 onder parketnummer 02/820568-16.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 932 tot en met 934 van het eindproces-verbaal met dossiernummer ZB4R016053 (onderzoek Minehead) van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 1408.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 965 t/m 967 van voornoemd eindproces-verbaal.

4 Het Proces-verbaal deelonderzoek witwassen met nummer 162 en de daarbij behorende bijlagen, paginanummers 1 tot en met 398 (het witwasdossier), separaat aan het dossier toegevoegd.

5 Het proces-verbaal bevindingen met nummer 233, opgenomen in het proces-verbaal deelonderzoek witwassen, p. 279 en 280.